Antiheld van de dans

interview | In sneltreinvaart verwierf Jan Martens een plek in de hedendaagse Europese dans. Nu krijgt de Vlaming de Charlotte Köhler Prijs voor jong talent. Deze dagen is hij te zien tijdens Spring, het dans- en theaterfestival in Utrecht.

Opeens was hij er: Jan Martens, de sympathieke jonge choreograaf uit het Land van Waas, een landelijke streek tussen Antwerpen en Gent. En hij was meteen óveral: in Nederland op festivals als Spring, waar deze week zijn solo 'Ode to the attempt' is te zien, thuis in België, maar ook in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, tot aan de VS en Canada aan toe. En dat voor iemand die pas op zijn achttiende zijn eerste danslessen kreeg, op een balletschooltje voor volwassenen.

Pas vijf jaar geleden maakte hij zijn eerste voorstelling 'I can ride a horse whilst juggling so marry me', over de bittere noodzaak een uitblinker te zijn. Daarop volgde een aantal opvallende, gevarieerde en eigengereide voorstellingen. 'Stuk voor stuk intrigerend', volgens de jury van de Nederlandse Dansdagen, die hem nomineerde voor de Prijs van de Nederlandse Dansdagen 2014. Recenter viel hem nóg een aanmoediging ten deel: de Charlotte Köhler Prijs voor jong talent van het Prins Bernhard Cultuur Fonds.

De gretigheid waarmee de jonge Jan Martens (1984) - grote, blauwe ogen, blonde kuif, type slungelige underdog van wie je meteen gaat houden - wordt binnengehaald, zou zorgen moeten baren, want 'hypen' gebeurt vaker in de wereld van de hedendaagse dans. Een hype is snel vervlogen. Maar op een of andere manier maak je je daarover geen zorgen wanneer je Martens tegenover je hebt. Kinderlijk verwonderd, tegelijk reuze down to earth, trekt deze jonge maker zijn eigen plan. Het Plan Martens. "Ik heb wel iets te vertellen, denk ik." Wie is deze antiheld?

Hij liet de 63-jarige danseres Truus Bronkhorst, icoon van de Nederlandse avant-gardistische dans, haar ziel en zaligheid uitstorten in 'Bis' (2012), een Marina Abramovic-achtige performance die maar dóórging, tegen de klippen op, van een schrijnende menselijkheid. Een stevig groepswerk was 'The Dog Days are Over' (2014), een choreografie die bestond uit één simpele basissprong, oneindig herhaald, in een knap getimed, steeds veranderend choreografisch grid.

Dit werk liet zich zien als een levenslustig exorcisme met één doel: dat de dansers het masker van performer laten vallen, fysiek en mentaal uitgeput. Zo legde Martens bloot wat daarachter schuilt: kwetsbaarheid, eenvoud, onconventionele schoonheid. Centraal in al zijn werk staat de perfectie die wordt nagestreefd, maar nooit zal worden bereikt.

Hoge benen

"Omdat ik zo laat ben begonnen met dansen, ben ik heel lang alleen toeschouwer geweest", verklaart Martens zijn vermogen het publiek zo bij de lurven te grijpen. "Ik kan dat gevoel goed oproepen; omver worden geblazen als je iets bijzonders ziet in het theater, dat je een schoonheid ervaart die je niet voor mogelijk had gehouden. En daar hoef je dus echt geen Cirque du Soleil-spektakel, of unisono groepsballetten met hoge benen voor te zien."

Die hoge benen tref je dus ook niet aan in Martens' werk, of ze moeten onderdeel zijn van de vorm om zijn verhaal te vertellen, veelal uit zijn eigen leven gegrepen. Geen productie is daarom hetzelfde - dansant, dan weer met veel tekst of juist als één langgerekte schreeuw. Wat dat betreft is hij een typische conceptuele dans- en theatermaker, in de traditionele zin: de vorm is bij Martens tegelijk communicatiemiddel.

In 'Ode to the attempt', een solo voor zichzelf ditmaal, is die vorm zo klaar als een klontje. Martens werkt hierin letterlijk een lijstje af met dingen die het niet hebben gered in zijn leven als dansmaker, of die geen publiek hebben bereikt. Martens: "Omdat het onvolmaakte andere kwaliteiten heeft, die minstens even waardevol zijn als wat met succes is afgerond. Het is een soort autobiografie in collagevorm, waarin ik ook ruimte laat aan het toeval. Het lijstje wordt aangepast aan de stad waar het wordt opgevoerd, of aan het nieuws dat me op dat moment bezighoudt. Een speelplaats is het, maar ondertussen gaat het ook over selfies, cool zijn, echtheid en manifestatiedrang. Het is een abstracte vorm, maar het gaat wel over mensen."

Het theater is volgens Martens vooral een 'samenplaats' voor communicatie tussen mens en artiest, of liever, tussen mens en mens. En zonder daarover hard te gaan roepen, wil hij daar best een zendelingspositie in vervullen. "Het 'artiesterige' moet af van het theater. Ik denk dat het in deze tijd belangrijk is dat je een connectie maakt; ik ben niet anders dan jij, ik sta niet aan de rand, kunst is niet marginaal. Ik zoek daarom continu naar een vorm die ervoor zorgt dat de toeschouwer ziet dat de performers in het hier en nu staan, zoals zij. En dat het geen stereotypes of bedachte figuren zijn, maar echte mensen met nuance."

Hardrock en barbiepoppen

Jan Martens was een moederskind, altijd met zijn neus in de boeken, de underdog pur sang. De wereld ontsloot zich laat, zo rond zijn veertiende. Martens: "Ik kom uit een spaarzaam en naar binnen gericht gezin uit Vrasene, Oost-Vlaanderen. Eten om zes uur, geen noodzaak voor frivoliteiten." Een vriendinnetje uit een kunstzinnig nest nam hem mee naar theaterles.

Hij ging voorstellingen zien, met name Fabres toekomstvisioen van de mensheid 'As long as the world needs a warrior's soul' blies hem van zijn stoel. Martens: "Hardrock, barbiepoppen, naakt, ketchup en chocolade, trillende spieren, zwevende lichamen. Dit stond haaks op de veilige omgeving waarin ik ben opgegroeid. Een explosie van overrompeling, dat wilde ik ook bereiken."

Martens veroorzaakte thuis opschudding met de aankondiging te willen stoppen met zijn studie Germaanse talen om naar de dansacademie in Tilburg te gaan. Zonder formele opleiding, op wat lessen ballet en bewegingsexpressie in Gentse buurtcentra na, werd hij daar met de hakken over de sloot aangenomen. "Ik denk dat mijn rare spastische bewegingen, in combinatie met monomane drijfveren, me erdoor hebben gesleept. Het eerste jaar klassiek ballet haalde ik niet, maar ze zagen iets niet-alledaags in mij."

Wanneer hij naar dansvoorstellingen ging in Nederland, dacht hij: in dit soort werk wil ik niet staan. "Ik beweeg supergraag, maar ik wist al snel dat ik mijn eigen kansen moest creëren." In Vlaanderen voelde hij wél verbondenheid met de voorstellingen die hij zag: van Jan Fabre, Anne Teresa de Keersmaekers groep Rosas. Een verschil in mentaliteit, deels ingegeven door een verschil in danscultuur. "Nederland heeft een traditie van 'formele' dans waarin door choreografen wordt gewerkt aan een eigen danstaal. In Vlaanderen gaat het in de eerste plaats om de toeschouwer, dat die wordt aangesproken, ongeacht de taal waarin dat gebeurt."

Terug in België rondde hij aan de Antwerpse dansacademie Artesis zijn opleiding af. Maar in Nederland werd hij opgemerkt als danser in stukken van de Vlaamse choreografe Ann Van den Broek. En het waren de Nederlandse theater- en festivalprogrammeurs die hem een kans gaven, terwijl zijn cv in België 'te raar' werd gevonden. Nu toont hij hier én in België dat de underdog een doorbijtertje kan zijn. Doorbijten, luidt het Plan Martens, steeds dichter op de huid van het publiek. Eerst in Düsseldorf, dan volgend jaar in Utrecht tijdens Spring 2016, maakt hij zijn eerste echte grotezaalvoorstelling ('The common people') met inwoners van de betreffende stad. Net als in zijn huidige solo 'Ode to the attempt' krijgt het toeval een centrale rol. Martens: "Dat geeft ruimte aan twijfel, onzekerheid en de schoonheid van het onverwachte."

'Ode to the attempt' is te zien tijdens Spring op 28 en 29 mei in Utrecht. www.springutrecht.nl. Zie ook www.janmartens.com.

Martens laat hier én in België zien dat de underdog een doorbijtertje kan zijn

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden