Andere thema’s dan ’goed en fout’

De herdenking van 4 en 5 mei heeft dit jaar nauwelijks aandacht gekregen. Anders dan voorheen is er in de pers weinig over geschreven. De tentoonstelling in het Rijksmuseum waar kiekjes van Duitse soldaten uit de bezettingstijd te zien zijn, kan niet bepaald als een opwindend evenement worden beschouwd. De discussie volgende week over de gevolgen van de geallieerde luchtaanvallen op Nederland, brengt geen nieuws. Al in 1984 bracht A. Korthals Altes in zijn boek ’Luchtgevaar’ deze acties en hun gevolgen uitputtend in kaart.

De verwachting dat Hans Blom bij zijn afscheid als directeur van het NIOD een nieuw geluid zou laten horen, werd al evenmin bewaarheid. Vijfentwintig jaar geleden stelde hij de gemakzuchtige tegenstelling tussen ’goed’ en ’fout’ ter discussie, maar in plaats van dit tot op de draad versleten begrippenpaar te laten rusten, kwam hij er in zijn recente afscheidscollege toch weer op terug – tot in de titel van zijn voordracht: ’Nog altijd in de ban van goed en fout?’

Blom kon ook winst melden. Terecht prees hij de studie van Peter Romijn, ’Burgemeesters in oorlogstijd’, waarin de worsteling met dilemma’s centraal staat. Indrukwekkend waren Bloms verhalen over concrete situaties waarin mensen knel raakten tussen loyaliteiten en soms verplicht werden te oordelen over leven en dood van anderen.

Toch blijft volgens mij het bezwaar bestaan dat ook hier weer overwegend in termen van goed en fout wordt geredeneerd, niet omdat de morele aspecten van de bezettingstijd geen legitiem onderwerp vormen – het tegendeel is waar – maar omdat andere, eveneens interessante themata, nog altijd sterk onderbelicht blijven.

Laat ik een onderwerp nemen waarover wel vrij veel materiaal bestaat maar dat zelden openlijk wordt besproken: de bijdrage van de bezetter aan wat je zou kunnen noemen de bureaucratische modernisering van Nederland.

Een goed voorbeeld was de ontdekking van de criminoloog Cyrille Fijnaut dat de SS-chef in Nederland, de oorlogsmisdadiger H. Rauter, als de belangrijkste hervormer van het Nederlandse politiebestel moet worden beschouwd. In zijn recente boek ’De geschiedenis van de Nederlandse politie’ laat hij zien hoe Nederlandse ministers, Kamerleden en studiecommissies bijna een eeuw lang worstelden met de vraag hoe de politie meer doeltreffend moest worden georganiseerd, terwijl Rauter in korte tijd de knoop doorhakte. Blijkbaar op een bevredigende manier, want zijn reorganisatie bleef na 1945 gehandhaafd.

Het is een wat buitenissig onderwerp maar geenszins een uitzondering. In de sociale wetgeving werd heel wat meer overhoop gehaald, onder de indruk als men was van de massale roep om meer sociale zekerheid die uit de economische crisis van de jaren dertig voortkwam.

Het lag daarom voor de hand dat de Londense regering aan de slag ging en in 1943 de commissie-Van Rhijn aan het werk zette om een beter stelsel van sociale zekerheid te ontwerpen. Tegelijk echter was in het bezette Nederland een commissie-Van Bruggen met dezelfde materie bezig, uiteraard onder Duitse invloed.

Na 1945 kon de Nederlandse regering dus kiezen uit twee mogelijkheden: de voorstellen van de commissie-Van Rhijn overnemen of de Duits-geïnspireerde en reeds ingevoerde hervormingen van het sociale zekerheidsstelsel stilzwijgend te laten voortbestaan. Men besloot tot het laatste. De werkloosheidvoorzieningen, het Rijksarbeidsbureau, de ontslagbescherming, de Kinderbijslagwet en het Ziekenfondsbesluit – kortom: ’bijna alle gedurende de bezettingstijd ingevoerde maatregelen werden gehandhaafd’. Het citaat is ontleend aan een geschiedenis van het beleid van het ministerie van sociale zaken, ’Tussen sociale wil en werkelijkheid’, die in 1995 verscheen.

Maar ook de omvangrijke sociale wetgeving is slechts een deel van de totale hoeveelheid maatregelen en besluiten die tijdens de bezetting tot stand kwamen en nadien als winstposten door de Nederlandse regering werden overgenomen. Ik doe een greep uit een artikel van G. J. van Setten in NRC Handelsblad van 5 mei (sic!) 1984: de Rijksdienst voor het Nationale Plan, de Wegenverkeersregeling, de loonbelasting, de inkomsten-, commissarissen- en dividendbelasting, alsmede een dertigtal forse gemeentelijke grenswijzigingen – nu immers, zoals Van Setten sarcastisch opmerkt – ’ongehinderd door tegenstribbelende raadsleden, jengelende parlementariërs en besluitloze bewindslieden’.

De uitbarsting van nationale daadkracht na de oorlog moet erdoor zijn beïnvloed. Dat is althans de mening van de hoogleraar H. W. von der Dunk die het, zoals vaker, onomwonden formuleerde: ’De confrontatie met de nazidictatuur had voor de oorlogsgeneratie de inefficiëntie van het oude pluralistische bestel aangetoond en deels onbewust was men gevoelig voor de slagvaardigheid en discipline van het Duitse bestel geweest’.

Ook dit zou een onderwerp voor het NIOD kunnen zijn. En aanzienlijk informatiever dan de kiekjes van Duitse soldaten op de Dam, anno 1940.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden