Antje Schaap, snelste vrouw in 1942

Er vielen zelfs drie doden kort na de tocht, als gevolg van een tetanusinfectie aan bevroren ledematen. En de Tuinzaal in het Leeuwarder Diakonessenziekenhuis heette tijdelijk de Tenenzaal vanwege de vele schaatsenrijders met ernstige bevriezingsverschijnselen - de artsen konden amputatiegevallen nauwelijks aan. Maar Antje Schaap zat de morgen na die barre schaatsmarathon door Friesland weer vrolijk onder de koeien; ze had alleen wat last van spierpijn.

HARO HIELKEMA

Het was gisteren op de kop af vijftig jaar geleden. Antje, inmiddels mevrouw Dijkstra-Schaap en 71 jaar oud, voelt zich wat overvallen door de herinnering aan de Elfstedentocht van 1942: een tocht die ze als snelste vrouw aflegde, in negen en een half uur. "Was het echt op 22 januari?" Ze weet nog dat het koud was die dag, maar last had ze daar niet van gehad.

Volgens de statistieken was er strenge vorst op die dag in 1942; min 12 tot min 15 graden, met harde, in de loop van de dag afnemende noordoostenwind. Drs. J. Lolkama schrijft in 'Triomf en tragiek in de historie van de Elfstedentocht' dat het kwik tegen zonsopgang zelfs tot min 23 graden was gedaald. Het ijs was hard maar glad en sneeuwvrij. Het was helemaal geen vooropgezet plan van Antje (toen 21) om mee te doen aan de tocht. Ze was wel een sportieveling. Lid vanzelf van de gymnastiekclub van Wirdum, haar geboortedorp. Hard lopen, maar ook speerwerpen. Haar broers waren trouwens ook van die keien, in kaatsen en korfbal vooral. Zelfs in oorlogstijd gingen ze met paard en wagen naar Sneek of Franeker om aan wedstrijden mee te doen.

Kortebaanwerk

Schaatsen deden ze natuurlijk ook op de boerderij van Schaap in Wirdum. Broer Jacob (toen 26) en broer Sybe (vier jaar jonger) waren stevige rijders. Vader kon er trouwens ook wat van. Maar Antje hield meer van het kortebaanwerk, tochten reed ze weinig. "Ze zeiden wel dat ik een goeie was" , vertelt ze. "Ik was niet bij de allersnelsten, maar ik zat er tegenaan. Ik won ook wel eens wat. Kransen en zo, medailles ook wel. Geen prijzen. Het was natuurlijk oorlogstijd, je had niet zo veel." Ze gaat op zoek in de onderste laden van het dressoir.

Haar broers hadden de Elfstedentocht al eens een paar keer gereden. 'Zullen we met z'n drieen gaan rijden', stelden ze Antje voor. 'Dan kun jij ook mee.' "Dat idee ontstond zo van de ene op de andere dag. Moeten we eerst niet oefenen, vroeg ik nog. Maar voor echt trainen hadden we geen tijd. We woonden wel vlak naast de Sneekervaart, een keer zijn we met z'n drieen naar Sneek geweest, meer niet. Aan de stok. Sybe reed voorop, Jacob achteraan en ik tussen hen in. "Het ging best. We hadden vrij snel de goede slag te pakken. Dus moesten we het maar eens proberen. Tweehonderd kilometer: je wist dat het een eind was, maar het moest gebeuren."

Ze reed op Friese doorlopers. "Je zocht wat kleren bij elkaar, het moest een beetje warm zijn. Een lange broek had je nog niet in die tijd. Dan maar een rok met een jakje, een muts op en een sjaal om. En wat dikkere kousen, denk ik, misschien wel twee paar. Ik geloof dat ik hoge gymschoenen droeg, maar dat gaf niks: ik had goeie, stevige enkels. En ik had natuurlijk kranten tussen m'n kleren, want er stond een behoorlijke koude wind."

Donderdag 22 januari 1942 begon voor de familie Schaap zoals elke dag: in de koestal. Jacob, Sybe en Antje moesten eerst melken. Om vier uur in de nacht. "Ik geloof dat ik maar een paar koeien gemolken heb. Want we moesten al gauw op de fiets naar Leeuwarden. We hadden geen licht, de Duitses mochten ons niet zien in spertijd." Na acht kilometer tegenwind konden ze zich inschrijven in de Beurs in Leeuwarden. Nummer 2243 stond er op Antjes 'controlekaart'. Ze was een van de 3862 toerrijders, een van 167 vrouwen - een record-aantal. "We hadden geluk, we zaten net bij de uitgang toen het startsein werd gegeven. We waren als een van de eersten om zes uur door de draaideur, voor de menigte uit."

Hysterische taferelen

Ze hadden inderdaad geluk. Ook in 1942 speelden zich hysterische taferelen af voor de start. Veel deelnemers hadden de nacht op de vloer van de hotelzaal doorgebracht; de eigenaar had nog stro op de grond gelegd, meer service kon hij niet bieden. Iedereen moest voor zijn eigen voedsel zorgen of bonnen inleveren, had er vantevoren in advertenties gestaan. Antje had pannekoeken gebakken voor onderweg; in een sigarenkistje zaten die in de rugzak die ze bij zich hadden.

Klokslag zes uur stormden de wedstrijdrijders uit De Beurs, een half uur later gevolgd door de tochtrijders. Hollend, met de schaatsen in de hand en sommigen zelfs nog op kousevoeten, werd de route naar de Schenkenschans afgelegd. Daar werden de ijzers ondergebonden. Verlichting was er nauwelijks, zeker niet op de ijsvloer. Het was nog steeds zomertijd en daarom bleef het nog uren donker. Dat werd enkele toprijders noodlottig: even voorbij IJlst reed een groepje kanshebbers in de richting van Bolsward in plaats van Sloten.

De juiste koers

Maar het drietal uit Wirdum bleef op de juiste koers. Om kwart voor tien, ruim drie uur na de start, werd Antjes kaart in Staveren afgestempeld, nog geen uur later in Workum en om kwart voor een bereikte ze de stempelpost van Franeker. "Toen kregen wij het echt op onze heupen. We stopten wel eens af en toe, om wat te drinken. Soms kreeg je wat te eten: een stuk koek of zo. Of je maakte een praatje met een bekende die je tegenkwam. Maar op een gegeven moment werd ons bij elke controle toegeroepen dat we de eersten waren van de toerrijders. En ik kreeg steeds te horen dat ik de snelste vrouw was. Dat was een gejuich als je weer zo'n stadje binnenreed, daar werd je gewoon warm van. En ik dacht nog: hoe is het mogelijk dat ze me hier allemaal kennen! Dan riepen ze m'n naam en zo! Achteraf begreep ik dat ze die steeds van post naar post hadden doorgegeven."

In Hindeloopen wilde het plaatselijk comite Antje even van het ijs halen voor een bloemenhulde, omdat ze als eerste vrouw arriveerde. Maar ze had geen tijd. Elf minuten voorsprong? Dat was te weinig om lang bij stil te staan, vond de 'fikse boerendochter' (zoals Elfstedentochtkenner Fenno Schoustra haar in zijn boek 'De Schaatsen Scherp' beschrijft). "We gunden ons niet veel tijd. We zaten voorop en dat moest maar zo blijven" , stelt ze achteraf nuchter vast.

In Harlingen begon het Wirdumse stel trek te krijgen, maar daar bleken de pannekoeken bevroren te zijn. "Die zijn nooit opgegeten." De teleurstelling was van korte duur ( "We hadden thuis altijd goed te eten, het kon dus wel wat lijden" ). Vooral op dat vreselijke stuk door 't Bildt, van Franeker naar Dokkum, waar altijd een hoop rijders hun Waterloo vinden, reden ze als op vleugels. Zo beschreef Fenno Schoustra het: "Zelf haalde de nieuwe heldin van het Elfstedenijs tientallen, nee honderden en nog eens honderden eerder gestarte wedstrijdrijders in, stoere mannen met grote rugnummers, die met het schaamrood op de kaken machteloos moesten toezien hoe dit jonge ding van duizend weken hen voor schut liet staan."

Van de omgeving had ze weinig gezien, bekent ze achteraf. "Je keek alleen naar de barsten in het ijs. Het ging als in een roes." Pas in Bartlehiem gunden de Wirdumers zich even tijd om te rusten; een van Antjes broers had een kleine inzinking. En net op dat laatste eind werden ze nog door drie mensen ingehaald, die uiteindelijk als eerste toerrijders over de finish kwamen. Maar kort daarop volgden Antje, Jacob en Sybe. "Ik weet nog goed dat de klok van de Oldehove vier keer sloeg. Iedereen juichte. En daar stond ook nog een grote Duitser bij de finish, om me te feliciteren. Ik heb hem een hand gegeven, ja wat moest ik anders. Maar ik vond het wel raar. Hij had er toch niks mee te maken."

Naar Wirdum

Ze hebben nog heel even nagepraat na het afstempelen van de controlekaart, maar toen was het tijd om snel naar Wirdum te fietsen. Het werd weer donker en de koeien moesten nodig gemolken worden. Antje: "Ik mocht wel gaan uitrusten, vonden mijn broers. Dat heb ik toen maar gedaan. Ik had nog beloofd om 's avonds naar het feest in De Harmonie te gaan, maar dat heb ik laten schieten. Ik moest immers de volgende morgen weer melken, om vier uur." Ze heeft inmiddels de lauwerkrans gevonden, die haar bij haar aankomst in de handen werd gedrukt. "Wat ziet die er raar uit! Ik mag 'm wel eens poetsen, je kunt niet meer lezen wat er op staat." Ze laat ook een lijstje zien, gekregen van het Elfstedenbestuur. En op de kast staat de beker te pronken die ze op de avond van de jaarlijkse revue in Wirdum door het dorp cadeau werd gedaan. "Het kruisje zit er in. En het lint voor 'de eerst aankomende dame'."

Ze is dus gehuldigd, kreeg brieven, gedichten, bloemen en cadeautjes van bekenden en onbekenden en werd naderhand nog wel eens aangesproken over haar prestatie. Ze heeft zichzelf in de bioscoop nog op het Polygoon-journaal gezien. En ze is nog eens geinterviewd, in '85, vlak voor de Elfstedentocht. Maar aan een nieuwe Tocht der Tochten is ze nooit meer begonnen. "Het was mij mooi genoeg."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden