Column

Angst voor én trots op het medisch tuchtcollege

Bert Keizer. Beeld Trouw

Dat artsen macht uitoefenen merkt u op hun spreekuur in het ziekenhuis. 

Een collega van mij moest laatst met haar ernstig zieke hoogbejaarde oom naar de poli. Ze moesten erg lang wachten en ze wilde gaan klagen bij de baliemedewerkster. Maar haar oom hield haar tegen, wilde er niet van weten, het zou de dokter alleen maar kunnen irriteren, de man was vast heel druk enzovoort. Kijk, zo voelt Macht aan, als het over jou uitgeoefend wordt. En jij voelt je een smekeling.

Hulpverlening zou zegenrijke arbeid zijn omdat de klant ervan opknapt. Dit kan niet erg kloppen, want veel klanten knappen helemaal niet op. En toch fietst de arts moe maar voldaan naar huis, ook als hij die dag niemand genezen heeft. Maar hij heeft wel op weldadige wijze macht uitgeoefend. Goede adviezen, belangrijke waarschuwingen, troostende woorden; het zijn allemaal manoeuvres die de hulpgever net ietsje boven de hulpvrager plaatsen, en dat geeft een goed gevoel. Ja, zo zijn wij nu eenmaal. Voor een analyse van hulpvaardigheid als machtsuitoefening heb je meer aan Frans de Waal, de primatoloog, dan aan de Bijbel. Op dit punt wint de biologie het nogal makkelijk van de theologie.

Managers

Geheel in lijn met deze analyse bestaat er zoiets als het medisch tuchtrecht. Een instelling die voortkomt uit het besef dat artsen macht hanteren en dat die macht gecontroleerd moet kunnen worden. Een nog altijd voortwoekerend schandaal is dat er niets vergelijkbaars bestaat voor managers in de non-profitsector, die immers ook heel veel macht hanteren maar die niet via een tuchtcollege tot de orde kunnen worden geroepen. Nee, raden van toezicht houden zelden toezicht. Dit terzijde.

Artsen hebben een hekel aan het tuchtcollege. Ze ervaren een aanklacht als een ernstige ontwrichting van hun leven. Er is in ons vakblad, Medisch Contact, veel aandacht voor tuchtzaken. Allereerst in de vorm van verslagen over uitspraken, met commentaar en toelichting. En daarnaast aandacht voor de vraag hoe erg het is als er een klacht tegen je wordt ingediend. Want zo’n klacht wordt veelal opgevat als een diepe belediging, een opzettelijke verwonding, een aantasting van je professionele integriteit.

De diepte van de ervaren kwetsuur toont ineens hoe hoog de dokter te paard zit, of meende te zitten, als het om zijn of haar morele gehalte gaat. De machtspositie van de aangeklaagde blijkt vooral duidelijk uit het lawaai dat ontstaat als hij of zij dreigt om te vallen.

Nachtmerrie

Ik begrijp de angst voor het tuchtcollege wel. Maar ik zou pas echt bang zijn voor een klacht als ik een ernstige fout zou hebben gemaakt, die zou hebben verdoezeld, waarna het toch nog aan het licht kwam. Ultieme nachtmerrie, waarin ik als blunderaar èn bedrieger zou afgaan. Ik heb wel eens een ernstige fout gemaakt. Mijn eerste reactie was: nou, zo erg was het toch niet? Mijn tweede reactie was: aan mijn collega’s vragen hoe zij er naar keken. Hun conclusie was: wel ernstig. 

Pas toen (!) heb ik het aan de familie verteld en gezegd dat het om een tuchtwaardige zaak ging. Ze zeiden dat ze over een klacht zouden nadenken. Mijn reactie was typerend. Wat? Nadenken over een klacht? Maar ik ben er toch eerlijk over? Is dat niet goed genoeg? Ben ik dan geen goede arts? Ik bedoelde het goed hoor! Vooral dat wijzen op je goede bedoelingen is komisch. Rechtspraak gaat niet over je bedoelingen (want dan zaten we allemaal vast), maar over je handelingen. De familie besloot mij niet aan te klagen.

Bizarre klacht

Toch heb ik één keer voor het tuchtcollege gestaan. De klacht was nogal bizar, het ging om een overlijden en moest daarom wel behandeld worden. Ik had er geen last van, niet omdat ik zo’n flinke vent ben maar omdat ik wist dat de klaagster het probleem was, niet mijn handelen.

Ik ben zelf een tijdje lid geweest van het centraal medisch tuchtcollege en heb de zittingen ervaren als respectvol naar klager en verdediger. Ik blijf vinden dat we als artsen trots moeten zijn op het feit dat we erkennen macht te hanteren en controle aan te durven. Maar die keer dat ik zelf bijna voor de bijl ging, is geen dierbare herinnering.

Lees ook:

Bert Keizer is schrijver, filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden