Angst voor honden bij kinderen is goed te behandelen.

Vijf procent van de bevolking heeft een angst voor dieren. Met name kinderen ontwikkelen een fobie voor honden. Meestal is dat aangeleerd. Dat kan je dus ook weer afleren.

Een hondenfobie is knap lastig, want honden kom je overal tegen. Er zijn mensen die niet meer het park inlopen, omdat ze honden kunnen tegenkomen. Of in paniek de straat oprennen, omdat er plots één nadert. Gelukkig is er wat aan te doen.

Jonathan Mol (12 jaar) staat aarzelend voor de voordeur. Hij is zichtbaar zenuwachtig. Er zijn twee grote, zwartharige Berner Sennenhonden in huis, dat heeft Jonathans psychologe Janneke Koopman verteld. „Zijn ze aangelijnd?”, vraagt Jonathan benepen. „Kijk maar, daar zijn ze”, zegt Koopman en ze wijst naar binnen waar de grootste hond gehoorzaam zit. „Mag er één hond weg?”, vraagt Jonathan voor de zekerheid. Als de grootste hond naar de achtertuin wordt gebracht, stapt Jonathan dapper het huis in. De andere hond, een drie maanden oude pup, zit met haar bazin op de bank. Jonathan gaat ernaast zitten, op het uiterste puntje. Na een poosje durft hij de pup over haar zachte vacht te aaien. Het is een grote stap voor Jonathan. Voordat de vwo-scholier met zijn gedragstherapie begon bij het Instituut voor Psychologische Zelfhulp en Ondersteuning (IPZO), kon hij helemaal in paniek raken als hij een hond zag. „Ik was een keer buiten aan het spelen toen er een megagrote sint-bernardshond aankwam”, vertelt Jonathan. „Ik ben toen hard weggerend, een onbekende straat in. Ik zag ergens een deur openstaan van een vreemd huis en ben daar zomaar naar binnen gerend.”

Hij is niet het enige kind dat last heeft van een hondenfobie. Vijf procent van de bevolking is zo bang voor dieren dat er sprake is van een fobie. Volwassenen zijn meestal bang voor spinnen en slangen, maar kinderen hebben het meest last van een hondenfobie. Je hebt een hondenfobie als je planmatig zorgt dat je niet in aanraking komt met een hond, bijvoorbeeld door een wandeling in het bos te vermijden. Ook krijgen mensen met een hondenfobie vaak last van paniekaanvallen als ze een hond zien. Lastig, want honden kom je overal tegen. In 2005 telde onderzoeksbureau TNS Nipo 1,8 miljoen honden in Nederland.

„Je ontwikkelt een hondenfobie meestal door een voorbeeldfiguur”, zegt Eni Becker, hoogleraar klinische psychologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, gespecialiseerd in fobieën. „Kinderen leren angst aan, doordat ze zien dat iemand anders bang is. Dat heeft een belangrijke functie: zo leer je wat gevaar is. Als een familielid bang reageert op honden, nemen kinderen dat snel over. Er is ook een genetisch aspect. Als je aanleg hebt voor angst, vertoon je sneller vermijdingsgedrag.” Je kunt ook een hondenfobie ontwikkelen door een trauma, omdat je bijvoorbeeld een keer bent gebeten door een hond. Een trauma is ook de oorzaak van Jonathans hondenfobie. „Toen ik twee jaar was, ben ik een paar keer besprongen door een grote hond. Ik kan me dat niet meer herinneren, maar sindsdien ben ik wel bang”, vertelt Jonathan.

Met name kinderen zijn gevoelig om een hondenfobie te ontwikkelen. Dat komt doordat het in eerste instantie bij de gewone ’kinderangsten’ hoort. Als kinderen tussen vier en tien jaar oud zijn, vinden ze vreemde dingen zoals onweer en dieren vaak eng. Op hun tiende verdwijnen de meeste angsten, doordat een kind ziet dat het sociaal onwenselijk is om bijvoorbeeld bang te zijn voor honden. Ook zijn kinderen dan vaak zo gegroeid, dat ze groter zijn geworden dan de viervoeters. Als kinderen echter iemand in hun omgeving hebben die bang is voor honden, is er een grote kans dat ze hun hondenangst houden doordat ze bevestigd worden in hun bangheid. Ook kan de angst al zo hevig zijn dat er sprake is van een fobie en daar kom je niet vanaf met wilskracht alleen.

Gelukkig is een hondenfobie goed te behandelen met gedragstherapie. Zo’n 85 procent van de mensen met een hondenfobie komt binnen tien consulten van zijn angst af, zo meldt het IPZO. Bij de therapie komen cliënten al snel in aanraking met honden, zoals Jonathan met de Berner Sennens. „Als je steeds honden vermijdt omdat je denkt dat je gevaar loopt, krijg je nooit tegenovergesteld bewijs”, legt Janneke Koopman van IPZO uit. „Daarom moet je juist naar een hond toe gaan en, ondanks de neiging om weg te rennen, blijven staan. Op een gegeven moment hebben je hersenen door dat je niet bang hoeft te zijn. Zo overschrijf je de negatieve ervaringen met positieve ontmoetingen met een hond.”

Aan het einde van de sessie durft Jonathan de Berner Sennenpup uit te laten. Hij houdt de hond constant in de gaten, maar het gaat goed. Dan komt er plots een loslopende hond op hem en de pup af hollen. Jonathan voelt zich meteen weer angstig en geeft de hondenriem snel aan zijn psychologe. „Kijk maar, er gebeurt niets”, zegt deze. De hond snuffelt even nieuwsgierig aan de pup en rent dan terug naar zijn baas. Weer een positieve ervaring voor Jonathan. Na de sessie voelt hij zich opgelucht en vol goede moed: „Misschien laat ik de volgende keer de grote hond wel uit!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden