’Appie, je had ook een aardige crimineel kunnen zijn’

’Mijn naam is De Cock, met ceeooceekaa.’ Zondag overleed Appie Baantjer (86), de schepper van Nederlands bekendste rechercheur.

Rechercheur De Cock van het oude politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat sjokte met zijn handen diep in de zakken van zijn regenjas over het brede trottoir van het Damrak. De vriendelijke accolades rond zijn mond hadden hun dartele boogjes verloren.

Er is veel gespeculeerd over de overeenkomsten tussen politieman en schrijver Albert Cornelis – kortweg Appie – Baantjer en de hoofdpersoon die hij in zeventig detectives liet opdraven: Jurian de Cock (de voornaam werd bijna nooit gebruikt). Begrijpelijk: de schrijver werd op 16 september 1923 geboren op Urk, in een gezin met drie kinderen. Urk was nog een eiland, recht in de leer als het om geloofszaken ging – een afkomst die Baantjer ook aan De Cock zou toeschrijven. Beiden belandden als rechercheur op de Amsterdamse Wallen.

Bij Baantjer zelf ging dat niet zomaar: als schipperszoon was hij erg gehecht aan Urk, maar zijn vader leidde een roerig leven en wisselde graag van beroep: zo kwam Appie al jong in de grote stad terecht. Om net als zijn held regelmatig te mijmeren over zijn eilandafkomst. De Cock haalt christelijke wijsheden aan van zijn voorouders; bij zijn opa en oma was Baantjer in zijn jeugd een geziene gast maar die hadden ook moeite met de duivelse omgeving waar Appie uiteindelijk ging werken.

De Cock wist dat hij te ver was gegaan. Commissaris Buitendam strekte zijn rechterhand bevend naar de deur van zijn kamer.

’Eruit’.

Appie Baantjer kreeg weinig opleiding, hoewel hij De Cock later in de meeste boeken wel een toepasselijk citaat in het Latijn zou laten citeren. Op zijn zestiende ging hij werken in een handel in vetten en spijsoliën. Hij vertelde later graag hoe hij kort na de oorlog bij de Amsterdamse politie terechtkwam: zijn vader vertelde hem dat hij zich op het hoofdbureau moest melden. Maar hij had toch niks gedaan? wilde hij protesteren. Nee, zijn vader had voor hem gesolliciteerd.

Baantjer doorliep de rechercheursopleiding en belandde in 1955 op het bureau Warmoesstraat, waar hij bijna dertig jaar zou blijven. Om zijn frustratie van zich af te zetten, ging hij zijn ervaringen opschrijven. „Een proces-verbaal schiet altijd tekort, want er speelt veel meer. Het verhaal achter dat verhaal kon ik niet kwijt en daarom ben ik indertijd gaan schrijven”, zou hij later zeggen. Aanvankelijk had Baantjer geen succes: een eerste boek in 1959 flopte en ook met andere schrijfsels had hij wisselend succes.

De Cock schuifelde voorzichtig verder. Over de buik heen scheen hij in het gelaat van het slachtoffer.’Het is Simon de Mirambeau’, sprak Vledder hees.

In 1963 verscheen ’De Cock en een strop voor Bobby’, het eerste boek waarin De Cock voorkomt. Een karakter gebaseerd op twee collega’s van Baantjer: agent De Hock en de speurder De Haan die in de oorlog de verzetsnaam ’Le coq’ gebruikte. In dat eerste boek is De Cock overigens nog niet de hoofdspeurder.

In een volgend boek was dat anders; het werd het begin van een lange reeks moordzaken. In deze krant zei hij daarover: „Er waren verrekt geraffineerden bij. Toen dacht ik bij mezelf: Appie, je had ook een aardige crimineel kunnen zijn.” Baantjer slaagde er lange tijd in om ieder jaar twee boeken te schrijven. „Als ik ga zitten, produceer ik”, zei hij zelf. Zijn vaart is ook te verklaren door het feit dat veel scenes in ieder boek terugkeren en dat sommige passages – zoals de citaten in dit artikel – bijna letterlijk worden hergebruikt.

Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in het wereldje van de penoze steevast smalle Lowietje genoemd, zwaaide al meer dan een kwarteeuw met milde hand de scepter in het schemerig intieme lokaaltje. Hij lachte en keek de twee rechercheurs aan. ’Hetzelfde recept?’

Baantjer kreeg veel kritiek: men vond zijn boeken te vlak en op zijn hoogst ’ontspanningslectuur’. Daarnaast wezen sommigen erop dat de Amsterdamse wallen fors waren veranderd na 1983, het jaar waarin Baantjer met pensioen ging. Toch bleven in zijn boeken de hoeren gewoon gezellige Amsterdamse matrones, de moordverdachten hadden vrijwijl uitsluitend chique namen en bezigden taalgebruik dat steeds archaïscher werd. Bovendien bleef assistent Vledder de eeuwige leerling die in zijn driestheid altijd weer werd teruggeroepen door de wijzere De Cock. De politieman waar Vledder op gebaseerd was, had flink carrière gemaakt binnen de politie, maar zijn verzoek om ook de fictieve Vledder een loopbaan te gunnen werd niet ingewilligd door Baantjer.

En altijd weer werd het boek afgesloten met de scene waarin de moordenaar door De Cock werd uitgedaagd om nog een moord te begaan, waarna een ’heterdaadje’ volgde. Dat deze vorm van uitlokking de huidige rechter niet zou zijn ontgaan, deerde Baantjer niet. Hij bleef onder alle kritiek de beminnelijke en joviale Amsterdammer. En juist de herhaling en de voorspelbaarheid waren voor veel fans de reden om iedere keer weer de nieuwe De Cock aan te schaffen.

De vrouw droeg een donkerblauw mantelpakje van een ruige wollen stof, dat fraai contrasteerde met haar lange blonde haren. De oude rechercheur bleef gebiologeerd naar haar kijken. Haar rokje hing een handbreedte onder de knie. Haar gebruinde benen waren lang en slank.

Zowel de schrijver als de romanfiguur De Cock waren een liefhebber van vrouwelijk schoon: als het even kon onder de dertig jaar oud. Maar tegelijkertijd bleven beiden decennialang bij hun eigen vrouw. Baantjer trouwde in 1952 met Marretje van der Vaart, die hij leerde kennen voor het spookhuis op de kermis en die hij naar binnen lokte met de mededeling dat het vast minder eng zou zijn voor haar in het bijzijn van een agent. Hij ging met haar in Medemblik wonen, een opvallend verschil met De Cock die zijn hele fictieve leven in Amsterdam zou blijven.

Marretje’s overlijden na 55 jaar huwelijk, ruim drie jaar geleden, was een slag voor Baantjer: volgens vrienden ging hij daarna harder achteruit. Een jaar later kreeg hij een hartaanval. Hij kwam er weer bovenop, maar ging het wel rustiger aandoen. Met De Cock was het sinds dat jaar gedaan. Met collega-schrijver en politieman Simon de Waal schreef Baantjer verschillende boeken rond een opvolger, rechercheur Peter van Opperdoes. De laatste titel, ’Een dief in de nacht’, verschijnt dit najaar.

Bij Appie Baantjer werd begin deze maand slokdarmkanker geconstateerd, hij lag sinds twee weken in een hospice in Alkmaar. Afgelopen zondag bezocht medeschrijver De Waal hem. „’Misschien zie je je vrouw straks wel weer’, zei ik tegen hem, vlak voor hij insliep. Hij haalde zijn schouders op en glimlachte geheimzinnig. ’Ik merk het wel...’ ”

¿Het verhaal achter het proces-verbaal kon ik niet kwijt; daarom ben ik indertijd gaan schrijven.¿ (FOTO MARK KOHN )
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden