Anselm Grün / ’Ik moet blijven verlangen’

Anselm Grün (Bonn, Duitsland, 1945) is monnik en zakelijk leider van de benedictijnenabdij Münsterschwarzach. Bovendien is hij werkzaam als geestelijk adviseur en cursusleider. Grün wordt ’de bekendste spirituele auteur van onze tijd’ genoemd. Zijn boeken werden in meer dan twintig talen vertaald. Op verzoek van de KRO schreef de monnik ’De Tien Geloften’, dat door Kok Kampen wordt uitgegeven.

Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„God is voor mij altijd een werkelijkheid, een vanzelfsprekendheid geweest. Misschien voelde ik Hem voor het eerst nabij toen ik Kerstmis vierde met mijn familie. Dat is in ieder geval een moment waarvan ik mij herinner dat ik het zeker wist: God is hier. Het was geen duidelijk beeld, het was eerder een gevoel: iets vaderlijks. Numineus, geheimnisvoll. Dát is de kwaliteit van het goddelijke dat mij beroerde.

Ik geloof dat het beeld dat iemand van God heeft nauw samenhangt met het beeld dat hij van zichzelf heeft. Valse beelden van God ontstaan dan ook uit onze eigen projectie: een God die als een soort boekhouder werkt, een God van willekeur, een controlerende of een straffende God. In alle religies bestaan godsbeelden die mensen goed doen, waarin God zich op enigerlei wijze heeft geopenbaard, maar ik houd vast aan mijn overtuiging dat Jezus ons een beeld van God heeft getoond dat Hem in wezen het dichtst nadert. Zeker, Mohammed heeft de moslims ook een goed godsbeeld voorgehouden, maar dat godsbeeld staat óók open voor agressieve doeleinden; voor de strijd tegen andersgelovigen. Christenen hebben, wat agressie betreft, hun bijdrage ook geleverd in de kerkgeschiedenis, maar dat hebben ze alleen kunnen doen door het godsbeeld van Jezus te vervalsen.

Ik geloof dat we met moslims een goede, eerlijke dialoog moeten voeren – en dat we van elkaar kunnen leren – maar dan nog is het beeld van de drie-enige God, die openstaat voor mensen, die niet alleen maar in de hemel troont, maar ons ook wil opnemen in Zijn gemeenschap – kortom, het godsbeeld dat Jezus heeft gegeven – voor mij het hoogtepunt van godsopenbaring.”

Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Een eiland? Nee, zo zou ik het klooster niet willen noemen, maar ik voel me wel bevoorrecht te midden van gelovige, zoekende mensen te wonen. Buiten tref ik veel meer mensen aan die zich alleen maar met materiele zaken bezighouden, die niet nadenken over de dingen, die agressief zijn, of onverschillig. Het doet me pijn te zien hoe leeg hun leven vaak is. Toch geloof ik dat ik deze lege mensen met mijn verhaal over God kan aanspreken. Ik denk dat iedereen een diep verlangen heeft naar God, maar dat veel mensen niet in God geloven omdat ze een verkeerd beeld van Hem hebben. God staat voor benauwenis, voor controle. God is iemand die je het leven niet gunt. Waarom, zo vragen ze zich af, zou ik dan respect moeten hebben voor iemand die wél in God gelooft? Ik wil niet moraliseren. Ik beweer niet dat je nooit iets boosaardigs mag zeggen, maar ik vraag me wel af hoe deze mensen zichzelf zien, of ze tevreden zijn met hun leven. Door nare dingen te zeggen, beschadig je jezelf. Het hart wordt almaar harder en dat doet de ziel geen goed. Het is mijn missie het niet aflatend verlangen naar God in anderen naar boven te halen. Ik probeer zoveel mogelijk mensen te bereiken. Ik verkondig het christelijk geloof, maar ik zeg nooit dat je zo zou móeten leven. Het is een aanbod. Kijk, dit is een manier om te leven. Of: zie je hoe leeg het leven is dat je nu leidt?

Nee, ik ben geen goeroe. Er zijn mensen die een goeroe in mij zien. Dat neem ik waar. Ik merk het aan de reacties die ik krijg, aan de stukken die kranten – vaak met een niet- religieuze achtergrond – over mij publiceren. Kennelijk spreekt mijn verhaal hen aan, maakt het dingen los. Ja, ik ben het met u eens: ik ben ook een item, een event, maar ik geloof toch dat de meeste aandacht oprecht is. Ik probeer mezelf niet af te laten leiden: ik ben een monnik. Met een vaste structuur. Ik sta iedere ochtend om twintig voor vijf op en doe mijn gebeden. Twee keer per week geef ik een voordracht en soms moet ik – voor een korte reis – naar het buitenland, maar daarna ga ik weer gewoon terug naar het klooster. Ik ben dankbaar dat mensen zich door mijn boeken aangesproken voelen, maar ik schrijf ze niet om er zoveel mogelijk geld mee te verdienen. Ik schrijf omdat ik mensen wil helpen in hun leven en in hun zoektocht naar God.”

Gij zult de dag des heren heiligen

„Ik heb iedere dag drie uur heilige tijd – in die zin zijn voor mij alle dagen gelijk – maar de zondag is toch bijzonder. Dat was bij ons thuis al zo. Vroeger werd de post ook op zondag bezorgd, maar mijn vader weigerde die te openen. Hij was een zeer spirituele man. Iedere dag om kwart voor zeven – voor het openen van de zaak – ging hij naar de kerk. Ik doe op zondag geen administratief werk en voer in de namiddag ook geen gesprekken meer. Wat ik doe om te ontspannen? Ik wandel. Ik lees. Ik luister naar muziek. Dat is genoeg.”

Eer uw vader en uw moeder

„Ook ik heb tegen mijn ouders gerebelleerd, ik heb grenzen gezien – als ik terugkwam van het internaat, voelde ik een zekere afstand, we kregen meningsverschillen over intellectuele onderwerpen. Maar als ik terugkijk, zie ik alleen maar positieve kanten: ze waren er altijd, voor al hun zeven kinderen. Ze gaven ons vrijheid, het was niet benauwd bij ons thuis. Ze hebben zich altijd voor mij geïnteresseerd, ik heb het gevoel gehad dat ze mij in alles in mijn waarde lieten. Er was respect, zekerheid, geborgenheid en liefde. Nee, niet zoveel lijfelijkheid. Ik werd als kind natuurlijk wel geknuffeld, maar na mijn tiende hield dat wel zo’n beetje op. Later, toen ik als priester met jongeren ging werken en merkte hoe vanzelfsprekend het kon zijn elkaar te omarmen, heb ik het thuis weer in weten te voeren. Mijn moeder reageerde er in het begin onwennig op, maar ze is het uiteindelijk tot haar dood blijven doen.

Mijn ouders waren voorbeeldig voor mij. Mijn vader in zijn duidelijkheid, zijn oprechtheid en zijn eerlijkheid, maar ook in zijn moed: hij kwam uit het Ruhrgebied en is, op zijn vijfentwintigste, zonder geld, naar München getrokken en heeft daar uit het niets een eigen zaak opgebouwd. Hij las veel, heeft later nog Russisch geleerd. Hij was gastvrij en tolerant. Ik herinner me nog goed wat hij tegen mijn zuster zei die in 1955 als au pair in Frankrijk ging werken: ’Ga en bouw bruggen.’ Ik geloof niet dat het in die tijd zo vanzelfsprekend was om een jong meisje alleen naar het buitenland te laten vertrekken. Hij had er vertrouwen in. En gaf haar ook een opdracht mee.

In 1971 is mijn vader overleden. Hij is gewoon, tijdens het avondeten, dood neergevallen. Ik studeerde in Rome. Het was drie weken voordat ik tot priester gewijd zou worden. Een schok. Nee, geen woede of twijfel. Ik was vooral erg verdrietig: we hadden elkaar door die afstand al een tijdje niet gesproken en ik had het gevoel dat we elkaar nog zo veel te vertellen hadden. Mijn moeder is door zijn dood erg gegroeid. Vroeger was zij vooral degene die voor de praktische zaken zorgde, voor al het andere steunde ze misschien wel erg op hem. Ze is 91 geworden, was aan het einde van haar leven bijna blind maar bleef altijd even vrolijk en optimistisch. Het laatste half jaar – ze was gevallen en ging daarna snel achteruit – werd zij een echt pleeggeval. Ik ging vaak bij haar kijken. Toevallig heb ik, de dag voor zij stierf, nog thuis geslapen omdat ik een voordracht in München moest houden. Ik was er niet bij, maar ben in ieder geval in haar buurt geweest.

Ik heb eens een droom gehad waarin mijn ouders aan mij verschenen. Ze gaven door dat het goed was, zo. Ja, het was een boodschap – ik heb die woorden, toen ik wakker werd, nog opgeschreven. Ze bevestigden mijn vermoeden. Van wie die woorden komen? O, je wilt zeggen dat mijn onderbewustzijn hier een rol speelt? Ik weet het niet. Daar kunnen we natuurlijk over discussiëren, maar ik wil het erop houden dat het een boodschap van mijn ouders was. Natuurlijk, op een dag ga ik met hen herenigd worden. Ik ben ervan overtuigd dat we elkaar allemaal terug gaan zien, ook al weet ik niet hoe ik mij dat moet voorstellen‿ Het zal geen schoolreünie zijn, het is een weerzien dat zich niet laat beschrijven.

Ik geloof dat we rekening moeten houden met de mogelijkheid dat er een hel bestaat. Zo staat het ook in de Bijbel beschreven. Tegelijkertijd geloof ik niet dat God iemand in de hel zal gooien. Ik heb voor ieder mens de hoop dat hij, in de dood, tot God komt. Wie zich dan nog voor Hem afsluit, bevindt zich in de hel.”

Gij zult niet doden

„Alleen uit noodweer, alleen als de aanvaller niet op een andere manier gestopt kan worden, is het geoorloofd om te doden. Vroeger werd een oorlog vanuit de theologie wel eens gerechtvaardigd, je ziet nu religieuze fanaten hetzelfde doen: ze willen doden uit naam van God en geloven dat ze daarmee in hun recht staan. Ik schrik ervan als ik hoor hoeveel mensen überhaupt geen gevoel meer voor het leven hebben; hoe ze handelen vanuit minachting en angst. De mens is met agressie geboren, ooit leefde hij onder wilde dieren en moest zich kunnen verdedigen, maar waar het dier zijn agressie nog in een bepaalde situatie gebruikt, heeft de mens geen rem meer en is hij in staat onbegrensd te doden.

Moraal, ethiek: dat moet onze grens zijn. Maar ik hoor de verhalen van mijn medebroeders over de drugsoorlog in Colombia, ik lees over fundamentalistische moslims, over huurmoorden in Rusland en ik merk dat ik het moeilijk vind optimistisch te zijn. Ik ben wel eens bang dat ik mensen die zo hard zijn – die geen enkel gevoel voor normen en waarden meer hebben – niet meer kan bereiken.

Voor mij persoonlijk ligt die gewelddadigheid op een heel ander terrein. Ik heb, zeker in de eerste jaren in het klooster, mijn agressie onderdrukt. Zo mocht ik niet zijn. Maar doordat ik die gevoelens naar beneden duwde, kwamen ze in een andere vorm naar boven drijven: in mijn te harde oordeel over anderen, in ontevredenheid of innerlijke verstarring. Ik heb moeten leren inzien dat agressie een belangrijke bron van levensenergie is; ze wil de afstand tussen anderen en mijzelf bewaken. Agressief gedrag wil niet altijd zeggen dat ik een ander ga slaan als hij te dichtbij komt, nee, ik stel een grens. Dat ben jij. Dit ben ik. Ik treed op, ik ben actief. Het is belangrijk om die agressie in jezelf onder ogen te komen, te begrijpen en te accepteren. Het heeft tot mijn dertigste geduurd voordat ik díe strijd zo’n beetje had gestreden. Nu heb ik geen angst meer voor wat in mij is.”

Gij zult geen onkuisheid doen

„Ik kan niet ontkennen dat het celibaat soms een beproeving voor mij is geweest. Ik heb fantasieën gehad, ik heb ernaar verlangd seksueel contact met een vrouw te hebben maar‿ nee, als ik goed bij mezelf te rade ga, weet ik het toch zeker: dat is niet mijn weg. Ik kan niet én partner én monnik zijn. De weg die ik ga, dwingt mij de kracht die van mijn seksuele gevoelens uitgaat op een andere manier te gebruiken. Bijvoorbeeld door te schrijven. Zo kan seksualiteit ook een bron van creativiteit zijn.”

Gij zult niet stelen

„Niet stelen staat voor mij gelijk aan niet te veel bezitten. Luxe is geen begeerte van mij. Mijn grootste bezit is een cd-speler. De boeken die ik krijg, geef ik aan de bibliotheek. Andere geschenken geef ik meestal door. Ik zie eigenlijk nooit iets wat ik graag zou willen hebben. Bovendien moet je voor alles wat je bezit weer tijd inruimen, en dat wil ik niet. Ik doe nu wat ik wil doen, en het is goed zo. Ik heb niet veel nodig om tevreden te zijn.

Veel mensen definiëren zich met uiterlijkheden omdat ze in zichzelf geen waarde kennen. Ze vullen hun huizen met spullen tot ze, op een dag, zullen ontdekken dat het helemaal niet mooi is om in zo’n vol huis te wonen. Ik geloof dat mensen, diep van binnen, een groot verlangen naar eenvoud hebben. Hoe meer tevreden we met onszelf zijn, des te eenvoudiger kunnen we leven.”

Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Ik heb eens een brief gehad van iemand die een boekhandelaar had horen zeggen dat ik één of zelfs twee kinderen heb. Er was volgens hem een vrouw op televisie geweest die zoiets had beweerd. Ik heb me daar niet druk over willen maken, maar toch, zo’n bericht kan zich als een vuur verspreiden en voor je het weet wordt het als waarheid aangenomen. Iemand van de uitgeverij heeft de omroep gebeld om te proberen met deze mevrouw in contact te komen, maar al snel bleek dat er helemaal niet zo’n programma was uitgezonden. Ik denk dat mijn bekendheid hier een rol in speelt. Er zijn mensen die óók bekend willen worden en zich dan op deze manier willen doen gelden. Maar het heeft ook te maken met de manier waarop ik theologie zie. Ik word nogal eens bespot omdat ik alles – het christelijk geloof, psychologie en boeddhisme – door elkaar zou gooien. Laatst werd er tijdens een bijeenkomst, door radicaal conservatieven, met posters tegen mij geprotesteerd.

Ik zal niet beweren dat het mij niets doet, maar ik wéét dat ik heel christelijk ben, dat ik vanuit mijn geloof leef. Mensen die ervoor openstaan horen het, en zij die het niet willen horen, horen het niet. Ik heb geen last van bewijsdrift, ik zie het niet als mijn opdracht mijzelf bij zoveel mogelijk mensen populair te maken.

Dat mijn boeken zo succesvol zijn, verklaar ik uit het feit dat ik een heldere taal spreek, dat ik niet veroordeel maar mensen neem zoals ze zijn en dat ik hen vanuit het christelijk geloof probeer te helpen zin aan hun leven te geven.

Wat ik te vertellen heb, komt hier op neer: God heeft de mens goed geschapen, Jezus heeft ons aan de goddelijke kern herinnerd en wij moeten ons deze kern – waarin we gelukkig en heel zijn – bij alles wat wij doen bewust zijn. Vanuit die gedachte kunnen we onze dagelijkse problemen relativeren en in onze omgang met anderen innerlijke vrijheid ervaren.”

Gij zult geen onkuisheid begeren

„Als ik begrip toon voor het ongelukkige huwelijk van de vrouw die bij mij te rade komt, wil het wel eens gebeuren dat zij verliefd op mij wordt. Ik probeer eerlijk te zijn. Ik neem het waar – onderken ook dat het vleiend is – maar zend geen signalen uit. Ik zal de vrouw troosten, maar niet aanraken. Ik moet mij daarbij namelijk de vraag stellen: wil ik deze vrouw omarmen omdat ik haar wil helpen of geef ik blijk van mijn eigen verlangen naar nabijheid? Als dat laatste het geval is, help ik haar in ieder geval niet.”

Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Ik ben kellenaar van een grote abdij en ik merk dat het spel van geld verdienen – ook al is het niet voor mijzelf, maar voor het klooster – mij een zeker plezier verschaft. Ik moet ervoor waken niet steeds meer te willen. Of ik tevreden ben met wat ik heb bereikt? Dat kan ik niet zeggen. Ik kan zeggen dat ik dankbaar ben voor de manier waarop ik ben gegroeid. Ik heb het gevoel dat ik steeds gelukkiger ben geworden. Maar tevredenheid‿ kijk, ik moet blijven verlangen. Het is juist het verlangen dat mij verder brengt. Een monnik is tenslotte iemand die zijn leven lang naar God zoekt. Theoretisch weet ik dat God dichtbij is, maar ik ben niet altijd dicht bij mezelf, en daardoor ben ik ook vaak ver van God. Laat ik het zo zeggen: als ik één ben met mezelf en aan niets anders denk, dan is God nabij. Als ik niet in mijn hart ben en verdwaal in duizend gedachten, dan is God ver weg.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden