Angst heb ik voor de slaap

In het dertiende gesprek over poëzie en filosofie buigt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer zich over de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867). „Hoe kan hij dit prachtige sonnet schrijven als hij elk vertrouwen in het woord verloren heeft?”

Peter Henk Steenhuis

’Zolang wij een lichaam hebben en onze psyche met zoiets slechts besmeurd is, ben ik bang dat wij nooit behoorlijk zullen bereiken wat wij verlangen, en volgens ons was dat: de waarheid.” Dit zou Socrates zo’n 2500 jaar geleden gezegd hebben, vlak voordat hij de gifbeker leegdronk waartoe hij veroordeeld was omdat hij de jeugd zou hebben opgeruid. Een paar uur voor zijn dood sprak Socrates met zijn leerlingen over de onsterfelijkheid van de ziel. Dat beroemde gesprek is bewaard gebleven dankzij Plato.

Socrates probeert in zijn laatste uren zijn leerlingen ervan te overtuigen dat de dood geen ramp is. Juist filosofen dienen niet bang, maar opgelucht te zijn wanneer ze sterven. Ze verplaatsen zich alleen, en mogen „verwachten bij hun aankomst het doel te bereiken waarnaar ze hun hele leven zo hartstochtelijk hebben verlangd – dat wil zeggen: inzicht – en waar ze verlost zijn van de aanwezigheid van dat lichaam waaraan zij zo’n hekel hadden.” De leerlingen voeren tevergeefs tegenargumenten aan. Socrates blijft erbij: filosofen zijn de laatsten voor wie de dood iets verschrikkelijks is.

„Bij Plato”, zegt filosoof Theo de Boer, „is de levensleer gebaseerd op een wiskundige manier van denken. Socrates bagatelliseert de dood. Hij leeft gewoon door, raakt alleen wat vervelende ballast kwijt. Tegenover het eeuwig terugkerende stelt Socrates het eeuwig blijvende. Plato vond houvast in het schouwen van de eeuwig blijvende getallen en ideeën. Platoons is de gedachte dat geboorte een val in het lichaam is. Vroeger verkeerden wij bij de getallen en de zijnden. Dat gebied hebben we verlaten, wij zijn ervan vervreemd. Ons leven is erop gericht de band met de getallen en de zijnden te herstellen. Op die levenshouding beroept ook de dichter Charles Baudelaire zich aan het einde van zijn gedicht ’Le gouffre’. ’Ah! ne jamais sortir des Nombres et des Êtres!’”

’Ah! Nimmer los te zijn van Nummers en van Namen!’

„Nummers en namen, klinkt goed. Maar ’namen’ is als vertaling van ’êtres’ misleidend. In dit gedicht zoekt Baudelaire bescherming tegen een gapende leegte, en hij zoekt die in de zekerheden van de filosofie. Uit de laatste regel spreekt het verlangen nooit de ’getallen en de zijnden’ te hoeven verlaten.”

Bij getallen kan ik me iets voorstellen, maar bij ’de zijnden’?

„In Plato’s ideeënleer zijn de getallen de ideale getallen, en de geometrische figuren, bijvoorbeeld de driehoek, die je op aarde nooit vindt, hoe goed de instrumenten van de natuurkundigen ook worden. De ware zijnden zijn de ideeën van het Ware, Schone en het Goede. De getallen en zijnden vormen de onzichtbare, vaste grond achter de zichtbare wereld.”

Baudelaire sluit dus aan bij Plato?

„Ja en nee. Ja, omdat ’De afgrond’ een heimwee verwoordt naar platoonse inzichten: ach, waren we maar nooit losgekomen van de getallen en de zijnden. Nu we er wel van zijn losgekomen, is alles afgrondelijk geworden. Nee, omdat Baudelaire zich in de zeventiende-eeuwse filosoof en wiskundige Blaise Pascal herkent.”

Met Pascal begint het sonnet: ’Pascal avait son gouffre’.

„Deze verwijzing verdient enige uitleg. In het grote gedicht ’Lucifer’ van Joost van den Vondel is de wereld nog een bol met kringen om zich heen. Dat is de oude visie op de wereld. In de zeventiende eeuw ontdekt de wetenschap dat het heelal echt eindeloos is. Dat heeft een nieuw wereldbeeld tot gevolg.

Pascals denken rust op twee pijlers: l’esprit des géométrie, de wiskunde, wat zijn vak was, en l’esprit de finesse, waar levensvraagstukken ter sprake komen, bijvoorbeeld de angst voor de afgrond. In zijn ’Pensées’ schrijft Pascal over dit nieuwe wereldbeeld: ’De eeuwige stilte van die oneindige ruimten jaagt mij schrik aan.’

Het is deze ervaring van schrik, van horreur waarnaar Baudelaire in zijn sonnet verwijst: ’Pascal avait son gouffre’. Pascal had zijn ravijn. In dit gedicht komen alle elementen uit de uitspraak van Pascal terug: het eeuwige zwijgen, de oneindigheid en de angst.

Baudelaire herkent zich dus in Pascal. Dit onderscheidt hem van het platoonse gedachtengoed. Socrates kende deze angst niet, hij leefde in volkomen zekerheid. Hij neemt afscheid van zijn vrienden en zijn leerlingen alsof hij vertrekt van een theevisite.”

Van de dood van Socrates terug naar het ravijn van Pascal.

„Ja. In de eerste regel zegt Baudelaire over het ravijn dat het met hem voortbewoog: ’avec lui se mouvant’. Dat is heel raak geformuleerd.”

Je kunt de afgrond niet achter je laten?

„Niet alleen het heelal is afgrondelijk, de afgrond, helaas, begeleidt je overal. De afgrond zit ook in ons, in de droom, maar ook buiten ons in de realiteit, bijvoorbeeld in de politiek.”

Waarom politiek?

„De angst voor Hitler ging over in de angst voor een atoomoorlog, die op zijn beurt werd afgewisseld door de angst voor het terrorisme, en de angst dat Bush ons in een Derde Wereldoorlog zal storten. Wat is de angst van de toekomst? Dat een meteoor het leven op aarde verwoest? Ik las laatst dat we die dreiging kunnen afwenden door de kernwapens de ruimte in te sturen en het ding te vernietigen. De schepping verkeert am Rande des Nichts, zegt de theoloog Karl Barth.”

Volgens Baudelaire zit de afgrond ook in het handelen, het begeren en zelfs in het spreken.

„’Parole!’ staat er, met een uitroepteken. Woord!”

Dan zit de afgrondelijkheid dus ook in het spreken van de dichter zelf.

„Ja, en dat is een ernstige zaak. Zelfs in het woord is de afgrond voelbaar. Dat is iets waaronder Baudelaire zeer geleden moet hebben. Hij wordt gekweld, ’door duizelingen bezocht’. Dat falen van het woord treft ons zo omdat in Genesis 1 juist het Woord het vermogen heeft de chaos te bezweren. In de vertaling van de Naardense Bijbel:

Sinds het begin is God schepper, –

van de hemelen en de aarde.

De aarde

is woestheid en warboel geweest,

met duisternis op het aanschijn

van de oervloed, –

maar adem van God reeds

wervelend over het aanschijn van het water.

Dan zegt God: –

Dan volgt het scheppende spreken dat een scheiding maakt tussen licht en duisternis, tussen de wateren boven en onder het uitspansel, tussen de zee en het droge. Dat scheppen is niet een knippen met de vinger als een moeiteloos toverstukje. Het is een taaie en vindingrijke strijd tegen de plompe weerstand van het vormeloze. Zware arbeid dus, die de dichter Martinus Nijhoff met baren vergeleek.

Juist de platoonse traditie kent geen respect voor dat moeizaam zoeken naar de juiste woorden. Taal is daar immers een barrière, zij vertroebelt het zicht op waarheid en schoonheid. Echt kennen is een schouwen zonder taal.”

Scheppen is dus strijd tegen de plompe weerstand van het vormeloze. Maar heeft scheppen dan nog wel iets te maken met het begin?

„Met zoiets als de oerknal? Nee. In de Bijbel heeft het Woord niet alleen de oorspronkelijke chaos weten te bedwingen, maar bedwingt het ook de warboel die we dagelijks om ons heen zien. De dichter Willem Barnard vertaalt ’in den beginne’ daarom met ’in beginsel’. Het Johannesevangelie in de Naardense Bijbel vat het begin van Genesis zo samen: ’Sinds het begin is er het spreken*”’

Is dat geen grote sprong?

„Nee. De hedendaagse Joodse bijbeluitlegger Pinchas Lapide heeft eens gezegd dat het een misvatting is te denken dat we de chaos – het tohoewabohoe uit Genesis 1 – achter ons hebben gelaten. Wij maken de chaos elke nacht mee, in de droom waarin tijd en ruimte door elkaar gegooid worden. De Bijbel erkent het Niets, het is een macht waarmee we dagelijks geconfronteerd worden, in ons en rondom ons. Het beweegt met ons mee, zoals Baudelaire zegt.

Het is opvallend dat Pascal en Baudelaire een antenne hebben voor een schaduwkant waarvoor geen ruimte is in het denken dat wordt beheerst door ’de getallen en de zijnden’. Het platonisme weet geen raad met een Niets dat toch een Macht is en als het ware tussen zijn en niet-zijn in hangt. Bij Baudelaire wordt die ervaring niet weggeredeneerd.”

Hij zegt zelfs dat Gods wijze hand die nachtmerrie ontwerpt.

„Het Niets wordt in God opgenomen. Dat heeft Baudelaire van de theologen geleerd, die het een werk van Gods linkerhand noemen. Alles moet van God komen dus ook dat Niets. Een redenering die Baudelaire niet verder helpt en dat pleit voor hem.”

Als God de nachtmerrie stuurt en de woorden geen steun bieden, wat dan?

„Dat betekent letterlijk het einde. Dat zie je aan het slot van het gedicht. In de voorlaatste regel blijkt dat Baudelaire het niets zou verkiezen boven het zijn: ’Dan benijdt de geest het niets om zijn gevoelloosheid.’ Als het mogelijk was in het Niets te verdwijnen, was dat ook het einde van de horreur. Maar dat kan niet. Het Niets komt van God. Het einde is in de titel genoemd: de afgrond.

Vandaar de wanhoopskreet van de laatste regel?

„Ja. Geloofden we nog maar in die wereld van getallen en zijnden. Laten we een moment terugkeren naar Plato’s schets van het afscheid van Socrates. Socrates kent voor hij de drinkbeker leegdrinkt de gevoelloosheid waarop Baudelaire vergeefs hoopt. Hij ontleent die niet aan het Niets maar aan de blik op de ware Zijnden die hem opwachten na de dood. Maar voor de leerlingen zit er iets onmenselijks in Socrates’ onbewogenheid. Als hij de beker opneemt staat er, in de vertaling van Gerard Koolschijn:

’De meesten van ons hadden tot op dat moment hun tranen tamelijk goed kunnen inhouden, maar toen we zagen dat hij dronk, en gedronken had, niet meer. Ook bij mij begonnen onwillekeurig de tranen te stromen, zodat ik mijn mantel over m’n hoofd trok en huilde, om mijzelf, niet om hem natuurlijk, maar om wat mij overkwam, dat ik zo’n vriend moest verliezen.’

Het knappe van Plato is dat hij die tweespalt prachtig laat zien: aan de ene kant de leerlingen met hun angst voor de dood, aan de andere kant de ongenaakbare Socrates, die de dood volkomen ontkent. Een voorbeeld voor Baudelaire.

Je ziet hier Plato als literaire genius boven zichzelf als filosoof uitstijgen, want we kunnen de leerlingen die hun verdriet uiten toch niet wijsmaken dat ze zich intellectueel vergissen? Iets dergelijks is ook bij Baudelaire het geval, want hoe kan hij dit prachtige sonnet schrijven als hij elk vertrouwen in het woord verloren heeft?”

„Iemand als Friedrich Nietzsche zou dit gedicht van Baudelaire trouwens verschrikkelijk vinden. Hunkeren naar het niets, dat is echt nihilisme. Pascal noemde hij ’de bange Pascal’. Zo aanvaard je het leven niet, zo ontken je het leven. De houding van Socrates vond hij ook zeer verwerpelijk: door gericht te zijn op een leven na dit leven, ontken je misschien de dood, maar je ontkent ook het leven.

Nietzsche vindt dan ook dat Plato de eerste was die het leven begon te verzieken. Het christendom heeft deze levensontkennende houding overgenomen. Niet voor niets schildert Nietzsche het christendom af als platonisme voor het volk.

Onze culturele erfenis – en ik volg hier de Tsjechische filosoof Jan Patocka – is niet op de ene noemer van het christendom te brengen en ook niet op die van het humanisme of het heidendom. Patocka schetst drie machten die strijd voeren om het wezen van de Europese ziel. Haar identiteit is deze verscheurdheid. Dit sonnet van Baudelaire is daar een toonbeeld van.”

iEerdere afleveringen van deze reeks zijn terug te lezen op www.trouw.nl/denkendichten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden