Angst voor het Jongmans-syndroom

Redelijke resultaten moeten geld opleveren voor een ambitieus beleid. Maar met het afvaardigen van de omvangrijkste EK-ploeg ooit neemt de atletiekunie een groot risico. Van balans is daarin geen sprake met een meerderheid aan debutanten en het ontbreken van uitgesproken favorieten.

AMSTERDAM - Zelfs de grootste sceptici ervaren het nieuwe topsportbeleid van de atletiekunie als een verfrissende bries. Maar wie in elk record een stap voorwaarts ziet, kan volgende maand tijdens de Europese titelstrijd in München bedrogen uitkomen.

Met de tussenstand op 32, voldeden nooit eerder zoveel atleten aan de limieten. Na het meegevallen WK van vorig jaar in Edmonton, lijkt een dreigend faillissement van de nationale atletiek door een kleine groep bevlogen beleidsmakers afgewend.

Zover is het evenwel niet. Er kan pas sprake zijn van een vruchtbare bedding voor deze hoog ontwikkelde sport, als wordt geïnvesteerd in opleidingen voor topsporttrainers. Zoals bij de meeste olympische sportbonden ontbreekt daarvoor geld.

De sponsorloze atletiekunie hoopt met redelijke resultaten in München geld af te dwingen bij NOC-NSF en bedrijven. Maar het afvaardigen van een grote groep deels onervaren sporters draagt risico. Er ligt bij veel atleten nog een brede kloof tussen mogelijke kwaliteit en bewezen vaardigheid. Op dat laatste is nauwelijks geselecteerd.

Nog altijd komen oude trauma's boven als Praag ter sprake komt. 27 atleten faalden daar tijdens de EK van 1978 collectief, mede doordat enkele 'dragers' van de selectie door blessures ten onder gingen.

Een vergelijkbaar, zij het meer voorspelbaar drama speelde zich acht jaar geleden in Helsinki af. Ook hier stond een ploeg die niet in balans was. De enige atlete van naam was olympisch kampioene Ellen van Langen, die zich op de eerste wedstrijddag met een blessure terugtrok. In dat spoor van tegenslag was de oogst van 25 atleten één finaleplaats, behaald door een sprintster op haar retour, Nelli Cooman.

De toegangseisen voor de komende EK zijn met wat lichte aanpassingen op de sprintnummers vergelijkbaar met destijds. Er is zelfs sprake van versoepeling; zes atleten onder de 23 jaar mogen mee na te hebben voldaan aan de zeer zwakke internationale eisen.

Dat deel van het team is het speeltuinniveau amper ontgroeid en wordt losgelaten in een competitie die boven de macht ligt. Om, zoals het streven is van technisch directeur Henk Kort, ervaring op te doen. Want zo doen Engelsen en Duitsers het ook.

Toch is er een wezenlijk verschil. Een jonge, onervaren Brit of Duitser weet zich omringd door een meerderheid die van de hoed en de rand weet. Bovendien stappen die nieuwelingen niet onvoorbereid de arena binnen; zij hebben in eigen land een zware selectie achter de rug en krijgen op grond van die hardheid sneller toegang tot het Grand Prix-circuit. De GP II en I vormen de eerste logische treden op weg naar de grote toernooien.

In Nederland is de weg anders. Concurrentie, kennis en faciliteiten zijn schaars of afwezig, niet voor niets zoekt Tamminga zijn heil in het buitenland. Bundeling van talent blijkt te werken -zie sprint en middenafstand- maar heeft zijn tijd nodig.

Door gebrek aan aansprekende prestaties is de weg naar grote wedstrijden afgesloten. Slechts jonge, uitzonderlijke talenten als Okken, Smith, Liefers en, als hij zijn zenuwen onder controle krijgt, Som, kunnen zich daar manifesteren. Zij vormen de lichtpunten die er op de lange termijn zeker zijn.

Wat de EK-ploeg betreft, die ontbeert zelfs op Europees niveau een favoriet die de rest op sleeptouw kan nemen. Van opzienbarende prestaties op mondiaal niveau is dit baanseizoen nog geen sprake geweest.

Maase (zilver op EK cross) en Vroemen zijn de oude rotten met de laatste kans op het winnen van een aansprekende medaille op de door Afrikanen beheerste disciplines, de tien kilometer en 3000 steeple. Deelneming van Liefers (1500 meter) en Tamminga (polshoog), de 'redders' van de WK, is door blessures onzeker. Hordenloper Korving, vier jaar geleden met brons de enige uitschieter, stuit sinds die tijd op zijn lichamelijke beperkingen.

De EK duren zes dagen; een golf snelle eliminaties kan een uitgelaten schoolreisjessfeer doen omslaan in malaise. Hoe wapen je daar de debutanten tegen? Daar ligt een zware last op de schouders van de begeleiders die er verstandig aan doet persoonlijke coaches als Henk Kraaijenhof en Wil Westphal nauw bij de ploeg te betrekken.

Kraaijenhof heeft zich tegen het vriendelijke snuffelbeleid gekeerd. De professional waarschuwt voor het 'Stella Jongmans-syndroom'. Tegenover een goede ervaring staan na de EK tien traumatische ervaringen, aldus de sprintgoeroe.

Hij kan het weten, met sprintster Nelli Cooman aan de hand zag hij in het verleden talloze voorbeelden. Zoals onder die 27 die in Helsinki alle vertrouwen kregen. Van hen waren er een jaar later op de WK van Gothenburg nog maar zeven over. Op Ellen van Langen na, vertilden zij zich aan het mondiale niveau.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden