And I guess that I just don't know

Velen hadden hun Lou Reed, ik had de mijne. In de trein vernam ik van zijn dood. Ik bracht een geluidloos 'nee' uit, en staarde naar het kleine scherm van mijn telefoon. In me woelde iets op dat op verdriet leek, dat ik meteen wantrouwde; want wat was dit voor verlies? Ik kende de man niet persoonlijk, volgde ook al lang niet meer zijn muziek.

En toch. Ergens zat ie, mijn Lou Reed.

Bart Eeckhout, commentator bij de Vlaamse krant De Morgen, had ook zijn Lou Reed. Vooral diens album 'Berlin' zette zich in hem vast. Dit schreef hij, en ik citeer flarden: 'Berlin, met zijn dramatische evocatie van geweld, drugs, kindermishandeling, depressie en doodsverlangen, bleek de ideale soundtrack te zijn bij die periode in een mensenleven - de late pubertijd - waarin zielenpijn opgezocht wordt als bewijs van leven. 'Berlin' leverde het geluid bij verduisterde studentenkamers die geurden naar te veel en te goedkope rode wijn of jenever.'

Ik knikte toen ik het las, al kwam mijn Lou Reed op een ander ogenblik in mijn leven.

Dat was in het midden van de jaren zeventig, toen hij op tournee ging met zijn album Rock 'n Roll Animal. Bijna tegen het plafond van Carré geplakt, de zaal een diepe, hoogtevrees opwekkende ruimte, zag ik hem voor het eerst. Dat lang gerekte, magistrale intro klonk, Steve Hunter op gitaar, tot hijzelf opkwam, van achter de coulissen, en die eerste woorden zong. Standing on the corner, suitcase in my hand.

Het ging nooit meer uit mijn hoofd.

Sweet Jane. Jane, die op een kantoor werkte. En Jack die werkte bij een bank.

De heiligheid van het gewone.

Wat wist ik van Lou Reed? Een slecht gehumeurde New Yorker, die buurten, lokalen en mensen bezong, die ik in mijn provinciestad nooit tegenkwam. En drugs. De waanzin ervan in dat monumentale, nu eens langzame, dan weer versnellende Heroine, telkens uitmondend in die woorden: And I guess that I just don't know.

Dat niet weten, dat trok onwaarschijnlijk aan.

Lou Reed wist niks, en het kon hem ook niet schelen. Die hele nette wereld, met zijn verwachtingen, zijn clichés, kon hem gestolen worden. Dat is wat ik dacht te horen, en te zien in de schokkende bewegingen waarmee hij zijn zang begeleidde, korte stroomstoten met een uitschietend been. Dansen kon hij niet, en zingen maar matig. Hij zong, zoals hij sprak, met dat nasale Brooklyn-accent.

Dunne lippen, neerhangende mondhoeken.

Zoveel superieure verachting. Cool als Lou.

Het kwam het dichtst bij volmaakte vrijheid. De wereld was ellendig; liefde, vriendschap, het ging er allemaal aan, en geluk was een kortstondig high van iets dat door je bloedbaan raasde. Maar Lou Reed voegde er iets aan toe. Poëzie. Lyriek van eenvoudige, directe zinnen. Iemand te gronde zien gaan en dan zeggen:

It was such a funny feeling.

Lou Reed, ook de mijne, was een dichter. Een radicale, die conventies haatte en compromisloos wegen insloeg waarin weinigen hem konden volgen. Ook ik niet. 'Transformer', dat hem wereldroem bracht was, dat was eens en nooit meer. Mijn Lou Reed was maar een heel klein stukje van een man die van niemand was.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden