anne frank / Ode aan mijn Vulpen

De dagboekbrieven van Anne Frank zijn doordesemd van wat cultuurhistoricus Léon Hanssen ’historische intelligentie’ noemt. Door zich de geschiedenis van haar vulpen voor de geest te halen, weet Anne Frank in het reine te komen met het verlies van haar kostbare bezit, dat per ongeluk in de kachel belandt.

Op 11 november 1943 legt Anne Frank in haar dagboekbrieven de geschiedenis van haar vulpen vast. Zij had het schrijfinstrument op negenjarige leeftijd, dat moet 1938 zijn geweest, als een ’monster zonder waarde’ per post van haar grootmoeder Hollünder uit Aken ontvangen. Uit ’Het Achterhuis’ weten we dat deze grootmoeder zich later in het jaar 1938 vanwege de rassenwetten in Duitsland bij het gezin Frank in Amsterdam voegde, waar zij, zeer tot het verdriet van haar kleindochter Anne, in januari 1942 kwam te overlijden. Zij hoefde de onderduikperiode en het tragische einde niet meer mee te maken. De geschiedenis van de vulpen is ondenkbaar zonder de geschiedenis van de geefster en de gebruikster.

Allerlei bijzonderheden van het ’zeer lang en interessant vulpenleven’ zijn door Anne Frank op een van evenveel liefde als opmerkingsvermogen getuigende manier vastgelegd. Hoe het werktuig in haar bezit kwam, de dikte van de punt, de twee etuis waarin het werd bewaard, de schoolklassen waarin de vulpen wel en niet mocht worden gebruikt, de ’talloze dagboeken en geschriften’ waar ’zij’ (de vulpen bezat voor Anne Frank het vrouwelijk genus) met haar bezitster doorheen was ’gerend’, de entree in het Achterhuis en bovenal: het geluk van het schrijven.

Het was Anne Franks grote ambitie om journaliste en schrijfster te worden. Zij wilde werk creëren dat haar zou overleven en haar niet naamloos zou achterlaten. De geschiedenis van haar vulpen is ook onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van ’Het Achterhuis’, met de geschiedenis van haar postume roem en met nog meer dan dat. Toen Anne op een vrijdagmiddag aan tafel met haar vulpen in de aanslag klaar zat om te schrijven, werd zij opzijgeduwd door haar zuster en vader, die Latijnse les wilden oefenen. Zonder een woord op papier te hebben gezet, besloot Anne zich dan maar bezig te houden met het sorteren en ’opwrijven’ van de dagvoorraad bruine bonen, waarvan zij na afloop de slechtste exemplaren samen met het op de grond bijeengeveegde vuil in de kachel smeet.

„Een geweldige vlam sloeg eruit en ik vond het prachtig dat op die manier de kachel, die op apegapen had gelegen, zich herstelde.” De jeugdige schrijfster besefte op dat moment niet dat zij de vulpen, die tegen elke bedoeling in tussen het vuil was verdwenen, ook in de kachel had gedeponeerd. Alleen het clipje waarmee het schrijfinstrument wordt vastgestoken in het etui of een binnenzak, werd de volgende ochtend tussen de as uit de kachel teruggevonden, maar de gouden pen met zijn prettige dikke punt, de gouden pen niet. Haar vader meende: „Zeker vastgebakken in de een of andere steen.” Anne wist zich met het lot van de vulpen te troosten in de wetenschap dat ’zij’ gecremeerd was, „net wat ik later zo graag wil!” (Dit laatste getuigt overigens van een onorthodoxe houding: vanwege het geloof in de lichamelijke wederopstanding was cremeren voor Joden taboe.)

Anne Franks ode aan haar vulpen bewijst, in al zijn invoelende en observerende kracht, dat zij in haar puberteit reeds was wat zij later wilde worden: een schrijfster. De passage getuigt bovendien van een intelligentie in de richting waarin zij zich later door een universitaire studie, het liefst voor een deel in het buitenland om zodoende ook vreemde talen te leren, wilde bekwamen: de geschiedenis.

Was Anne Frank een goed of groot (kunst)historica geworden, als zij al niet een nog groter schrijfster zou zijn geworden? Zij bezat onmiskenbaar alle vermogens daartoe. Haar dagboekbrieven zijn doordesemd van wat ik zou willen definiëren als ’historische intelligentie’. Zij lenen zich er ook bij uitstek voor om dit begrip uit te leggen.

De Amerikaanse neuropsycholoog Howard Gardner heeft als eerste getornd aan het traditionele beeld van ’intelligentie’, eenzijdig als het gericht was op begaafdheden op het gebied van het logisch-wiskundige. In zijn ’Frames of Mind’ uit 1983 ontwikkelde Gardner een theorie van ’meervoudige intelligenties’ waarvan hij liefst zeven soorten onderscheidde, respectievelijk op het vlak van het linguïstische; het logisch-wiskundige; het muzikale, de lichamelijke beweging; het visueel-ruimtelijke, het interpersoonlijke en ten slotte het intrapersoonlijke, dat wil zeggen het vermogen tot zelfinzicht. In een latere publicatie uit 1999, die in het Nederlands is vertaald als ’Soorten intelligentie.

Meervoudige intelligenties voor de 21ste eeuw’, voegde Gardner daar nog een achtste aan toe: het vermogen tot het herkennen en classificeren van flora en fauna, reden waarom hij deze soort de ’naturalistische intelligentie’ doopte. In het algemeen beschouwt hij ’intelligentie’ als de capaciteit om problemen op te lossen of om producten te creëren, waarvan de waarde in een groter cultureel verband wordt gerespecteerd.

Waarom de Amerikaan er nooit toe is overgegaan ook het bestaan van een ’historische intelligentie’ te erkennen en waarom, voor zover ik althans kan nagaan, nooit iemand een pleidooi daarvoor heeft gehouden, is mij een raadsel, maar de dagboekbrieven van Anne Frank alleen al geven voldoende grondstof voor een kleine theorie van de ’historische intelligentie’.

Ik wil hier niet lang stilstaan bij de criteria die Gardner heeft opgesteld voor het onderscheiden van intelligenties. Zo vindt hij dat elke soort zijn eigen specifieke kernfuncties moet hebben, zijn eigen symboolsysteem, zijn eigen ontwikkelingsprocessen en algemeen geëerbiedigde eindtermen. Ik meen dat het menselijke vermogen tot het onderkennen, het classificeren en het zich rekenschap geven van de geschiedenis ruimschoots aan Gardners criteria voldoet. De historische intelligentie bezit bovendien een aantal bijzondere kwaliteiten die haar in hoge mate noodzakelijk maken voor de bloei van onze en andermans cultuur in een vreedzame coëxistentie.

Wil er sprake zijn van historische intelligentie, dan zijn mijns inziens drie voorwaarden onontbeerlijk: allereerst het vermogen tot zich terugverplaatsen, ten tweede het vermogen tot geloven en ten slotte het vermogen tot memoreren.

Wie zich niet kan terugverplaatsen in het verleden blijft een speelbal van de grillen van het moment. Door zich de geschiedenis van haar vulpen voor de geest te halen, weet Anne Frank in het reine te komen met het het verlies van hetzelfde object. Zij springt terug in de tijd en doet dit langs de weg van wat historici sedert Huizinga een ’historische sensatie’ noemen. Die sensatie leidt in eerste instantie tot een onmiddellijk contact en zelfs een mentale eenwording met dat specifieke verleden zelf. Dit proces wordt in werking gezet door de confrontatie met een tastbaar object uit dat verleden, bijvoorbeeld een opgegraven munt, een oorkonde of wat dan ook. Alleen is het bij Anne Frank de afwezigheid van het object waardoor dit proces wordt getriggerd. De ’unio mentalis’ komt tot stand vanuit het negatieve, op grond van een gemis. Veel grote literatuur is op dit principe gebaseerd.

De sprong in de geschiedenis kan alleen maar tot een bevredigend resultaat leiden, dat wil zeggen tot een historische voorstelling van voldoende aannemelijkheid, als zij betrekking heeft op een zo specifiek mogelijke tijd, plaats, identiteit en gestalte. Zonder die specificiteit blijft zij wazig en overbodig. Vergeet niet dat ’Het Achterhuis’ vrijwel opent met een geschiedenis van de lotgevallen van de familie Frank die ertoe leidden dat zij, met een aantal andere Joden, medio juli 1942 in het Achterhuis moesten onderduiken (Anne Frank spreekt consequent van ’schuilen’). Alsof zij dit relaas vergeten was, maar waarschijnlijk vooral omdat zij het belang van het kennen van de voorgeschiedenis essentieel vond, stelde de schrijfster op 8 mei 1944 aan de fictieve ontvangster Kitty de vraag: „Heb ik je eigenlijk al wel eens wat van onze familie verteld?” Dat had ze dus al. Het hinderde haar niet de familiekroniek nogmaals, maar nu met andere bijzonderheden en vanuit een ander perspectief te vertellen.

Voortdurend zette Anne Frank zich ertoe, als zij zich vragen stelde over bepaalde gegevenheden, de ontwikkeling in tijd, van plaats, identiteit en verschijningsvorm daarvan te preciseren. Hoe jong en ondeskundig zij nog was, begreep ze dat het bij de omgang met het verleden niet aankomt op verleidelijk wegdromen, maar op onderscheiden en rangschikken. Zo oefende zij zich, op basis van summiere en weinig bij elkaar passende informatie die zij uit kranten en min of meer toevallig aanwezige boeken verzamelde, in het samenstellen van de stambomen van verscheidene Europese vorstenhuizen. Het veronderstelde verlies van die ’stambomenmap’ door waterschade – een vaas was omgevallen– bracht haar bijna buiten controle, een paniek die tot haar vreugde weldra onnodig zou blijken. De nauwkeurige aandacht voor de verschijningsvorm van de dingen, denk aan de precieze en toch delicate manier waarmee zij een fenomenologische beschrijving geeft van haar eigen vagina, met de bedoeling daarmee ook voorlichting aan Kitty te bieden, verraadt al helemaal de journaliste, de schrijfster in spe, die zij in feite reeds helemaal was.

Op 28 maart 1944 maakte minister Bolkestein via Radio Oranje in Londen kenbaar dat er na de bevrijding een inzameling van dagboeken en brieven over de oorlog zou worden gestart. Zij zouden moeten dienen als documentatiemateriaal uit de eerste hand. Aanvankelijk twijfelde Anne Frank: had zij tot dusver niet teveel de auteur van een ’detectiveroman’ willen zijn? Zij nam haar rol als kroniekschrijfster, die allerlei actuele informatie over het wel en wee van het ’schuilen’ vastlegt, vanaf dat moment nog serieuzer dan voorheen.

Maar hoe graag wij ter wille van een zo exact mogelijke documentatie met haar registreren dat de telefoons in dat voorlaatste oorlogsjaar door de Amsterdammers uit stelerige armoede tot op de laatste draad in de cellen werden gedemonteerd, het is juist het door en door persoonlijke relaas, bijvoorbeeld in de geschiedenis van de vernietiging van haar vulpen, dat zij tot een historische voorstelling van een welhaast universele overtuigingskracht komt. Het lot van de vulpen is immers haar eigen lot en het lot van haar eigen volk.

De tweede voorwaarde voor de aanwezigheid van historische intelligentie is het geloven. We moeten het geloof kunnen opbrengen dat de waarheid van het verleden te achterhalen valt en hoogst relevant is, leerzaam en opbouwend. Ook moeten we dit geloof willen overbrengen op de culturele gemeenschap waar we deel van uitmaken en liefst ook op naburige gemeenschappen. Anne Frank had een opperhuidloze betrokkenheid bij wat zij waarnam. „Ik zie alles”, noteerde ze op 8 november 1943 in een adembenemende passage, „als zou ik het aan mijn eigen lijf beleven.” Dat is helemaal de esprit van de historicus, die de geschiedenis inderdaad meemaakt alsof zij zich aan hemzelf voltrekt. Maar het ’zien’ en het ’aan eigen lijf beleven’, waarvan Anne getuigt, zou een individuele exercitie blijven, als het niet verbonden was aan de bezielde wens tot doen geloven, tot het willen overbrengen van het ’beleefde’ naar het domein van het collectieve geheugen.

Wat de kroniekschrijfster van ’Het Achterhuis’ voor het collectieve geheugen reserveert, wil zij steeds van een zo hoog mogelijke morele categorie hebben. Haar geloofskracht wortelt in de beroemde overtuiging van ’de innerlijke goedheid van de mensen’, die in een niet nader bepaalde toekomst moet leiden tot de definitieve, onaangevochten, vestiging van ’geluk’: die morele categorie – want dat is het bij haar – waarover zij het vaakst en het liefst speculeert.

Intussen moest zij toezien hoe de wereld in een woestijn herschapen werd. De Jodenhaat was voor haar het extreme bewijs van het ongeloof van de mensheid aan geluk, waarheid en geschiedenis. Wat één enkele Jood fout doet, valt op alle Joden terug; wat in één enkele historische constellatie mis gaat, valt op de gehele geschiedenis terug. Dit kon zij niet rijmen. Door middel van een nauwgezette kritische methode van nasporen, betwisten en concluderen, die in de dagboekbrieven is te traceren in een spoor van vraag- en uitroeptekens, probeerde zij orde te scheppen in de chaos van de wereld zoals zij geworden is.

Dat het ’bergaf’ is gegaan met de ’goede tijden’ is een gegeven waar zij, haar grote idealisme ten spijt, niet omheen draaide. De opsomming, helemaal in het begin van haar boek, van de verschillende verboden die de Joden zijn opgelegd, is, in een lange zin waarin liefst dertien puntkomma’s in deelzinnen op elkaar volgen, niet slechts voor een juist dertienjarig meisje een literaire prestatie van formaat. Hoe goed zij zich ook al van haar pen kon bedienen, zij liet zich niet verleiden tot het schrijven om het effect en tot het versieren van de waarheid. Een waarheid die, keek men haar recht in het gezicht, ondraaglijk moet zijn geweest, zeker voor iemand van haar leeftijd. Zij kon die waarschijnlijk verdragen dankzij de humor en het relativeringsvermogen, waarover zij in ruime mate beschikte en die zij vaak aan het eind van een dagboekbrief tegen aanvechtingen van pessimisme in stelling bracht.

Maar nergens laat ze er een misverstand over bestaan dat de Joden gedoemd zijn zich te moeten verzamelen ’in de tocht naar de dood’. Zij brengt dit ter sprake in passages die van een gruwelijke schoonheid zijn. De gruwelijkheid ervan weerhoudt haar niet om vast te houden aan de premissen van haar historische geloof, dat gelokaliseerd is onder een immer ’blauwe hemel’ en boven een intens geregistreerde en genoten natuur. Het is ditzelfde geloof dat haar de imperatief ingeeft dat zij een groot schrijfster moet worden, dat het vrouwelijke geslacht veel meer gerespecteerd moet worden en zich zal emanciperen, en dat het goede uiteindelijk zal overwinnen. Dit goddelijke vuur, dit enthousiasme, is onmisbaar om te kunnen geloven.

Het eerste dat Anne Frank in haar tas stopte toen het moment van ’schuilen’ was aangebroken en zij zich met haar ouders en zuster naar het Achterhuis zou begeven, was het gekartonneerde schrift voor haar dagboekbrieven. Zij deed dit vol overtuiging: „ik geef meer om herinneringen dan om jurken”. Voilà, de historische intelligentie.

De laatste kwaliteit die voor de historische intelligentie nodig is, is – inderdaad – het vermogen tot herinneren. Herinneren niets slechts als een passieve daad van het afspelen in je hoofd van de film van voorbije dagen of jaren, maar als een actieve handeling waarin het verleden geheel en al wordt herschapen: door de schrijver in woorden. Gerard Reve heeft dat in een tv-interview uit 1963 eens schitterend geformuleerd: „Wat is eigenlijk een grotere verschrikking: het heden, het verleden of de toekomst? Ik zou zeggen: het verleden. Omdat het onherroepelijk is. Men behoeft echter niet geheel weerloos aan het verleden overgeleverd te zijn als men erin zou kunnen slagen het te overmeesteren, te onderwerpen, te bezweren. Door het op schrift neer te dwingen.” Bij alle nuchterheid van perceptie bezat Anne Frank het derde oog van de historische intelligentie dat haar in staat stelde de vulpen als het ware te reanimeren, weer in al haar onmiddellijkheid op het toneel van de literatuur te doen verschijnen, terwijl het object reeds in de vuurgloed tot louter as was vergaan.

De vraag naar de grotere verschrikking: het heden, het verleden of de toekomst, stelde Anne Frank zich in een van de scherpste en beklemmendste passages van ’Het Achterhuis’, namelijk de brief van 2 mei 1943. Zij maakt daarin een historische sprong in drie fasen. Eerst herinnert zij zich hoe haar familie er vroeger thuis bijliep, vervolgens geeft zij zich er rekenschap van hoe de Franks er thans in de schuilplaats aan toe zijn, om ten slotte naar de toekomst te kijken, naar een verhoopt moment van vrijheid en herstel (’later als alles weer gewoon is’). De passage is zo beklemmend omdat Anne zichzelf en de lezer tot het inzicht brengt dat ’later’ alles niet zomaar weer ’gewoon’ zal worden. Daarvoor, zo realiseert zij zich, is het Joodse gezin te ver ’afgezakt’. Over een versleten das en een kale scheerkwast valt heen te stappen, maar niet over deze ’schrik’: „Hoe willen wij (*) later weer eens tot onze vooroorlogse stand kunnen gaan behoren?” Deze schrik over het ’afzakken’ heeft zich bij Anne Frank alleen kunnen postvatten dankzij haar vermogen tot een gedifferentieerd onderscheid tussen verleden, heden en toekomst.

Waar de historicus de geschiedenis probeert op te roepen alsof zij in het heden plaatsheeft, daar weet Anne Frank het heden van het Achterhuis op schrift te dwingen alsof het reeds geschiedenis is. Zo neemt zij afstand en ’dwingt’ ze de schrik. In een PS’je memoreert zij op 25 maart 1943 dat de wc-afvoer die ochtend verstopt was en dat haar vader ’alle aardbeienrecepten (ons tegenwoordige closetpapier) met enige kilo’s kak met een lange, houten stok uit de wc [heeft] moeten pulken.’ Voor het droge slotzinnetje van het PS zou men veel gelamenteer over de kitsch van de Anne Frank-cultus willen inruilen: „De stok werd later verbrand.”

De cirkel sluit zich. Er valt een complete verhandeling te schrijven over ’brand’ en ’vuur’ in ’Het Achterhuis’. Maar de parabel van de vulpen vertelt alles. Een geweldige vlam was uit de kachel gestegen toen Anne de slechte bonen en het vuil erin had gekiept. Later realiseerde zij zich dat ’celluloid reusachtig brandt’. Het clipje dat ’s anderdaags als enig restant van de vulpen uit de as te voorschijn kwam, is de symbolische klem waarmee Anne Frank met al haar historische intelligentie het verhaal van de Shoah in onze culturele herinnering heeft vastgehecht. De rest is vastgebakken in de een of andere steen.

Léon Hanssen is cultuurhistoricus en verbonden aan de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Tilburg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden