Analyse / Het is erop of eronder voor Balkenende

Na ruim een maand te zijn uitgeschakeld, maakt premier Jan Peter Balkenende komende vrijdag zijn rentree op de EU-top in Rome. Onmiddellijk daarna moet hij aan de bak in eigen land, waar zijn hervormingen op enorm verzet stuiten. Toont Balkenende zich in weerwil van alle scepsis een leider? Het zijn cruciale weken.

'Wacht op onze daden', riep Johan Rudolf Thorbecke, toen hij op 1 november 1849 zijn eerste kabinet aan de Tweede Kamer presenteerde. Maar al meteen na zijn aantreden werd de liberaal in zijn dadendrang geremd. Een ziekte wierp hem voor zes weken op bed en stelde hem slechts in staat de lopende zaken af te doen.

Jan Drentje schrijft in zijn onlangs verschenen biografie over Thorbecke dat politieke tegenstanders de windstilte aangrepen om op de val van de kersverse minister te speculeren. Weliswaar hadden revoluties en woelingen over de grenzen en onlusten in eigen land de gevestigde macht -koning Willem II zelfs binnen 24 uur- tot het inzicht gebracht dat veranderingen in het staatsbestel nodig waren, maar de vergaande modernisering die de Leidse professor wilde doorvoeren om de opkomende burgerij politiek ruimte te geven, riep niettemin hevige weerstanden op.

Eenmaal hersteld liet Thorbecke zien dat zijn uitroep in het parlement geen grootspraak was geweest. In hoog tempo en tegen de conservatieve stroom in, stampte hij een staatkundig en bestuurlijk stelsel uit de grond dat Nederland bij de tijd bracht en ruimte schiep voor de ontwikkeling van de parlementaire democratie.

Het kost niet veel moeite een analogie te bespeuren tussen de gebeurtenissen anderhalve eeuw geleden en de recente ontwikkelingen in de Nederlandse politiek. Opnieuw heeft zich, kort na een burgerlijke revolte tegen het bestel, een hervormingskabinet gepresenteerd, nu onder leiding van de christen-democraat en voormalig VU-professor Jan Peter Balkenende. En of de duvel ermee speelt, is ook deze premier in een cruciale fase voor weken door ziekte uitgeschakeld, wat net als toen in de Haagse wandelgangen allerlei praatjes losmaakte.

De christen-democratische ministers waren zelfs beducht voor een liberale paleisrevolutie in de beeldvorming van het kabinet en overwogen aanvankelijk, tegen alle regels in, iemand uit eigen kring als tijdelijk vervanger van Balkenende naar voren te schuiven. In de Eerste Kamer heeft CDA-fractieleider Werner het intussen voor elkaar gekregen dat de algemene politieke beschouwingen met drie weken, tot half november, zijn uitgesteld om te voorkomen dat de liberale vice-premier Zalm nog een keer zijn, eenzijdig financiële, stempel op het beleid drukt.

Dat zijn de kleine politieke bewegingen die van alle tijden zijn. Intrigerender is de vraag of Balkenende de analogie met de episode-Thorbecke kan doortrekken. Met andere woorden: of hij in staat zal zijn de hervorming van de verzorgingsstaat en het staatkundig bestel vorm te geven. Anders dan de liberaal, die niets op papier had gezet uit vrees voor vroegtijdige verdeeldheid, trad Balkenende vorig jaar juni aan met een uitgesproken programma, waarvan het oogmerk net als in Thorbeckes tijd is om Nederland economisch, sociaal en staatkundig bij de tijd te brengen.

Aan de vastbeslotenheid dat programma uit te voeren kon niet worden getwijfeld. Aan het slot van de regeringsverklaring zei de premier: ,,Krampachtig vasthouden aan bestaande belangen en rechten is voor ons geen serieuze optie. We zullen een stap terug moeten zetten om de sprong vooruit mogelijk te maken.''

Maar amper een jaar verder lijkt Balkenende met zijn hervormingsdrang vast te lopen in het verzet dat het beleid losmaakt. Een deel van de samenleving geeft de verworven sociale rechten niet zomaar prijs. De vraag is op dit moment daarom niet zozeer of de christen-democratische premier met een sprongverandering in het spoor van Thorbecke zal treden, maar of zijn kabinet het conflict met de vakbeweging, die zich weet gesteund door vrijwel de hele oppositie, zal overleven en of het, als dat lukt, nog over voldoende politieke kracht en gezag zal beschikken om de hervormingen door te voeren.

Voor de politieke toekomst van Balkenende zijn dit cruciale weken. Loopt hij daadwerkelijk vast, dan moet hij vrezen dat zijn ploeg achteraf als een overgangskabinet te boek komt te staan, dat weliswaar de geesten rijp heeft gemaakt voor de hervorming van de verzorgingstaat, maar de vruchten moet laten aan zijn opvolger, onder andermans leiding.

De tv-rubriek 'Netwerk' verwelkomde de premier vorige week vrijdag bij zijn vertrek uit het ziekenhuis in Capelle aan den IJssel als 'de redder des vaderlands, die de rotzooi moet opruimen'. Zo'n overspannen beeld doet weinig recht aan de politieke werkelijkheid. 'Netwerk' overschat de mogelijkheden van de premier in ons bestel, het onderschat de moeilijkheidsgraad van zijn karwei en doet tekort aan het conflict dat gaande is.

Voor zover het beeld toch iets benadert, is het de noodzaak voor Balkenende een meer overstijgend leiderschap te laten zien. Intern is dat nodig om zijn ministersploeg en de coalitie vertrouwen te geven en rust te creëren, naar buiten toe om meer krediet te verwerven voor de richting van het beleid. Dat is zelfs voor een minister-president die in de publiciteit zo is gesloopt geen hopeloze opgave. De geschiedenis heeft geleerd dat het politieke beeld in een oogwenk kan omslaan.

De overtuiging dat de verzorgingsstaat achterhaald is en dat hervormingen nodig zijn om het bestel aan te passen zit diep bij Balkenende. De geschiedenis van het bijna 25-jarige CDA loopt gelijk op met een kritische overdenking van de verzorgingsstaat, waarbij Balkenende van meet af aan betrokken is geweest.

Op de achtergrond werkte hij begin jaren tachtig mee aan het rapport 'Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij', waarin de christen-democraten een nieuwe ideologische grondslag voor de partij legden en het onderscheid met sociaal-democraten en liberalen markeerden. In die tijd, na de grote verkiezingswinst die de VVD onder leiding van Nijpels had geboekt, was het CDA vooral beducht voor de 'liberale uitdaging'. Die uitdaging is onverminderd groot. Waar christen-democraten met de liberalen een afkeer van dwang delen, willen zij tegelijkertijd een politieke ordening waarin het vrije individu solidariteit opbrengt met mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Al in 1983 bepleitten de auteurs van het rapport daartoe een 'confrontatiepolitiek': ,,Het scheppen van omstandigheden waardoor mensen en maatschappelijke organisaties weer zicht krijgen op hun verantwoordelijkheden.''

Met dat doel heeft Balkenende zich als premier in hoge mate geëngageerd. Ook in die zin valt een vergelijking te trekken met Thorbecke, die in de jaren veertig van de 19de eeuw de tijdgeest scherp aanvoelde en met acht gelijkgezinden een Grondwet ontwierp die afrekende met het oude regime waarin de vorst alleenheerser was en de burger een onmondige onderdaan. De liberaal kreeg zijn kans toen de revolutionaire bewegingen in 1848 de gevestigde macht de stuipen op het lijf joegen, Balkenende kreeg zijn moment toen in 2002 door het katalyserende effect van Pim Fortuyn de frictie tussen het bestel en de behoeften en verlangens van de burgers scherp zichtbaar werd.

De nieuwe generatie christen-democraten was op dat moment ideologisch behoorlijk toegerust om weer een leidende rol te spelen. Maar hun handicap was dat zij politieke en bestuurlijke ervaring misten. ,,Jan Peter is als een halfwas aan dit vak begonnen'', zegt Hans Hillen, de vroegere strateeg van de CDA-fractie. ,,Dat we in 2002 de grootste werden, kwam eigenlijk te vroeg. Een volledig rijpingsproces is ons niet gegeven.''

Die handicap van de onervarenheid is nog versterkt door de neiging van de generatie-Balkenende haar voorgangers buiten de deur te houden. Sterker nog, de veertigers achtten de Lubberianen niet in staat geestelijk afscheid te nemen van de verzorgingsstaat en de omslag te maken naar een samenleving waarin de nadruk ligt op de zelfredzaamheid van de burgers. Dat is niet verstandig geweest, omdat er bij de oudere generatie een schat aan kennis en ervaring voorhanden is. Bovendien zijn er ook onder de babyboomers in het CDA mensen genoeg die de noodzaak van een sprongverandering onderkennen.

Zo schreef Hans Borstlap (58), voormalig topambtenaar onder Lubbers, Jan de Koning en Bert de Vries, thans lid van de Raad van State en achter de schermen nog altijd actief in zijn partij, onlangs in het blad CD Verkenningen dat conclusies moeten worden getrokken uit het gegeven dat de verzorgingsstaat de burgers in de afgelopen vijftig jaar weerbaarder en welvarender heeft gemaakt. Hij haalde Abraham Kuyper aan, de gereformeerde voorman uit de 19de eeuw, die het overheidsoptreden eens vergeleek met de stok die de planter naast een jong boompje zet om het tegen stormen beschermen. ,,Na een paar jaar is de boom sterk genoeg en staat de stok een verdere groei juist in de weg.''

De boodschap van Borstlap was duidelijk: de beschermende automatismen van onze verzorgingsstaat beknellen en frustreren ons samenleven eerder dan dat zij het ondersteunen. Hij pleitte dan ook voor een nog veel grondiger herijking van de verzorgingsstaat dan het kabinet voorstaat, omdat in dit bestel in weerwil van de goede bedoelingen destijds allerlei perversiteiten zijn geslopen. Zo is het van de gekke, vond hij, dat de hoogste inkomens het meeste profijt trekken van de overheidsuitgaven voor wonen, hoger onderwijs, cultuur en recreatie. Van de uitgaven voor wonen komt, via de hypotheekrenteaftrek, zelfs meer dan de helft bij de rijkste twintig procent van de huishoudens terecht.

Het motief om te hervormen moet daarom niet alleen worden ontleend aan de vergrijzing en de groeiende belastingconcurrentie van onze buurlanden, maar ook aan de maat van de publieke gerechtigheid. Daarbij moet meewegen dat de brede verzorgingsstaat gewoon te duur wordt. De overheid zou zich beter garant kunnen stellen voor de kwetsbaarste groepen.

In het CDA leeft de behoefte om de omslag in een wijder en fundamenteler perspectief te plaatsen breder. De vrees is dat, door de neiging van Balkenende de VVD en vooral Zalm te vriend te houden, het beleid te eenzijdig in het perspectief wordt geplaatst van de kloppende kas. In lijn daarmee ligt het advies aan Balkenende het politieke debat meer te richten op wat Ser-voorzitter Herman Wijffels (62) noemde de 'nieuwe coördinaten' van het sociale bestel, op de noodzaak het bestel in de ruimste zin aan te passen aan de sociaal-culturele veranderingen die zich hebben voltrokken, zoals de bevrijding van de vrouw, de komst van het tweeverdienerschap, de omslag van een samenleving die collectief is georganiseerd naar een maatschappij waarin het individu meer op de voorgrond is gekomen.

De premier zou meer zijn best moeten doen om over het doel van de hervormingen te praten. Onder invloed van de Haagse technocraten is het politieke debat te zeer gefocust geraakt op de middelen, die vaak ook nog met een politiek taboe zijn belegd, zoals de WAO, de hypotheekrenteaftrek en het minimumloon. Daardoor vertroebelt en verstikt de discussie al snel en kon nu een conflict ontstaan over een zaak waarover eigenlijk iedereen het in grote lijnen eens is. Confrontatie is niet erg, maar wel graag daar waar het werkelijk om gaat. Het schetsen van het doel voorkomt bovendien dat een beeld ontstaat van een opeenstapeling van ingrepen waar geen eind aan komt en dat zeker de burgers in kwetsbare posities onzeker maakt.

Deze weg biedt Balkenende tevens de mogelijkheid de hervorming te verbinden met het waardendebat dat hij op gang heeft gebracht, maar dat in de beeldvorming volgens sommige van zijn partijgenoten niet meer is dan 'een geurvlaggetje'. Sterker nog, de indruk is ontstaan dat Balkenende aan Zalm de ruimte geeft zijn strenge financiële beleid te voeren (een lijn die hem als Zijlstra-adept ook zeer aanspreekt), en dat Zalm op zijn beurt de premier niet belemmert zijn visies in het waarden- en integratiedebat uiteen te zetten.

Maar uiteindelijk levert dit een akelige spagaat op: de zware ingrepen in de sociale zekerheid tegenover het lichte appel op fatsoenlijker omgang met elkaar. Balkenende pakt, anders gezegd, niet diep genoeg door. Hij moet veel meer het achterste van zijn tong laten zien en het gevecht aangaan, confronterender worden. Alleen op die manier kan hij het gezag verwerven dat hij de komende tijd nodig zal hebben. Want het is nu erop of eronder.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden