André Rieu: Ik speel voor de vrouw van de kruidenier

Geen kwaad woord over Chailly's versie van Sjostakovitsj' 'Second Waltz'. “Maar ik breng er wat meer gezelligheid in”, zegt André Rieu. Die aanpak slaat aan, want de violist staat wekenlang hoog in de hitparade. In een uitverkocht Ahoy maakt hij komende woensdag weer een vrolijke show van een klassiek concert.

“Het is hier een gekkenhuis”, roept Rieu als hij het kantoor van zijn platenmaatschappij binnenkomt. Hij ploft op de bank, zet zijn autotelefoon binnen handbereik. De geluidsapparatuur moet uit, want herrie is er al genoeg. Ongedurig slaat hij met een vlakke hand tegen de muur.

De razend populaire 'Stehgeiger' oogt onberispelijk in zijn donkergrijze pak en gebloemde gilet, maar hij maakt een wat vermoeide indruk. Geen wonder, zijn agenda staat vol met interviews, repetities en optredens, met als hoogtepunt zijn concertserie in Ahoy.

“Ik trek al zeven jaar volle zalen, maar deze gekte heb ik nog nooit meegemaakt”, zucht Rieu (45). “Niet dat het als een verrassing voor me komt; ik zeurde al jaren dat ik ook eens op de tv wilde met mijn orkest. Maar de platenmaatschappij dacht: wat moeten we met die violist uit Maastricht?”

Achteraf kunnen ze zich wel voor hun kop slaan bij Polygram: hoe hebben ze dit goudmijntje zo lang kunnen negeren. Van de cd 'Strauss en Co' zijn de afgelopen maanden maar liefst driehonderdduizend exemplaren verkocht.

En ook de video-opname van het concert bij de TROS is volgens een woordvoerder een 'verrassend' groot succes: de verkoop loopt in de duizenden.

“De platenmaatschappij geeft toe dat zij een groot deel van het publiek heeft verwaarloosd. Alle kanalen waren gericht op de kids. Maar ik trek vooral dertigers en veertigers”, weet Rieu, die bij voorkeur kiest voor overbekende melodieën, van Verdi's 'Rigoletto' tot 'An der schönen blauen Donau' van Johann Strauss.

Bij zijn publiek stelt hij zich de vrouw van de kruidenier voor, waar hij vroeger altijd kwam. “Een hardwerkend, aardig mens, dat het heerlijk vindt om weg te dromen bij mijn muziek. Ik geloof niet dat ik komende woensdag ruim zevenduizend intellectuelen aantref. Wie van mijn muziek houdt, moet zijn gevoel laten spreken.”

De violist ziet zichzelf als trait d'union tussen klassieke muziek en het grote publiek. Daar zit zendingsdrang achter, geeft hij na enig aarzelen toe.

“Nu moet je niet meteen aan een soort Jezus denken. Maar ik vind het leuk als een bezoeker me toevertrouwt dat hij nog nooit een viool van dichtbij heeft gezien of een briefschrijver me bedankt omdat ik de walsen eindelijk weer eens laat horen. Ik probeer de schotten tussen klassiek en populair te verwijderen. Vroeger wou ik pater worden; misschien is dat een verklaring voor mijn drive.”

Hij moest het niet in zijn hoofd halen om geestelijke te worden. Als zoon van een dirigent, André Rieu, die dertig jaar het Limburgs Symphonie Orkest leidde, was hij voorbestemd voor een leven in de muziek. En hij niet alleen; van zijn zes broers en zussen werd er één cellist, één harpiste en één belandde als docent harmonie en directie op een conservatorium.

“Mijn eerste herinnering aan muziek was een concert van mijn vader in de oude schouwburg in Maastricht. Ik moet een jaar of drie zijn geweest. De muziek kan ik me niet meer herinneren, maar het beeld van de strijkstokken die precies gelijk op en neer gingen wel. Ik vond dat prachtig. Misschien heeft dat ponsplaatje in mijn hersenen me wel het idee gegeven dat een concert ook een mooi gezicht moet zijn.”

Thuis draaide alles om muziek. Speelde zijn moeder niet piano, dan zat zijn vader wel partituren te studeren. “Als wij ons aankleedden, stond er steevast een plaat op. Klassiek natuurlijk, iets anders bestond niet bij ons. Wij verdeelden de mensheid in twee categorieën: de musici en de rest.”

Op zijn vijfde kreeg André Rieu een viool. Hij droomde er toen al van om voor een groot publiek te spelen. Net als zijn vader, ja. “Ik bewonderde hem enorm. Pas later dacht ik: ik wil het anders. Ik voerde daar lange discussies met hem over.”

Bijvoorbeeld over opera, de grote passie van Rieu senior, die in Leipzig eind jaren zeventig onder andere Debussy's 'Pelleas et Mélisande' dirigeerde. Zijn zoon vond dat maar niets:

- “Sta je daar in die bak, ziet geen hond je. Verschrikkelijk.”

- “Moet het alleen maar om jou draaien?”

- “Ja, dat is wel de bedoeling.”

Ze kwamen niet nader tot elkaar, vader en zoon. Maar nu denkt André Rieu wel eens: “Als ik oud en grijs ben, ga ik misschien ook wel in die bak staan. Net als hij, helemaal ten dienste van de muziek.”

Na zijn klassieke opleiding bij het Koninklijk Conservatorium in Brussel speelde Rieu jr. onder meer bij het gezelschap van zijn vader, die twee jaar geleden overleed.

Dat was geen pretje: “Ik kwam uitgerekend in het laatste jaar dat mijn vader er werkte. Iedereen zag die man liever gaan dan komen. Daar zat ik dan tussen. Bovendien had ik zelf ook kritiek; niet als zoon, maar als artiest. Ik dacht: dat dirigeren kan ik beter. En ik zou dat stuk ook heel anders benaderen.”

De carnavalsconcerten die zijn vader organiseerde (de nog steeds bestaande, drukbezochte vastelaovesconcerten van het Limburgs Symphonie Orkest), kon hij wèl waarderen. “Het begon met een flauwekulletje, maar het groeide uit tot een enorme happening, met de 'Radetzky-mars' als uitsmijter. Ik zag al die rijen in de zaal arm in arm heen en weer gaan, heel indrukwekkend.”

Het zal geen toeval zijn dat zoonlief nu precies hetzelfde doet. Op de onlangs uitgebrachte live-cd 'Hieringe Biete', een dag na carnaval opgenomen in Maastricht, is te horen hoe jolig het eraan toegaat: bij het Duitse soldatenlied 'Alte Kameraden' klinkt luid la-la-la. 'Zie ginds komt de stoomboot' brult iedereen ongegeneerd mee.

“Ik sta hier helemaal achter, want ik weet dat ik dit eerlijk doe. Iemand zei in de Nieuwe Revu dat hij mijn concerten plat vond, maar ik zou niet weten wat hij bedoelt. Misschien mijn kletspraatjes tussendoor. Ik word ook al de André Hazes van de klassieke muziek genoemd. Ach, het kan me niet zoveel schelen, zolang het publiek maar de avond van zijn leven heeft.”

Het kan hem wel degelijk schelen, anders zou Rieu niet zo gepikeerd reageren op de vraag of hij zich bewust is van zijn macht over het publiek.

“Dat heeft Toon Hermans, mijn grote voorbeeld, ook, maar wat is daar op tegen? Hij kan zijn toeschouwers laten sterven van het lachen. Maar daar betalen ze ook precies een entreekaartje voor.”

“Of er bij mij een grens is? Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Maar die is er wel, ja. Tijdens het laatste carnavalsconcert hadden we een hele leuke Tiroler act. Iemand was als Heidi verkleed en zij danste de rock en roll. Daar stond een ander in een Beiers kostuum doorheen te trompetteren. Het publiek ging uit zijn dak. Maar toen we dat stuk repeteerden voor een ander optreden, hielden we halverwege op. Het paste niet, dat voelden we allemaal.”

Het gesprek gaat allang over een ander onderwerp, als André Rieu zichzelf onderbreekt.

“Jij vindt mij een enge man, hè. Jawel, ik zie het aan je ogen. Geloof mij: ik heb wel macht over mensen, maar ik ben niet gevaarlijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden