Anna is altijd beschikbaar

„Mijn machine maakt mogelijk wat nu nog niet kan”, schreef Karel van het Reve in 1983, aan de vooravond van de digitale revolutie. Hoe staan we er anno 2011 voor? Vandaag dichter Erik Jan Harmens: „Ik had andere boeken geschreven als ik was wie ik nu ben, maar dan in 1987.”

Op de website van dat woonwarenhuis van de Zweedse balletjes, www.ikea.nl, is een zogenoemde ’virtuele verkoopassistente’ aanwezig, genaamd Anna.

„Goedenavond, ik ben Anna en ik doe m’n best om alle vragen over IKEA te beantwoorden”, zegt ze.

Als je intikt: „Waar kan ik een Billy kopen?”, antwoordt zij met de mededeling: „Op de pagina die nu wordt geopend vind je diverse producten uit de serie BILLY”.

Zeg je: „Ik zoek een badkamerkastje”, dan antwoordt ze: „Nu wordt de pagina geopend met badkamermeubels.”

Maar je kunt Anna ook hele andere vragen stellen. Bijvoorbeeld: „Alles goed?”.

De virtuele verkoopassistent antwoordt dan: „Dank je, het gaat goed”. Of: „Wie ben je?” Ze antwoordt dan: „Ik ben Anna”.

Op de vraag: „Heb je het warm?” volgt een onverwachte reactie: „Genegenheid is belangrijk in het leven. Zullen we het nu weer over IKEA hebben?”

De levensvraag „Wat was er eerder, de kip of het ei?” krijgt deze respons: „Ik open nu een pagina voor je met artikelen voor huisdieren”.

Op het wat gewaagde: „Wil je met me uit?” volgt een serviel: „Het gaat er niet om wat ik wil. Ik ben er om vragen over IKEA te beantwoorden”.

Intussen knippert Anna met haar ogen en wacht ze onvermoeibaar nieuwe vragen af. Maar als ik de suggestie doe: „Zal ik stoppen?”, volgt een: „Goed, dan houden we er mee op, maar kom gerust eens terug. Ik ben 24 uur per dag beschikbaar.”

Natuurlijk is Anna niet echt. Ze heet niet voor niets een ’virtuele verkoopassistent’. Maar ze is wel 24 uur per dag beschikbaar, waar echte mensen vaak alleen beschikbaar zijn als het hen belieft. En wat is echt? De liefhebber van horrorfilms wéét dat hij eigenlijk kijkt naar een overdosis grime. Kinderen die Jan Klaassen toejoelen, weten dat de poppenkastpop door de buurman omhoog wordt gehouden. Toch zijn mensen prima in staat die valse schijn te negeren om op te gaan in het moment, hun ongeloof op te schorten. Nep wordt echt.

Sociale netwerken op het internet bieden een pastiche op vriendschappen. Op platformen als Facebook, Hyves, Twitter en LinkedIn heb ik alles bij elkaar meer dan vijftienhonderd ’vrienden’. Maar die nodig ik heus niet allemaal uit op mijn verjaardag. Een substantieel aantal mensen heb ik zelfs nog nooit ontmoet. Wel accepteerde ik hun ’vriendschapsverzoek’.

Ik neem kennis van hun en zij nemen kennis van mijn belevenissen en reageren of klikken op de ’vind ik leuk’-knop als ik verslag doe van het feit dat mijn wasmachine steeds sokken opeet, waarop ik bij gebrek aan paren uit arren moede wekelijks zeven sets nieuwe sokken aanschaf bij de C & A. Een mij verder nauwelijks bekend iemand stuurde me in reactie op dat bericht een ’link’ naar een websitepagina waar ik voor minder dan tien euro een setje ’sokkenklemmen’ kon bestellen. ’Nooit geen sokken meer op hoeven zoeken en sorteren!’ luidde de slogan op de website.

Als ik in mijn ’werkelijke’ vriendenkring het probleem van de eenzame sokken aansneed, werd ik weggelachen waarna het glas maar weer hoog ging. Maar op Facebook werd mijn probleem wél serieus genomen. Lang leve mijn anderhalfduizend boezemvrienden!

Ik schreef drie dichtbundels en één roman die allemaal om één enkel thema draaien, namelijk het contact tussen mensen en wat daarin waarachtig lijkt en wat niet. Ik gebruik de loopgravenoorlog bij Verdun als metafoor voor het zuurstofloze leven in een vinexwijk.

Ik gebruik, vanuit mijn zakelijke achtergrond, financieel-economische termen als outlook en equity carve out als verbeeldingen van respectievelijk wat voorspelbaar is in het leven van werkenden en het drama van echtscheiding.

En ik schrijf vanuit mijn fascinatie voor internetverbintenissen over bijvoorbeeld out of office-replies, ofwel automatisch aangemaakte antwoorden op e-mail dat de persoon die je een bericht stuurde niet op kantoor is maar later contact opneemt. Laat ik zo’n bericht in een gedicht door God of mijn overleden vader aanmaken, dan krijgt de applicatie een veelomvattendheid die overeenkomt met het aloude antwoordapparaat dat nooit antwoord gaf op de vragen die je insprak. Na de piep.

Ik had andere boeken geschreven als ik was wie ik nu ben maar dan in 1987, ver voor de introductie van internet, e-mail en sociale netwerken.

In dat jaar was ik zeventien en schreef ik op mijn kamertje in Alphen aan den Rijn larmoyante klaagliedjes, vooral over onbereikbare meisjes. Iedere avond keek ik vanuit mijn kamer op naar de flat tegenover ons huis. Nadat ik op doordeweekse dagen om laten we zeggen half elf naar mijn kamer was gegaan, staarde ik daar naar het vlak waaruit de belendende flat bestond. Rond die tijd was zeker de helft van de blokjes individuele appartementen nog verlicht.

Ik schikte mijn kussens, pakte een boek en verplaatste me naar het Combray van Marcel Proust, het basiskamp van Robert Falcon Scott aan de Walvisbaai of de zitkamer van Sherlock Holmes en Dr. Watson in Londen.

Een uur later stond ik nogmaals op om naar de overkant te kijken. In het vlak waaruit de flat bestond zag ik nu nog maar een weinig aantal verlichte ramen. Ik stelde me voor dat de schijnende appartementen toebehoorden aan laatslapers, bourgondiërs en mensen die bang zijn in het donker.

Maar niet zelden kwam het voor dat ik ook om half drie nog niet sliep. Weer rolde ik dan het rolgordijn zachtjes omhoog, kraaltje voor kraaltje, om naar de flat te kijken. En altijd viel er nog wel tenminste één verlicht vakje te onderscheiden, een helderste ster die me aantrok en me de haren uit mijn hoofd deed trekken, omdat ik zo graag wilde weten, vanuit mijn verduisterde onderkomen, wat plaatsvond in dat licht, waarom de mensen die woonden in die barak nog niet naar bed waren gegaan. Ik wilde kennis nemen van de demonen die hen tartten, al was dat een aanname en waren de bewoners misschien wel gewoon vredig op de bank in slaap gevallen of waren ze op vakantie en brachten ze inbrekers op een dwaalspoor door, gebruikmakend van een tijdklok in de stekkerdoos, net te doen alsof ze thuis waren.

De flat is er nog steeds, al woon ik niet meer in Alphen aan den Rijn en zie ik als ik door mijn slaapkamerraam naar buiten kijk geen flat, maar aangelegde natuur. Dat zwarte vlak met soms veel en soms enkele verlichte vakjes erin, bevindt zich nu op mijn computerscherm. Het heet Facebook. Mijn Facebookflat kent meer dan 900 inwoners en op ieder uur van de dag brandt nog wel ergens licht. In tegenstelling tot vroeger krijg ik nu wél informatie over de levens van de bewoners, dus of ze door demonen worden getart kan ik niet meer verzinnen en moet ik uit hun berichten opmaken. Al beperken die berichten zich vaak tot meldingen over hoe iemand een ei bakt of nog eenvoudiger, dát iemand een ei bakt. De hele dag door keuvelt mijn ’community’ en reageert men op elkaars berichten:

- „Jeetje, wat ben ik moe vandaag zeg”

- „Heb ik ook last van, ja”

- „Ik ook mensen, ben niet vooruit te branden”

- „Ik ga een dubbele espresso drinken in café De Pels”

- „Goed plan, ik kom er ook aan!”

De Amerikaanse New York Times-redacteur en blogger Clive Thompson (www.collisiondetection.net) schreef over de waarde van die ogenschijnlijk onzinnige ’online-gesprekken’ op sociale netwerken en omschreef ze als ’ambient intimacy’, een intimiteit die je steeds omgeeft.

De individuele berichtjes zijn meestal sop dat de kool niet waard is, maar het gehéél aan berichten levert een boeiend beeld op van wat een groep mensen, bestaande uit vrienden, familie en soms hele, hele vage kennissen, bezighoudt.

Dat is uniek, betoogt Thompson, want vroeger zou niemand je opbellen om te vertellen wat voor beleg hij op zijn boterham legde. Met de wetenschap dat hij voor kipfilet gekozen heeft kun je op zich niets, maar de verzameling berichten van ’vrienden’ over hun lunchgewoontes resulteert in een niet eerder vertoond gevoel van ’ergens bijhoren’. Van het deel uitmaken van een groep mensen. Het is misschien niet echt, maar het voelt wél echt, net als de horrorfilm en de poppenkast.

Koningin Beatrix kan in haar kersttoespraak in 2009 sociale netwerken afdoen als het ’communiceren via snelle korte boodschapjes’, maar als ik typ dat ik met griep op bed lig, reageert de groep waar ik deel van uitmaak gegarandeerd met een serie beterschapswensen. En meld ik me weer beter, dan wordt dat met ge-hoera begroet.

Dergelijke sociale interactie die deels nep is maar volledig echt voélt, heeft op mij een blijvende indruk gemaakt. Als dichter, maar ook als social media-specialist bij een bureau voor bedrijfscommunicatie en financiële PR.

Ik spreek met bestuursvoorzitters over hoe Twitter en Facebook gebruikt kunnen worden om beleggers aan een onderneming te binden. Natuurlijk kan zo’n sociaal netwerk niet verhinderen dat een aantal beleggers met de voeten stemt als de beurskoers de uiterlijke vorm van een zwarte piste aanneemt, maar dat neemt nog niet weg dat de lang gekoesterde wens van ’shareholder intimacy’ – het door het jaar heen in voortdurend contact staan met aandeelhouders – door het ’communiceren via snelle korte boodschapjes’ nu echt gerealiseerd kan worden.

„Met virtuele ontmoetingen is die leegte niet te vullen’, sprak Beatrix ruim een jaar geleden, en ze had in de kern gelijk. Want de leegte is niet te vullen. Maar er komt wel een nieuwe leegte voor in de plaats, en dat is een vervullende leegte waar de veronderstelde volheid van vroeger nog een puntje aan kan zuigen. Neem het empathische en nuchtere antwoord van Anna, de virtuele verkoopassistent van IKEA, op de door mij ’s avonds laat gestelde vraag of ze met me in het huwelijk wil treden. „Je kan niet met een online assistent trouwen. Je kan in onze winkels wel de leukste huwelijkscadeaus vinden. Zeg me welk artikel je zoekt en ik help je verder”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden