'Andere kant Bomans was verrassend gebleken'

Na veertig jaar heeft Michel van der Plas een punt gezet achter zijn journalistieke loopbaan. Dat betekent een afscheid van Elsevier, het blad dat hij al die jaren trouw bleef. De wetenschap dat hij af en toe nog wel eens iets voor Elsevier zal doen, heeft het afscheid een beetje verzacht.

Achteraf gezien is het eigenlijk vanzelfsprekend dat Van der Plas (65) in de journalistiek terecht kwam. "Dat schrijven is van huis uit gevoed. Ik ben altijd verwend geweest met lectuur. We lazen thuis drie dagbladen: de Maasbode, zowel de ochtendals de middageditie, de Residentiebode en de Haagsche Courant. Per post kregen we nog de Twentsche Courant. Vader was manufacturier en wilde de gang van zaken in het hart van de textielwereld Twente blijven volgen."

"Ik spelde die kranten, misschien abnormaal voor een jongen van die leeftijd, maar ik was er in geinteresseerd. Zo wist ik al heel jong alles over het opkomende nationalisme, de burgeroorlog in Spanje, waarbij je als goed katholiek uiteraard aan de kant van Franco stond, over de Volksbefragung in het Saargebied in 1935 en de Kristallnacht in 1938."

"Toen ik in 1940 naar de priesteropleiding op Hageveld ging veranderde mijn wereld drastisch. Het was daar verboden kranten te lezen, op de Volkskrant na, die wij gecensureerd onder ogen kregen. Alle berichten die de hogere leiding niet geschikt achtte voor de ogen van aankomende priesters werden eruit geknipt. Naarmate de oorlog verstreek had ik het er minder moeilijk mee omdat de kranten die er nog waren toch allemaal pro-Duits waren."

"Maar na de bevrijding, nadat ik het laatste oorlogsjaar ondergedoken was geweest, werd dat toch anders. Er verscheen zoveel in Nederland. Ondanks papierschaarste was iedereen bezig met een inhaalmanoeuvre. Ik wilde ook lezen wat er in De Groene Amsterdammer, Het Parool, Ons Vrije Nederland, De Nieuwe Eeuw en al die andere bladen werd geschreven maar het mocht niet."

"Daar vond ik iets op. Elke week ging er van Hageveld een koffertje met vuil wasgoed naar huis en kwam er een koffertje met schone kleren naar het seminarie. Met een vriendje sprak ik af dat hij in dat koffertje de tijdschriften die ik zo graag wilde lezen meestuurde. Mijn moeder pakte die rustig in omdat zij dacht dat het mocht. Op dezelfde manier gingen de gelezen tijdschriften terug met de vuile was. Tussen de bedrijven door verstopte ik ze onder mijn matras in mijn chambretje. Achteraf een wonder dat dit nooit is ontdekt."

"In die tijd kwam al duidelijk naar voren dat ik niet in de wieg was gelegd voor het priesterschap, want ik hield de boel moedwillig voor de gek. Ik heb het daar wel moeilijk mee gehad.

"Via dat koffertje leerde ik clandestien Elseviers Weekblad kennen dat kort na de oorlog voor het eerst verscheen. Het was iets geheel nieuws, zowel wat de uitvoering - gedrukt op redelijk papier, in die tijd iets bijzonders - als de inhoud betreft. Het was voor mij min of meer het Zweedse wittebrood. Er schreven figuren in als Godfried Bomans, Piet Bakker en J. W. F. Werumeus Buning. Jo Spier en Eppo Doeve zorgden voor de illustraties. Het bleek een podium te zijn, waarop personen van allerlei richtingen uit de samenleving elkaar ontmoetten."

De journalistieke belangstelling van Ben Brinkel - de schuilnaam Michel van der Plas, waaronder hij nu algemeen bekend is, nam hij pas later aan - bleef ook op Hageveld niet onopgemerkt. Hij werd medewerker aan het kwartaalblad Rond de Koepel.

"Ik verzorgde een rubriek van lichte roddel, een beetje in de geest van wat Bomans deed in De Groene Amsterdammer. Dat mijn docenten, die wel weekbladen lazen, daaruit geen conclusies hebben getrokken verbaast me. Ze hadden zich toch moeten afvragen hoe hun student aan zijn achtergrondinformatie kwam. Die kennismaking met Elsevier heeft mijn besluit weg te gaan uit het seminarie bespoedigd. In juli 1946 ben ik teruggegaan naar de wereld."

Op Hageveld, al lang geen seminarie meer, komt Van der Plas nog bijna wekelijks. "Maar vreemd, nog elke keer als ik op de oprijlaan rij en die grote koepel zie die van binnen door Huib Luns, de vader van de oud-minister, is beschilderd met romantische bijbelse voorstellingen, bekruipt mij een gevoel van schuchterheid. Het gebouw is voor mij altijd verbonden gebleven met een periode, waarin ik niet gelukkig was."

Eenmaal weg uit het seminarie werd de grote droom van Ben Brinkel om zelf in Elsevier te gaan schrijven. "Maar dat blad was in mijn ogen een soort ondoordringbaar fort, waar je alleen terecht kon als je een reputatie had. Het werd volgeschreven door mensen die hun sporen ruimschoots hadden verdiend en wie was ik. Toch heb ik het in 1948 gewaagd iets in te sturen. De Engelse dichter T. S. Eliot werd zestig jaar en ik diepte zijn achtergronden uit. Tot mijn verbazing werd het artikel geplaatst." Uiteindelijk werd hij in 1948 vaste medewerker.

Van der Plas is al enige jaren doende met een biografie van Jozef Alberdingk Thijm, de vader van Lodewijk van Deyssel. "Het is een gigantische hoeveelheid materiaal die ik moet doornemen. Het meeste daarvan ligt in het Thijm-archief bij het Katholiek Documentatiecentrum in Nijmegen. Daar hebben ze alleen al 2 000 brieven. In totaal omvat het Thijmarchief ruim 6 500 mappen. Er zijn mappen bij met enige tientallen brieven, zoals de correspondentie tussen Thijm en Busken Huet."

"Tot mijn grote verbazing is Jozef Alberdingk Thijm in tegenstelling tot zijn zoon vergeten. Maar vader Thijm, de koopman/schrijver, zoals de ondertitel van de biografie gaat luiden, was minstens zo interessant. Als veertienjarige jongen werd hij belast met de leiding over de groothandel in comestibles en verduurzaamde levensmiddelen van zijn vader aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal in Amsterdam. Thijm heeft daar zijn hele leven, dat zich uitstrekte tussen 1820 en 1889, gewoond. De Nieuwe Zijds was toen nog een gracht."

"Behalve koopman was Alberdingk Thijm geen onverdienstelijk schrijver. Hij heeft enorm veel gepubliceerd. Hij was bevriend met alle bekende figuren uit de vorige eeuw in ons land, zowel kunstenaars als politici. Potgieter, Beets, Ten Kate, Van Lennep en Busken Huet kwamen bij hem over de vloer. Kloos, Verwey en Van Eeden kwamen ook naar de Nieuwe Zijds. Met al die mensen werd ook druk gecorrespondeerd."

"Dat die correspondentie bewaard is gebleven is natuurlijk prachtig, al levert het wel grote problemen op. De brieven van Potgieter zijn vrijwel niet te lezen en het handschrift van Schaepman is eveneens een crime. Gelukkig heb ik met Alberdingk Thijm zelf geen enkele moeite. Hij schreef heel duidelijk, misschien omdat hij zijn hele leven heeft geweigerd iets anders dan een ganzeveer te hanteren."

"Thijm was in zijn gedichten en historische verhalen soms zeer fel. Neem alleen maar de manier waarop hij de strijd aanbond met het vandalisme, de vernielzucht die in de vorige eeuw heerste, toen alom oude gebouwen werden gesloopt. Daartegen ageerde hij ook in pamfletten en brochures. Zijn grote verdiensten liggen op het terrein van de architectuur en de beeldhouwkunst."

"Verder was Alberdingk Thijm denk ik de grootste toneelcriticus uit de vorige eeuw. Vanaf zijn twintigste schreef hij kritieken de laatste zestien jaar van zijn leven in 'De Amsterdammer'. Daarnaast zijn er zijn dagboeken. Hij was niet minder bewaarderig dan zijn zoon die bij zijn dood zestig hutkoffers vol archiefstukken naliet."

"In 1863 deed hij zijn comestibles-zaak aan de kant en vestigde hij aan de N. Z. Voorburgwal een drukkerij annex boekhandel, waarin hij zijn eigen boeken en het dagblad De Tijd ging drukken. Het is verbazingwekkend dat er over zo'n man nog nooit een echte biografie is geschreven. De biografie heeft in Nederland nooit erg hoog aangeschreven gestaan. De calvinistische aard van geen persoonsverheerlijking zal daar mede debet aan zijn. Vandaar zelfs geen biografieen over onze koningen."

Van der Plas brengt nu een groot deel van zijn dagen door in het Rijksarchief in Haarlem. Daar wordt het materiaal over Thijm uit Nijmegen naar toe gebracht, omdat uitlenen er niet bij is.

"Het is een grote ontdekkingstocht. De vele krenten in de pap maken zo'n studie interessant. Zo is er een dikke map, waarin de correspondentie zit tussen Thijm en het stadsbestuur van Amsterdam. Daaruit blijkt dat Thijm geklaagd heeft over het feit dat iedere ochtend voor zijn huis een draaiorgel speelde. Dat bracht hem uit zijn concentratie. Zijn klacht werd afgewezen."

"Een krent is ook zijn bedanken als lid van het college van collectanten voor de Franse kerk aan de Nieuwe Zijds. Thijm had al verschillende keren aangedrongen op het tussentijds legen van de collecteschalen, omdat die op het laatst nauwelijks meer waren te hanteren. Die verzoeken haalden niets uit tot op een dag Thijm, weer collecterend, de offerschaal niet langer in de hand hield. Die kieperde om en de inhoud ervan werd uitgestort over de hoofden van enkele vrouwelijke kerkgangers. Daarmee was de maat vol."

Bij Anthos verscheen onlangs 'Een mooie afdronk', een bundel met een selectie uit veertig jaar journalistiek. Vorig jaar waren er zijn gesprekken over geloof en kerk met Okke Jager, gebundeld in 'Op de tocht'. Kort erop overleed Jager.

"Toen wij aan dat boek werkten was er nog niets aan de hand. Dat heeft me sterk aangegrepen, ook wel beangstigd. Ik heb in mijn leven vier keer met iemand samen een boek geschreven. In alle vier de gevallen overleed die partner kort erop. De eerste keer was met mgr. Bekkers,later ook met Alfrink en Godfried Bomans en nu dus met Okke Jager. Het waarom ervan houdt me sterk bezig."

"Dat ik nog zo bezig mag zijn zie ik als genade. Ik leef van project naar project. Er zal een moment komen dat ik iets onaf moet achterlaten. Maar ik wil nog zoveel dingen."

"Met Okke Jager had ik in dat jaar dat we samenwerkten een heel intens contact. Dat heb ik met Bomans, die ik veel langer heb gekend, nooit gehad. Die liet zich niet kennen. Pas op het laatst van zijn leven veranderde hij. Het blijven altijd veronderstellingen, maar ik denk vaak dat als Bomans was blijven leven we kennis zouden hebben gemaakt met een heel andere kant van hem, met de man die zich niet verschool, maar die zich durfde laten kennen. Dat zou heel verrassend zijn geweest. . . "

In 'Op de tocht' maakt Van der Plas er geen geheim van dat hij zorgen heeft over de kerk, die hij vergelijkt met de stilte van een graf. Zijn conclusie is dat we op een cruciaal punt staan. "Het zal allemaal totaal anders worden. Ik denk dat we wel eens op een priesterloos tijdperk af kunnen gaan als de kerk blijft volharden in het celibaat. Feit is dat er iets moet gebeuren."

Veel van die gedachten legt Van der Plas vast in zijn dagboek dat hij sinds 1969 bijhoudt. Het is nog maar de vraag of buitenstaanders dat ooit onder ogen zullen krijgen. Van der Plas: "Ik sluit niet uit dat ik ze na mijn dood laat vernietigen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden