Angst voor criminaliteit is oogst van jaren zestig/Rechtsstaat

Dat burgers steeds minder vertrouwen hebben in de rechtsstaat (aldus het Trouw-onderzoek van 5 januari) hoeft niemand te verbazen, vindt Paul Cliteur. Te lang is criminaliteit afgedaan als een probleem dat niet bestond. In de jaren zestig wilden vooraanstaande wetenschappers het strafrecht zelfs afschaffen. Met die erfenis moeten we nu leven.

Het vertrouwen in justitie keldert, concludeert Trouw op 5 januari 1999. “Een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking vindt dat rechters en officieren van justitie te veel fouten maken waardoor verdachten vrijuit gaan, de politie te weinig bevoegdheden heeft en criminelen te mild worden bestraft. Ook moet de immigratie geremd worden om de misdaad tegen te gaan”.

Niemand kan verbaasd zijn over deze uitkomst. De afgelopen jaren zijn we geconfronteerd met stijgende criminaliteit en een onmachtige staat. Terecht hoort men over een 'recht op veiligheid' van de burger. Maar het blijft een wensdroom, een norm die de staat niet kan garanderen.

De staat verliest zienderogen terrein aan de al dan niet georganiseerde criminaliteit, bijgestaan door een goedbetaalde en hooggekwalificeerde elite van advocaten, terwijl de staat zelf alle kenmerken vertoont van een ongeorganiseerd en vertwijfeld apparaat. De functionarissen van de staat verschijnen voortdurend in compromitterende situaties. Rechters en hoofdcommissarissen - recentelijk ook weer de Amsterdamse hoofdcommissaris Erik Nordholt - klussen bij, omdat men 'maatschappelijke ervaring' moet opdoen.

De vraag is overigens wel wat de enquête nu precies meet. De vragen hebben betrekking op een bont mengsel van statistische feiten, gevoelens en opinies. De stelling dat leden van etnische minderheden vaker misdaden plegen dan Nederlanders, is van geheel andere aard dan de stelling dat rechters tegenwoordig te soepel zijn met straffen. De eerste stelling past meer in een quiz waarin de algemene ontwikkeling wordt getest, maar bij de tweede vraag wordt naar een mening van de geênqueteerden gevraagd.

Dat deze zaken niet worden onderscheiden, is overigens weer wel kenmerkend voor deze tijd. Niet de vraag 'bestaat God?' is van belang in de talloze enquêtes die we hierover de laatste jaren hebben gehad, maar de vraag 'Denkt u dat God bestaat?'.

De volgende dag reageerden de beroepsgroepen in Trouw. De resultaten waren grotendeeld voorspelbaar. Mr. L. R. van der Weij, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, meent dat er 'iets heel moois' zit in de enquête. “Het blijkt dat 43 procent van de Nederlanders bereid is meer belasting te betalen voor meer politie en justitie”, zegt hij.Deze reactie mag karakteristiek heten voor de koppigheid en het onvermogen tot zelfkritiek die de zittende magistratuur (dat zijn de rechters) een zekere reputatie hebben opgeleverd. Geen spoor van zelfkritiek. 'Meer van ons' is het parool.

Interessanter is de reactie van mevrouw Klopper-Gerretsen, voorzitter van het landelijk hoofdofficieren-beraad. Zij stelt dat meer dan 95 procent van de zaken die justitie begint, uitmondt in een veroordeling. Daarbij is zij nog wel zo eerlijk om toe te geven dat het overgrote deel van de zaken niet wordt vervolgd. “Er vinden naar schatting vijf miljoen delicten per jaar plaats, waarvan er een miljoen bij de politie bekend worden. Een kwart daarvan wordt door justitie aangepakt, zo'n honderdduizend zaken komen voor de rechter.” Een kleine rekensom leert dat de succesformule van 95 procent dus voor één op de vijftig delicten geldt. Niet echt om over naar huis te schrijven.

Mr. Wladimiroff, strafrechtsadvocaat en voorzitter van de adviescommissie strafrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten, is ook weer geneigd de verrichtingen van de eigen beroepsgroep door een rozige bril te bekijken. Ook hij presenteert de advocaten als 'bewaarders van de rechtsstaat' zonder te vermelden dat zij toch in eerste instantie geïnteresseerd zijn in een goedbetaald beroep en dus de rechtsstaat bewaren van hun eigen portemonnee. Daar is niets mis mee, maar laten we het niet anders voorstellen.

Bewaarders van de rechtsstaat zijn de burgers zelf. En de rechtsstaat staat ook niet onmiddellijk op losse schroeven wanneer we op procedurefouten van het openbaar ministerie niet de beloning stellen dat een cliënt van een advocaat vrijuit gaat. Het is heel begrijpelijk dat advocaten protesteren wanneer die vormfouten niet meer tot voordelen voor hun cliënten leiden. Maar dat moeten we met dezelfde argwaan benaderen als banketbakkers die vinden dat taartjes eten niet ongezond is of de sigarenhandelaar op de hoek die je verzekert dat 'niet bewezen is' dat roken de gezondheid schaadt.

De minister van binnenlandse zaken, Bram Peper, heeft al eerder verklaard dat hij zijn politieke lot wil verbinden aan de vraag of Nederland de komende jaren veiliger wordt. Dat is een moedige daad. De minister van justitie heeft zich nog niet geprofileerd met een heldere visie. In een van zijn eerste intervieuws in het Nederlands Juristenblad verklaarde hij vooral rust te willen hebben in het apparaat. Dat kan toch niet echt een grootse start voor het aanpakken van de problemen worden genoemd.

Verfrissend was wel de reactie van de criminologe Elly Rood-Pijpers op het onderzoek van Trouw. Zij legde reeds in 1991 vijftien van de dertig stellingen voor aan eenzelfde panel. De vergelijking tussen 1991 en 1998 wijst uit dat over de gehele linie een verharde opstelling van het publiek te constateren valt. “Uit dit onderzoek blijkt een duidelijke kentering ten opzichte van de jaren zeventig. Nederland is te 'soft', denken velen. De teugels moeten worden aangehaald”, merkt Rood-Pijpers op.

Wat hieraan opvalt, is dat een criminoloog de mening van het volk peilt, constateert dat burgers zich onveiliger voelen en dan niet concludeert dat dat komt omdat mensen het verkeerde ochtendblad lezen. Jarenlang was die reactie de enige bijdrage van criminologen aan het publieke debat. De Rotterdamse criminoloog Hulsman vond destijds dat het strafrecht maar beter kon worden afgeschaft. Zijn collega G. P. Hoefnagels meende dat het bij criminaliteit ging om een 'etiket' dat de boze samenleving een onbevangen wetsovertreder onterecht opplakte. Ook Herman Bianchi van de Vrije Universiteit maakte zich erg druk over de staat die gemarginaliseerde groepen het leven zuur maakte. Criminaliteit was niet 'criminaliteit', maar slechts 'deviant' (afwijkend) gedrag.

Op dit moment halen we de oogst binnen van deze standpunten uit de jaren zestig. Dat is bitter. Maar het tij is inmiddels gekeerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden