Opinie

Anglofiel

Er woont de laatste jaren in mij een anglofiel. Misschien heeft-ie er altijd al wel gehokt, maar dan wist ik het niet. Er zijn meer anglofielen dan gallofielen en americanofielen, laat staan germanofielen.

Misschien dat anglofilie alleen valt te vergelijken met filosemitisme: vriend der joden. Er zit misschien wel iets ziekelijks aan; zoals veel filosemieten het liefst zelf jood zouden willen zijn, zo willen anglofielen Brits zijn. Als het over onze joods-griekse beschavingswortels gaat is wel beweerd dat de Fransen de Griekse geest hebben voortgezet, en de Engelsen de Hebreeuwse. Wat dat precies inhoudt weet ik niet: misschien zijn de Fransen eerder helder en filosofisch, de Engelsen wat zwaarder en traditioneel georiënteerd. Als dat zo is snap ik de overeenkomst tussen filosemitisme en anglofilie in elk geval beter: misschien hoort vereenzelviging wel meer bij een traditiecultuur dan bij een kritische en verlichte cultuur. Mijn anglofilie is, zo krijg ik de indruk, allengs gerijpt.

Als kind las ik graag Engelse jeugdboeken, bijvoorbeeld De Vijf van Enid Blyton, en later de romans over de RAF-vliegenier Biggles, in wiens heldendom dat merkwaardige Britse flegma scheen te zijn neergedaald. Het zaad was gezaaid. Maar gek genoeg kreeg het een enorme groeistuip door mijn liefde voor Amerika. Toen ik in de jaren tachtig een tijdje in Amerika woonde, merkte ik dat ik daar vooral de onderliggende Engelse erfenis begon te waarderen. Niet die quasi-antieke zuilen en koepels waarmee de Amerikanen wilden laten zien dat ze ook meetelden, maar de zware Victoriaanse en Edwardiaanse gebouwen. Van Engelse auto’s, waar in mijn jeugd weinig goeds over werd gezegd, ze zouden motorisch slecht zijn, heb ik altijd al gehouden, vanwege hun typisch Engelse gezichten en rondingen. Dat ik op latere leeftijd een Wolseley en een Rover ging kopen lag eigenlijk al in mijn bloedbanen besloten. Inmiddels voel ik mij ook vertrouwd bij de rest van het oude Engelse leven, want begrijp me goed, deze anglofiel houdt niet van het Engelse leven tout court, niet van Benny Hill en de Daily Mirror, maar van de Engelse tradities, of ze nu werkelijk oud zijn of in de negentiende eeuw uit de duim gezogen. Afgelopen zomer werd op tv de serie ’James Herriot, All Creatures Great and Small’, over de bekende plattelands-veearts in Yorkshire herhaald. Ik genoot, bleef ervoor thuis.

Eerst dacht ik dat het kwam omdat Siegfried Farnon net als ik in een Rover P4 rijdt, en zijn compaan James Herriot in een oude Wolseley (een Wolseley 8, geloof ik, het lukte me niet het ding precies te determineren) maar gaandeweg begreep ik dat mijn liefde minder oppervlakkig was. Het heeft iets te maken met een insulaire levensstijl. Zo’n eiland is eigenlijk genoeg, wat zich daar buiten allemaal afspeelt lijkt tamelijk overbodig. Dat is natuurlijk een bijzonder bekrompen visie, die ik dan ook haastig ver van me werp. Maar ongeoorloofde gedachten en passies zoeken ondanks alles een uitweg, en daarvoor dient de anglofilie. Een partijdigheid die niemand je kwalijk neemt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden