ANDREAS KINNEGING

Trouw zal het debat over de moraal bundelen in een boekje dat in augustus uitkomt. In juli verschijnt in de krant een Trouw Scala aanbieding.

MARCEL TEN HOOVEN

De ideeën van dr. A. A. M. Kinneging, politiek filosoof aan de Leidse universiteit en lid van de commissie die de beginselen van de VVD opnieuw tegen het licht houdt, winnen nochtans veld in de partij. Hij weet onder anderen partijleider Bolkestein aan zijn zijde. De partijraad van de VVD vergadert vandaag over het belang van de individuele deugdzaamheid voor de maatschappelijke orde, een bijeenkomst die in de tijd dat de VVD nog campagne voerde met de leuze Gewoon jezelf zijn ondenkbaar was.

Het verhaal van Kinneging, in uitgewerkte vorm te lezen in zijn proefschrift Aristocracy, antiquity and history, laat zich samenvatten als een pleidooi voor een eerherstel van de klassieke, morele opvoeding. Zijn uitgangspunt is dat de mens van nature een barbaar is en dat ook blijft, tenzij zijn opvoeders hem vormen in de goede zorg voor zichzelf, voor de anderen en voor de wereld. Elke generatie zal zich opnieuw met deze beschavingsarbeid moeten belasten, op straffe van een terugval in primitiviteit.

Het fundament van die opvoeding bestaat uit de individuele deugden die de traditie ons heeft meegegeven, samen te vatten onder de noties van zelfbeheersing en zelfoverstijging. Zelfbeheersing vereist spaarzaamheid, netheid en bescheidenheid, zelfoverstijging vergt moed, ijver, inventiviteit en doorzettingsvermogen.

Deze richtinggevende opvoeding is volgens Kinneging van doorslaggevend belang voor de offervaardigheid van mensen en hun bereidheid rekening te houden met anderen. Hij betoogt dat deze sociale deugdzaamheid slechts gedijt op het draagvlak van de individuele deugdzaamheid. Dit inzicht dreigt verloren te gaan, sinds de 'romantische' levensvisie van de jaren zestig de morele opvoeding met een taboe heeft belast. Dat maakt Kinneging bevreesd voor de toekomst, als de generaties die sindsdien zijn gevormd de machtsposities in staat en samenleving veroveren.

Tal van critici gewagen in hun reactie van verborgen motieven bij Kinneging. Sommigen, vooral in christen-democratische kring, vermoeden dat hij met zijn pleidooi voor zelfbeheersing en zelfoverstijging vooral de maatschappelijke rust en de bevordering van de vrije-markteconomie op het oog heeft. Anderen, met name de critici uit sociaal-democratische hoek, zien in zijn verhaal in de eerste plaats een burgerlijk offensief tegen de jaren zestig. In eigen kring luidt de teneur van de kritiek dat hij a-liberaal handelt door het menselijk vermogen tot een autonoom zedelijk oordeel ter discussie te stellen.

Kinneging neemt de gelegenheid te baat een aantal misverstanden uit de weg te ruimen en zijn verhaal te verhelderen. “In de eerste plaats valt mij op dat mijn betoog is ondergebracht in een debat over normen en waarden, over geboden en verboden. Ik spreek daarentegen doelbewust van deugden. Ik heb het oog op de vier kardinale deugden. Wijsheid en verstandigheid, rechtvaardigheid, gematigheid en moed. Dat zijn geen geboden of verboden, dat zijn praktische beginselen die je hanteert in je handelen. Wees in je gedrag verstandig, rechtvaardig, gematigd en moedig. Deugden geven niet aan welk levenspad je moet volgen, als wel hoe je dat het best bewandelt.”

“Ik erger me enorm aan de verschraling van het morele denken, zoals in het vraagstuk van abortus. Dat wordt teruggebracht tot een kwestie van wel of niet mogen. Dat is de kern niet. Abortus is in haar essentie het gevolg van onverstandig handelen. Als opvoeder moet je je dochter voorhouden verstandig te zijn in het geslachtsverkeer, anders kan zij haar leven verruïneren. Wie zo'n opvatting afdoet met het cliché van het opgeheven vingertje reageert gemakzuchtig.”

De kardinale deugden, terug te voeren op het werk van Plato en Cicero, zijn volgens Kinneging eveneens te traceren in de nieuwe catechismus van de katholieke kerk en de protestantse filosofie: “Het werk van Calvijn barst van de deugden. Waarom zijn ze voor ons nog van zoveel betekenis? Omdat met het verglijden van het deugdenbesef ook onze ge- en verboden hun vanzelfsprekendheid hebben verloren. Regels hebben alleen zin als zij hun basis vinden in de innerlijke overtuiging van mensen. Die ontbreekt in onze tijd. In de goede samenleving onderscheidden de Grieken de wetten van de paideia, waaronder zij een goede opvoeding, de moraal en de cultuur verstonden. Zonder paideia is er geen basis voor de wetten. Het enige alternatief voor de anarchie, de Italiaanse toestand die dan dreigt, is de politiestaat.”

“Mijn drijfveer heeft al met al niets van doen met een romantische nostalgie naar vroeger, naar de wederopbouw of de jaren vijftig. Het katholieke en protestantse geloof heeft in die tijd geen enkele relatie meer met innerlijke overtuiging. Integendeel, het is puur uiterlijkheid. Ik kan me de romantische reactie in de jaren zestig dan ook voorstellen. De culturele revolutie van die jaren is een schreeuw om innerlijkheid.”

“In dat opzicht is zij vergelijkbaar met de Reformatie. De r.k.-kerk heeft in de 15 de, 16 de eeuw elke notie van berouw en zondigheid bij de gelovigen weggenomen, door hun de gelegenheid te bieden met een aflaat weer met God in het reine te komen. Dat is een geloof van de buitenkant. De Reformatie doet weer een beroep op het innerlijk geweten van mensen. Dat innerlijk geweten is de stem van God, de vox Dei. De vraag is of mensen, als zij zich van de kerk afwenden en zich volledig op hun innerlijke geweten verlaten, dan de stem van het goede horen. Nee, dat is niet zo. Luther en Calvijn realiseren zich dat mensen opgevoed moeten worden om een goed geweten te ontwikkelen. Alleen dan kunnen ze de vox Dei in zich horen. De romantiek aan het einde van de achttiende, begin negentiende eeuw keert zich tegen deze zienswijze. Mensen kunnen volledig afgaan op de innerlijke stem van zichzelf, de vox sui. De romantiek is non-conformistisch. Mensen hoeven zich niet te conformeren aan hun omgeving om het goede van het kwade te onderscheiden, ze kunnen dat zelf op grond van introspectie en hun autonome oordeel.”

Kinneging neemt met het oog op de vele parallellen die hij waarneemt tussen de romantiek en de jaren zestig, zoals het non-conformisme, doelbewust het woord romantisch in de mond als hij de culturele revolutie van dertig jaar geleden laakt.

De romantiek is een reactie op het naturalistische, bewust systematische denken dat met het rationalisme van de Verlichting is opgekomen. Dat systematische is zelfs vervat in de titel Système de la nature, het hoofdwerk van de atheïstische Franse wijsgeer Paul Henri Holbach, een van de filosofen van de Verlichting. Met hun overtuiging dat de mens wordt gevormd door de natuurwetten die op zijn omgeving van invloed zijn, relativeren de rationalisten de vrije menselijke wil.

De romantische levensfilosofie over de hoogheid van de mens staat haaks op dit denkbeeld. Deze filosofie beschouwt elk individu als een authentieke persoon die aan de hand van introspectie tot zichzelf kan doordringen, desnoods met behulp van hallucinerende stoffen. Het is geen wonder dat romantische dichters als Willem Bilderdijk en Arthur Rimbaud hun werk bij voorkeur onder invloed van geestverruimende middelen deden. Ze waren zwaar aan de opium.

In de revolutie van de jaren zestig ziet Kinneging niet alleen de vlucht in drugs en de belangstelling voor het occulte oosten terug, maar ook het idee van de unieke mens die zijn eigen weg moet zoeken, daarom van anderen niets kan leren over goed en kwaad en zich om die reden van oordelen over anderen heeft te onthouden.

“Het besef van vervreemding is wezenlijk voor beide vormen van romantiek, zowel die van de negentiende eeuw als die van de jaren zestig. De mens is na de trek van het platteland naar de stad van de natuur vervreemd, hij is van anderen vervreemd en hij is van zichzelf vervreemd. Hij bekijkt zichzelf in de ogen van anderen, doet iets als de anderen het goed vinden en laat iets na als de anderen het niet goed vinden. Het summum van dat conformisme is de homo die onder dwang van de sociale controle à contrecoeur trouwt, kinderen krijgt en zijn leven lang ongelukkig is. De romantiek is kritiek op decorum, op de aanpassing van het individu aan de mening van anderen.”

Het grote verschil is dat waar de romantiek van de 19 de eeuw een elitair karakter heeft, zij in de jaren zestig een massaverschijnsel is geworden. “We zijn allemaal kinderen van ons verleden. Ik zal dus niet zeggen dat de romantiek van de jaren zestig in haar geheel onzinnig is. Dat is ook niet de inzet van de opstellen die ik schrijf. De inzet is dat we moeten proberen door te dringen tot het wezen van de jaren zestig. Ik vind alles wat ik er nu over lees, nogal oppervlakkig.”

“Maar ik heb meer drijfveren voor mijn publicaties. Ik constateer dat wie erin slaagt zich aan de romantiek te onttrekken, de zin van het leven vervolgens ziet in de opdracht zoveel mogelijk geld te verdienen. De moraal van de mensen die zijn opgegroeid in de jaren zestig en zeventig laat zich terugvoeren tot twee metaforen. De ene metafoor is de romantische kunstenaar voor wie alleen het authentieke goed is, de andere de koopman in wiens ogen alles nut dient te hebben. Dat is de trieste aanblik van de jeugd.”

“Het hele maatschappelijk leven laat zich vangen in die twee metaforen. De koopman beziet alles, van de universiteit tot het huwelijk, in termen van een uitruil van voorkeuren. Hij heeft daarbij het oog op een zo groot mogelijk nut voor een ieder persoonlijk. De tegencultuur, te vinden bij cultuurcritici, journalisten, kunstenaars, kortom het denkende deel van de natie staat sterk in de traditie van de romantische kunstenaar. De betere film en het betere boek zijn vaak een romantische film of romantisch boek, met een hoofdrol van twee unieke mensen voor wie op de hele wereld maar één geschikte partner bestaat.”

“Mijn probleem is dat er nóg twee vocabulaires zijn om over de zin van het leven na te denken. De ene is de christelijke, de andere de klassiek-humanistische van Plato, Aristoteles en Cicero. Die vocabulaires beheersen we niet meer. Ze zijn uit onze cultuur weggesleten, op school worden ze niet meer onderwezen. Maar we kunnen niet zonder het klassiek-humanistische erfgoed of de christelijke traditie. Zonder deze pijlers van de westerse cultuur verschraalt onze ethiek tot armoede. Het goede leven kan niet zonder.”

“Neem het huwelijk. In de ogen van de koopman is dat een relatie gebaseerd op een uitruil van voorkeuren, in de ogen van de kunstenaar een samensmelting van twee unieke zielen die door passie worden gedreven. Beide invalshoeken hebben een rampzalige uitkomst. Voorkeuren veranderen, passie verdwijnt. Het resultaat is de scheidingsgolf die we thans waarnemen. In de klassieke opvatting houdt het huwelijk een relatie in die integreert en socialiseert, natuurlijke solidariteit biedt, het leven zin geeft. Het huwelijk is in deze visie in het belang van zowel de kinderen als de ouders. De Griekse schrijver Plutarchus schreef al in zijn Vitae dat de capaciteiten van een veldheer of staatsman afhangen van de vraag of hij zijn eigen huishouden op orde heeft.”

“Niets is zo leerzaam als opvoeden. Voortdurend loop je tegen jezelf op als je je kinderen het goede voorbeeld geeft. Deugdzaamheid is een goede gewoonte. Van nature is niemand wijs, rechtvaardig, gematigd en moedig. Je leert die individuele deugden met vallen en opstaan. Ze worden alleen een tweede natuur door stugge oefening. De hulp van anderen is onontbeerlijk.”

Kinneging haast zich het misverstand weg te nemen dat hij de geest van de klassiek-humanistische traditie en het christelijke erfgoed als alternatief ziet voor de romantiek en het nuttigheidsdenken. Alle vier de levensvisies zijn essentieel voor de vorming van de mens, meent hij: “De noties van de Grieks-Romeinse overlevering zijn buitengewoon elitair en daarom eenzijdig. De verheffing van de gewone man is de grote winst van de moderniteit. De wereld van nu is gemaakt voor de gewone man. Ik moet niet er niet aan denken dat we in dat opzicht teruggaan in de tijd. Het christendom mag dan de onverschilligheid hebben getemperd die de klassiek-humanisten tegenover het lot van de gewone mensen tentoonspreidden, het leerde die mensen zich wel te berusten in hun lot in het aardse tranendal. De mensen hadden destijds altijd pijn.”

“De gewone man heeft ook een groot belang bij een goede werking van de markt. Zijn welzijn hangt ervan af. De rijken en bevoorrechten redden zichzelf wel. We hebben de markt heel hard nodig, op voorwaarde dat we duidelijke grenzen stellen. Het mag niet zo zijn dat alles aan de wetten van de markt wordt overgeleverd, zoals de libertaire jongens willen. Zij verheffen het nuttigheidsdenken tot absolute norm, ook voor de cultuurdragers van onze samenleving zoals de alpha-wetenschappen aan de universiteit, het Concertgebouw, de kunsten, de media, het gezin. In iedere samenleving zijn de cultuurdragers in de minderheid. Het marktdenken doet geen recht aan dat eigene en evenmin aan het levensbeschouwelijke karakter van dit soort instituties. De markt brengt hun degeneratie teweeg. Wie zegt dat alles markt is, eet de cultuur op. Tekenend voor de heersende crisis is dat hele idee van de ondernemende universiteit. Daarmee helpen we de humaniora naar de knoppen.”

Wat doet Kinneging met deze ideeën nog bij de VVD? In geen andere partij dan de VVD zijn de 'libertaire jongens' op wie hij zijn pijlen richt in zo groten getale vertegenwoordigd. De liberalen hebben zich beijverd de wetten van de markt ook op het culturele domein van toepassing te verklaren, hetgeen hun inzet voor de commerciële omroep en de ondernemende universiteit verklaart. Kinnegings pessimistische visie op de mens als een barbaar staat eerder in de protestantse, antirevolutionaire traditie dan in de liberale, althans de liberale traditie zoals zij is gevormd sinds John Stuart Mill met zijn boek On liberty (1860) de liberalen voor zijn romantische mensbeeld won.

Kinneging zegt evenwel een kentering in de VVD waar te nemen, in het voordeel van zijn opvattingen. “We zitten in een periode van fundamentele bezinning.” Hij erkent desgevraagd overigens ook zelf van inzicht te zijn veranderd. In Liberalisme, een speurtocht naar de filosofische grondslagen, een uitgave uit 1988, stelde hij de mens nog voor als een wezen wiens persoonlijkheid zich gedurende zijn leven niet of nauwelijks ontwikkelt. Het zou illusiepolitiek zijn tegen deze menselijke aard in te gaan. Thans staat aan de basis van zijn denken juist het idee dat de mens zijn persoonlijkheid kan vormen dank zij de toeëigening van de kardinale deugden.

Kinneging: “Het is evident dat de libertairen een tijd lang de overhand hadden in de VVD. Dat was een begrijpelijke reactie op de teneur van die tijd om winst vies te vinden. Maar volgens mij zijn de libertairen nu op de terugweg in de partij. In de hele geschiedenis van de VVD zijn periodes aan te wijzen waarin de ene of de andere vleugel de overhand had. Op zich is dat niet slecht. Het houdt de geesten scherp.”

Niettemin meent Kinneging dat inspiratie van buiten de VVD welkom is. In het licht van zijn betoog over het noodzakelijke herstel van de individuele deugdzaamheid zal het niet verrassen dat hij in het CDA een bondgenoot ziet: “Ik geef toe, we kunnen van het CDA nog wel wat leren. Met hun driedeling van de maatschappij in markt, staat, middenveld zijn ze verder in hun denken gevorderd dan wij. Ik zou er overigens nog een vierde leefsfeer aan toe willen voegen, die van het gezin en de familie. In de VVD hebben we dat thema laten liggen. Als de katholieken en protestanten terugkomen van hun negatieve opvatting over de markt, vind ik het, eerlijk gezegd, voor de hand liggen dat CDA en VVD op den duur samen gaan.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden