Antoine Bodar Ik ben beslist geen zondagskind

Hij nam in 1998 zijn intrek in het priesterhuis vlak bij het befaamde Piazza Navona in Rome. ’Hier kan ik elke dag naar een kerk die me bevalt’. Antoine Bodar (1944), die in het balboekje van menig tv-programma staat, krijgt volgende week zijn eigen glossy: Antoine

Met uitgestoken hand komt hij aangelopen. Op deze fraaie, herfstige dag zal Antoine Bodar – lichtgrijze hemdsmouwen, boordje – me Rome laten zien. Preciezer, zijn Rome.

Vlak bij het befaamde Piazza Navona staat het priesterhuis waar hij in 1998 zijn intrek nam. Hij bewoont er een hoekkamer op de tweede verdieping: wit gestuukte wanden, krakende parketvloer, bescheiden boekenplanken, spartaans bed, spartaanse stoelen. Adembenemend is het uitzicht rondom, op liefst twee kerken: de Santa Maria della Pace (’Daar gingen al in de Middeleeuwen paren naartoe opdat zij vruchtbaar zouden zijn’) en de Santa Maria dell’Anima, de kerk van het priesterhuis.

Door de wijdopen ramen waaien tangoklanken binnen. „Die accordeonist zit er elke dag”, zegt Bodar. „Dat vertel ik er nooit bij, maar het is hier altijd lawaaiig. In de zomer zitten de terrassen vol tot drie uur ’s nachts. Om vier uur worden de lege flessen opgehaald. En om vijf uur komt de bezemwagen langs om de straten schoon te maken. Alleen in november en februari zijn er géén toeristen.”

Bodar is in dit priesterhuis de enige Nederlander, tussen zo’n twintig collega’s. Allemaal zijn ze afkomstig uit landen die behoorden tot wat ooit het Heiliges Römisches Reich heette. „Een werkelijk Europees huis, dus.” Zij studeren aan kerkelijke universiteiten, of werken bij de curie. Daarna wacht hun doorgaans een glanzende loopbaan in de eigen kerkprovincie. „Wij worden ontzettend verwend”, zegt Bodar. „Er is een portier, vijf zusters koken voor ons, we worden aan tafel bediend, ze maken schoon. Wij hoeven helemaal niets te doen.”

Het was monseigneur Muskens, destijds verbonden aan het Nederlands College te Rome, die hem op de mogelijkheid wees. De Nederlandse kerkprovincie, wist de bisschop, heeft in dit huis ’oude rechten’. Sinds 1863 mag er minstens één priester wonen. „Alleen was van dat recht al sinds 1940 geen gebruik meer gemaakt.”

Naar eigen zeggen wilde Bodar ’altijd al’ graag een tijdje in Rome huizen. „Ik was weggestuurd door de jezuïeten van de Krijtberg, en in Leiden raakte ik mijn onderwijsopdracht kwijt. U moet er even uit, zei de geneeskundige dienst. Dat was niet tegen dovemansoren. De rector van dit huis nodigde me in april uit om te komen lunchen in de Speisesaal. Hij tikte tegen zijn glas en zei: ’Dit is Herr Doktor Bodar uit Amsterdam. Nu eet hij bij ons, maar in het najaar trekt hij bij ons in.’ Ik dacht: dit is een gastvrij huis. Ze zijn hier vriendelijk en open. Hier wil ik wonen.”

Vergeet niet, zegt hij, Amsterdam is in zekere zin diaspora. „Daar heb ik geen kerk waarin ik me werkelijk thuis voel. Dan moet je dus zelf de gebeden doen of de mis opdragen. Dat vind ik niet prettig. Doet me te veel denken aan het misje spelen uit mijn jeugd. Hier kan ik elke dag naar een kerk die me bevalt.”

Toch blijven de banden met het vaderland. Maandelijks vliegt hij minstens één keer terug, en zijn appartement aan de Amsterdamse Kerkstraat beschouwt hij nog steeds als zijn basis. „Maar Rome is mijn tweede basis. Het prettige van twee tandenborstels en twee paar pantoffels is dat je je overal thuis voelt. Ik leid hier een tamelijk teruggetrokken en eenzaam bestaan. Dat heeft het voordeel dat je veel kunt schrijven, lezen, nadenken. Maar het heeft schaduwzijden. Ik mis bijvoorbeeld mijn bibliotheek. Ik leef heel erg met mijn boeken. Ook al kijken ze me met de rug aan, het is aangenaam om met ze te verkeren. En ik mis mijn beste vrienden, die allemaal in Nederland wonen. Maar je kunt in het leven niet alles hebben.”

Via het marmeren trappenhuis dalen we af. Het priesterhuis ademt de typische sfeer van een religieuze mannengemeenschap. Streng meubilair, donkere lambrisering, nergens bloemen of andere frivoliteiten. Overal aan de wanden hangen schilderijen van bijbelse taferelen, heiligen en prelaten. Ook Benedictus XVI blikt in de Papstsaal minzaam op ons neer. Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) hield hij hier als Joseph Ratzinger domicilie – tot niet geringe trots van de huidige bewoners. Vurig hopen ze dat hij binnenkort de mis zal willen opdragen in de net gerestaureerde sacristie.

„Buon giorno suora”, zegt Bodar. In de Speisesaal is een van de vijf zusters bezig met dekken voor het middagmaal. Stuurs mompelt ze terug. Helaas, wij zullen straks moeten lunchen buiten de deur. Vrouwelijke wezens zijn ’nu eenmaal’ niet welkom aan deze tafel. Dat de huidige rector onlangs besloot dat vrouwelijke ambassadeurs wél mogen aanschuiven – mits katholiek – was al ongekend.

Toevallig staat de rector net bij de portier, paperassen in de hand: een forse, goedlachse zestiger met een niet te missen embonpoint. Hij was vanwege het zomerreces twee maanden afwezig en het weerzien gaat gepaard met een hartelijke accolade. „Een man van de wereld”, zegt Bodar later. „Dat kun je wel zien. Ik kan met hem lezen en schrijven, hij met mij ook. Juist omdat we zo verschillend zijn.”

Langs de blijmoedig doorspelende accordeonist lopen we buitenom naar de kerk van het priesterhuis. De Santa Maria dell’Anima – in trek bij pelgrims uit het Duitse én het Nederlandse taalgebied – blijkt gotisch noch barok, fraai noch lelijk. „Ik heb moeten wennen aan het drukke van deze kerk”, zegt Bodar. „Maar het is nu toch mijn kerk. Ik ken haar ’s zomers en ’s winters, leeg en vol.”

Pronkstuk is het gebeeldhouwde grafmonument, rechts van het hoofdaltaar. Daar ligt het gebeente van een andere Nederlander, de enige landgenoot die het ooit tot paus heeft gebracht. Het pontificaat van deze Adrianus VI (1459-1523) was even kort als tragisch. Volgens Bodar was hij vooral impopulair omdat hij te zeer inging tegen de geest des tijds. Adriaan trachtte Luther binnenboord te houden, fulmineerde net als hij tegen de toenmalige clerus, moest niets hebben van decadentie, kunst en weelderigheid. Evenmin zag hij heil in de fascinatie voor de Oudheid die juist toen in opkomst was. Allemaal heidens, vond hij.

Bodar zegt desgevraagd dat hij in de loop der jaren ’wel sympathie’ heeft gekregen voor zijn morsdode medebewoner in het complex. „Vooral omdat hij zijn mond opendeed. Hij zei waar het op stond, hield van helderheid. Iemand als Benedictus XVI heeft dat ook. Daar houd ik van. Vaagheid maakt waarheid dof. Adriaan is eeuwenlang onbegrepen gebleven. Pas de laatste jaren zie je iets van erkenning.”

Zwijgend wandelen we naar buiten, het licht in. De vraag ligt voor de hand: voelt Bodar zich ook onbegrepen? Ach, zegt hij. Zijn persoonlijkheid roept nu eenmaal weerstand op. „Mensen denken altijd dat ik een zondagskind ben. Dat is beslist niet zo. Ik ben een weekdagskind. Ik heb heel hard moeten werken om te komen waar ik nu ben.” Lang had hij er last van dat mensen hem beoordeelden op z’n uiterlijk. „Ik weet, om zo te zeggen, héél goed wat het is om als dom blondje door het leven te gaan. Nu ben ik verouderd, maar ooit zag ik er zo uit dat iedereen dacht: dat moet een ijdeltuit zijn. Of op z’n minst een estheet. Terwijl mijn proefschrift er al over ging dat ware schoonheid innerlijke schoonheid betekent. Tegenwoordig lijd ik er minder onder, hoor. Mensen die iets tegen je hebben, vinden altijd wel een stok.”

In een eenvoudige trattoria om de hoek wordt Bodar allervriendelijkst ontvangen. Voortvarend komen water, wijn en focaccia ter tafel. Grazie, signore. Intussen melden zich om de haverklap straatmuzikanten en zacht jammerende vrouwen aan ons tafeltje, de hand uitgestrekt. Als herkenbare zoon van de kerk moet je nu eenmaal altijd kleingeld op zak hebben.

Eigenlijk, zegt hij, was er nóg een reden om uit het vaderland weg te willen. Dat had van doen met ’het eeuwige gezeur’ rond zijn persoon in de media, vooral van aanhangers van de Acht Mei Beweging – die inmiddels ter ziele is. „Zij ergerden zich eraan dat ik hen steeds publiekelijk van repliek diende. Ik kreeg de kans mij voor een tijd terug te trekken. Prettig voor hen. En ik was toen ook te moe.”

Bodar draait zich om, en steekt zijn hand op. Il conto, per favore.

Even later volgen we een route die hij met vaste regelmaat loopt: door de nauwe straten, over de smalle Engelenbrug (waar Paulus en Petrus ons verwelkomen), langs de imposante Engelenburcht, op weg naar het Vaticaan. Scootertjes scheuren over het asfalt, een brandweerwagen komt gillend voorbij. „Is het je opgevallen dat in dit gedeelte van Rome nauwelijks bomen staan?”

In de verte doemt de Sint Pieter op, kloppend hart van de wereldkerk. Die komt straks. Eerst is Radio Vaticana aan de beurt, waarvandaan elke ochtend live een mis wordt uitgezonden. Bodar hoort tot de poule van priesters die de vieringen verzorgen – om de zoveel tijd, een week lang achter elkaar.

Mag hij zijn gast uit Nederland de kapel laten zien? De portier vindt het best. Op weg naar boven vertelt Bodar dat dit ’de enige arbeid’ is die hij nog doet voor het Vaticaan. „Voorheen las ik ook alle in het Nederlands geschreven brieven aan de paus. En daar zette ik dan in het Italiaans steekwoorden bij, zodat ze bij het Vaticaan wisten wat het antwoord moest zijn. Geestige brieven soms. ’Zeg paus!’ las je dan. Maar het was te tijdrovend. Aan mijn eigen correspondentie kom ik al nauwelijks toe. Mijn rector zei: ’Je moet gewoon zeggen dat je rector het verbiedt.’ Zo ben ik er vanaf gekomen.”

In de ovale ruimte van de kapel hangt de gecapitonneerde stilte van een studio. De mis zelf, fluistert Bodar, is in het Latijn, opdat gelovigen wereldwijd de viering kunnen volgen. „Het is een echte heilige mis. Geen spel. Ik ben dus in liturgische kledij, al kan niemand dat zien. Nu ja, soms zitten er een paar medewerkers van Radio Vaticana. Het is heel simpel en heel mooi. En ik heb veel radio-ervaring, natuurlijk. Dus kuchen doe ik in mijn vrije tijd.”

Buiten is de temperatuur tot zomerse hoogten gestegen. Bodar wil even langs bij een van zijn favoriete boekhandels. Op de verlanglijst staat een zojuist verschenen boek waarin Benedictus XVI er nogal van langs krijgt. „Ik moet op de hoogte blijven, hè.”

Twee jaar geleden ontmoette hij de paus voor het laatst. „In gezelschap, natuurlijk. Maar hij kan je met één blik duidelijk maken dat hij je ziet. Ik vind het een aardige, zachtmoedige man. Heel nederig ook, helemaal geen poeha. Veel meer dan de vorige paus is hij dienend. Johannes Paulus II was zo ongelooflijk macho. Daarom vormden ze samen zo’n goed team. Ze waren totaal verschillend. Hetzelfde wat ik met mijn rector heb.”

Op het Sint Pietersplein wemelt het als altijd van de toeristen en pelgrims. In ontmoedigend lange rijen wachten ze tot ze de basiliek binnen mogen. „Het plein vind ik prachtig”, zegt Bodar. „Dat is echt de omarming van de moederkerk. De kerk zelf is niet mijn favoriet. Als het gebouw leeg is, vind ik het net een badhuis, een antiek badhuis. Alleen als er iets te doen is met de paus, is het er mooi. Bij grote plechtigheden mogen de priesters van Rome de communie uitdelen. Heel bijzonder is dat. En eens per jaar, op Witte Donderdag, vernieuwen wij hier onze priestergelofte. Maar verder? De toeristen gedragen zich zodanig dat je weinig idee hebt dat het om een bedehuis gaat. Het is een attractie. Disneyland. Romeinen komen hier zelden.”

Midden op het plein blijft een stel in vrijetijdskledij plotseling staan. De vrouw stoot de man aan, en probeert onopvallend te wijzen naar de priester in lichtgrijze hemdsmouwen. Giechelend lopen ze door.

Zeker, zegt hij. Dat gebeurt hem vaker in Rome. „In Amsterdam word ik ook herkend, maar daar zijn ze gewend aan bekende gezichten.”

Het hoort erbij, weet hij, als je in de balboekjes staat van zo ongeveer alle televisieredacties in Nederland. Zodra er ook maar iets gebeurt in de kerk, rinkelt in de hoekkamer van het Romeinse priesterhuis immers de telefoon. Nee, de Nederlandse bisschoppen hebben hun officieuze woordvoerder nimmer op de vingers getikt. „Dat komt misschien ook omdat ik altijd probeer zowel het ene als het andere te vertalen. Er zijn boosaardige mensen die zeggen: Bodar zoekt voortdurend de media. Maar ik zit hier. En ze bellen zelf. Meestal moeten ze me nog invliegen ook. Ik ga echt niet op elk verzoek in, zoals menigeen schijnt te denken. Quizzen doe ik bijvoorbeeld niet. Maar als je uit je woorden kunt komen, ben je in Nederland al snel een ijdeltuit.”

Recent onderwerp in al die praatprogramma’s waren natuurlijk de misbruikschandalen die de moederkerk teisteren. „Mij raakt het niet zozeer. Ik lijd eronder als lid van de kerk, niet persoonlijk. Het Vaticaan had veel ellende kunnen voorkomen als het transparanter had gereageerd. Eerder door het stof was gegaan. De kerk opereert als een ouderwets negentiende-eeuws bedrijf: de hoge heren kunnen nooit fouten maken. Dat deugt niet. En dat werkt ook helemaal niet meer.”

In een zijstraat nabij het Sint Pietersplein bevindt zich de Kerk der Friezen. Het is de nu wat verwarrende benaming voor een godshuis dat de Nederlandse parochie en de Nederlandse pelgrims te Rome bedient. Vermoedelijk stond er al in de negende eeuw een kapel voor bedevaartgangers uit de Lage Landen. En Friesland was destijds heel wat omvangrijker dan nu het geval is – vandaar die naam.

Bodars relatie met de Kerk der Friezen is enigszins ambigu. „Ik ben goed met die mensen, hoor. Maar de liturgie is me er te janboerenfluitjesachtig. Van bidden komt het nooit. Om het hoffelijker te zeggen: het is er me te low church. Daarom kom ik er alleen om te preken of te celebreren.”

Aan de zijkant van de kerk is de lange scala sancta in volle glorie te zien. De bedoeling is dat de pelgrim die op de knieën bekruipt. Onderweg overdenkt hij het lijden van Christus, eenmaal boven ontsteekt hij bij het kruisbeeld een kaars en zegt een gebed. Ironisch genoeg zijn het altijd Polen, Italianen, Spanjaarden die de trap beklimmen, nooit Nederlanders. „We zijn daar te nuchter voor”, zegt Bodar.

Bij de ingang schudt de diaken die het complex beheert ons de hand. De kerk ondergaat op dit moment een fikse restauratie. Italiaanse bouwvakkers sjouwen met planken, overal klinkt geklop en getimmer, het altaar zit verscholen achter plastic. Maar de sacristie is al toonbaar. Pikante ontdekking: achter een muurtje bleek zich een loze ruimte te bevinden. „Wat we er aantroffen was niet zo smakelijk”, zegt de diaken. „Allemaal botten en andere resten. Daar hebben we nu deze vloer overheen gelegd. We staan dus boven op een graf.”

„Memento mori”, zegt Bodar met een dun glimlachje.

Het is tijd om afscheid te nemen. Keert de bekendste priester van Nederland ooit voorgoed terug naar Amsterdam?

„Die ambitie heb ik niet”, zegt hij. „Zo’n halfkloosterlijke omgeving als waarin ik nu verkeer, ligt me eigenlijk vrij goed. Kijk, wij werken door tot ons vijfenzeventigste, of tot de dood. Hopelijk heb ik hier nog tien jaar te gaan. Sowieso ben ik een laatbloeier, mijn productiviteit gaat vermoedelijk nog wel even door. En voorlopig blijf ik van de tongriem gesneden. Ze bellen me nog steeds.”

En dan? Weer dat glimlachje. „Als ik in Rome sterf, mogen ze me hier in de grafkelder leggen. Sterf ik in Nederland, dan wil ik daar onder de grond. Zo staat het in mijn testament.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden