Amsterdamse lied bezingt lief en leed onderaan de Wester.

Liedjes over Rotterdam en Den Haag die ook het grote publiek kent, zijn op de vingers van één hand te tellen. Verder dan ’Hand in hand, kameraden’ en ’Oh oh Den Haag, mooie stad achter de duinen’ komen de meeste mensen niet. Maar valt de naam Amsterdam dan rollen ze uit de mouw, van ’Aan de Amsterdamse grachten’ tot ’Tulpen uit Amsterdam’. En natuurlijk Johnny Jordaans ’Geef mij maar Amsterdam’.

Dat is ook de titel van de tentoonstelling, die het Amsterdams Historisch Museum deze week heeft geopend. Hij gaat over het verband tussen het Amsterdamse lied en de geschiedenis van de stad. De meeste vertolkers van het klassieke Amsterdamse lied zijn alleen nog als standbeeld onder ons: Johnny Jordaan, Tante Leen, Willy Alberti, André Hazes. Slechts Rika Jansen, ofwel Zwarte Riek – van ’M’n wieggie was een stijfselkissie’ en ’Amsterdam huilt’ – was, 82 jaar inmiddels, bij de opening aanwezig. Maar nu zijn er Lange Frans en Baas B. en ook de Amsterdamse rap duikt op.

„Een vette, theatrale aanpak”, typeert samenstelster Annemarie de Wildt, de opzet van de expositie. Er zijn zeven thema’s uitgewerkt: de straat, het café, het draaiorgelplein. Daarnaast is er een hal der helden, een ruimte met teksten en een met gebeurtenissen. En tenslotte wordt de Westertoren er uitgelicht. Aan de voet van die veel bezongen en afgebeelde toren heeft zich veel van het lief en leed afgespeeld dat dikwijls zwaar aangezet is vertolkt. Dat gebeurde in revues als De Jantjes of Bleke Bet.

Plaats van handeling was de Jordaan, de bekendste buurt uit Amsterdam. Hier lagen de zuigelingen in houten kistjes, waarin pakjes stijfsel – voor boorden en kleding – waren opgeborgen. De volksvrouwen waren er rap van tong en hun stevige proporties waren, zo laten de foto’s zien, doorgaans gestoken in mouwschorten en stofjassen. De revues waren zwierig en vol pret, maar in het echt overheersten armoe en vuiligheid in de stinkende kleine woninkjes. Het oproer kraaide dikwijls.

Veel van het sociale leven speelde zich af op straat of in het café. Wie leuk kon zingen of accordeon spelen verdiende daar iets bij. Tante Leen is zo begonnen en Johnny Jordaan. Maar ook André Hazes. En van Rene Froger weet bijna iedereen wel dat hij zijn zangloopbaan begon op de toog bij zijn vader Bolle Jan. Tegenwoordig is Hazes vooral te horen in tot karaokebars omgebouwde gelegenheden als café Nol. Op de tentoonstelling kan iedereen de kans aangrijpen om mee uit te halen met ’Een beetje verlieeefd’.

Straatzangers waren een bekende verschijning, maar zo’n baan was niet voor iedereen weggelegd. Alleen als je op geen andere manier aan de kost kon komen, kreeg je een vergunning. Tot 1920 waren er maximaal dertig vergunninghouders. En de laatste vergunning werd in 1980 verstrekt.

Soms werd het levenslied ten gehore gebracht op een sjieke locatie. Op een tv-schermpje wordt een uitvoering vertoond van ’We gaan naar Zandvoort’ in een bomvol Concertgebouw. Eerst is er Tante Leen, wier feestjurk ook staat uitgestald, en dan gaat het beeld over in een zwierende Heintje Davids. Dat Concertgebouw diende ook voor bokswedstrijden en een beschrijving werd legendarisch door Louis Davids.

De Jordaan is niet de enige plek die in tekst en melodie wordt bezogen. In de loop der tijd zijn ook Zuidoost en Tuindorp Oostzaan het decor geweest. De harde Bijlmer manifesteert zich bij rapper Kiddo Cee. Op de expositie hangt een kaart met insteekpunten in het centrum en de rest van Amsterdam en die corresponderen met honderd liedjes, van levenslied tot smartlap en van rap tot cabaret, die via de koptelefoon tot je komen.

Er is bij ’Geef mij maar Amsterdam’ een wand gereserveerd, die de komende maanden wordt gevuld met liedteksten van scholieren uit het voortgezet onderwijs. Er zijn bakjes met woorden uit levensliederen en raps op de tentoonstelling en aan de hand daarvan maken de scholieren hun eigen songtekst. Geïnspireerd door het traditionele levenslied hebben bovendien 19 Amsterdamse jongeren een eigentijdse rap gemaakt met teksten over hun stad en buurt. De clips zijn hier te horen. De deelnemers zijn winnaars van de Battle of Amsterdam 2006 talentscout.

Een eigen ruimte, boven aan de trap naar de uitgang, is ingeruimd voor de Westertoren. Die mooie oude Wester, zoals Louis Davids hem liefkozend noemde, staat trouwens niet echt in de Jordaan. En het was ook de kerk van de rijke grachtengordel. De gewone Jordanezen gingen naar de Noorderkerk. Maar iedere zanger(es) van het Amsterdamse lied wil graag met de toren op de foto. Alleen Willy Alberti heeft er een ingemetselde plaquette.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden