Review

Amsterdams ongekende rust

De eerste foto’s van Amsterdam laten een stad van vergane glorie zien. Hoewel het moet hebben gekrioeld van de mensen, zijn die door de lange sluitertijden uit het beeld verdwenen.

Smerig, stinkend, armoedig was het allemaal in het Amsterdam van de eerste foto’s. Heel wat minder dan in die bloeiende 17de eeuw, de Gouden Eeuw met de bouw van de brede grachten met hun deftige grachtenhuizen, de tijd van de grote Nederlandse schilders.

Anneke van Veen, conservator fotografie van het Amsterdamse Stadsarchief, vertelt dat de stad weinig wereldse allure had in die tijd, het was meer een provinciestad. We praten over de tentoonstelling ’De eerste foto’s van Amsterdam, 1845-1875’ die morgen opengaat en over haar boek met de gelijknamige titel. Toen de eerste fotografen met hun zware apparatuur hun kiekjes schoten van Amsterdam had de stad het roemrijke verleden allang achter zich gelaten en leed het onder een zware schuldenlast. De plattegrond was na de laatste uitbreiding rond 1660 steeds hetzelfde gebleven.

Die allereerste foto’s van de stad, uit 1845, gemaakt door advocaat en procureur Eduard Isaac Asser (1809-1894), laten vaag wat geveltjes, daken en schoorstenen zien. De tijd heeft het allemaal wat vlekkerig gemaakt. Asser fotografeerde steeds weer hetzelfde beeld met verschillende lichtval vanuit zijn raam, op het pleintje tussen de Reguliersbreestraat en de Muntsluis. Met de lange sluitertijd waren mensen niet op de gevoelige plaat te vangen.

Maar het moet daar hebben gekrioeld van de mensen. De Reguliersbreestraat was een van de drukste straten van de stad. Het was er een komen en gaan van handelaren en publiek voor de Botermarkt (huidige Rembrandtplein). Vlakbij Assers huis was de Duivelshoek, een beruchte sloppenbuurt waar ook geiten en koeien werden gehouden en geslacht. Het bloed gutste er regelrecht in de goot. Het vuil stapelde zich op rond de vuilnisbakken. Amsterdammers die geen toilet hadden leegden er hun emmers met uitwerpselen en urine. Het was ronduit een smerig zootje.

De dood heerste in die tijd, was in de stad alom aanwezig. Ziektes als cholera maakten veel slachtoffers. De doden werden binnen de stadswallen begraven. Niets van dit alles is te zien op de foto’s uit die tijd. Zo de fotografen het al wilden, het was technisch vrijwel onmogelijk om mensen op straat duidelijk vast te leggen.

Tot 1866 was de stad van zonsondergang tot zonsopgang gesloten voor binnenkomende reizigers en bewoners. Bij de poorten en andere ingangen van de stad stonden commiezen die bagage controleerden en invoerrechten hieven. Wie te laat was ’s avond kwam de stad niet meer in, moest buiten blijven wachten.

Het idee voor de tentoonstelling ’De eerste foto’s van Amsterdam’ kwam volgens Anneke van Veen nadat op een veiling in Londen, in het begin van de jaren negentig twee anonieme negatieven met beelden van Amsterdam waren aangetroffen. Het bleken twee beelden te zijn die waren gemaakt door de Engelse landschapsfotograaf Benjamin Brecknell Turner (1815-1897). „Met die vondst was een lang gekoesterde wens in vervulling gegaan”, zegt Van Veen. Het ging om groot formaat, zeg maar A3, negatieven. Het moest wel om de beroemde serie van zestien negatieven gaan die Turner in 1857 bij een ’photographic tour’ had gemaakt in Amsterdam, wist Van Veen.

Turner was waskaarsenfabrikant, maar hij had genoeg tijd om zijn hobby fotografie te beoefenen. Met zijn zware uitrusting, gedragen door een karretje, ging hij per boot naar Rotterdam en vandaar per trein naar Amsterdam. Hij bleef er twee weken. De foto’s van Turner waren bestemd voor tentoonstellingen. Zo zouden ze ook in 1858 getoond zijn in de Vereeniging voor Volksvlijt. In een voorbeschouwing op deze expositie ’bejammerde’ een zeker Jan Adriaan van Eijk dat Nederlandse fotografen zich vooral beperkten tot het portret en weinig belangstelling hadden voor de ’heerlijke gezigten, zoowel van land als stad’. Een Amsterdamse boekhandelaar had acht stadsgezichten ingestuurd van een ’Engelsch kunstenaar’. Dat moet het werk van Turner zijn geweest. De Amsterdamsche Courant recenseerde de tentoonstelling, waar de foto’s ’wat te gedrongen opeen’ hingen. Van de foto’s van de Engelsman waren ’eenige goed gelukt’, oordeelde de criticus.

De negatieven van Turner vormen de kern van de tentoonstelling in het Amsterdamse Stadsarchief. Vijftien grote billboards met deze negatieven (zwart is wit en wit is zwart) tot positieven verwerkt, staan in Amsterdam op de plekken waar de Engelsman ongeveer zijn fotoapparaat moet hebben neergezet. Het levert een prachtige vergelijking op van het stadsgezicht destijds met het beeld van nu.

Turner bewerkte zijn negatieven uitvoerig. Na het ontwikkelen, fixeren, spoelen, drogen en met was bestrijken kwam de zilverstift eraan te pas om de contouren duidelijker zichtbaar te maken. Met penseel en zwarte inkt kregen de afdrukken effen en blanke luchten.

Op de foto’s van Turner zijn nauwelijks mensen te zien, hier en daar is er een schim. Wel is er voortdurend het water, dat de huizen en gebouwen weerspiegelt. Van een bruggetje aan de Nieuwezijds Achterburgwal (toen een smal grachtje, nu Spuistraat) fotografeerde hij de achterkant van de welvarende panden aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was toen een stinksloot die tien jaar later zou worden gedempt. Volgens Van Veen is hier op adembenemende wijze het wezen van een compacte, traditionele stad voelbaar. Rechts zijn twee mannen met voorschot te ontwaren (of is het er één die zich bewoog?).

Op Turners stadsgezichten heerst de rust. De drukte is er door de lange belichtingstijd uitgeveegd. In Engeland gebruikte hij een belichting van wel dertig minuten. Volgens Anneke van Veen moeten we bij de beelden van Amsterdam aan enkele minuten denken. Zij heeft dat opgemaakt uit de stadsklokken, die slechts één wijzer hadden die de uren aangaf, maar toch scherp in beeld bleven. Opvallend op de foto’s van Turner zijn de rare gevorkte schoorstenen, die door een stang worden gesteund. Bij het beeld van het Rokin en de Grimnessersluis is de zaak van Henry Nord Coiffeur te zien. In het pand zijn volgens het opschrift pruiken en toupetten te koop.

Mensen zijn weliswaar vrijwel niet te zien, maar Turner had naar verluidt veel last van types die nieuwsgierig waren naar zijn doen en laten. Hij zou zijn tocht zelfs hebben moeten afbreken omdat zijn apparatuur door het opdringen van het publiek te water raakte.

Na de tijd van Turner ontwikkelde de fotografie zich in een snel tempo. De volgende generatie met bijvoorbeeld Jacob Olie maakte wel stadsgezichten. Weer wat later werd de fotografie vooral gebruikt om de economische vooruitgang, die ongeveer vanaf 1870 op gang kwam, te tonen. Het proces van bouwen van kanalen, bruggen en gebouwen, zoals het fameuze Paleis van Volksvlijt (op de plek van de huidige Nederlandse Bank) werd vastgelegd. Het was als het ware een controlemiddel voor de bouwers en opdrachtgevers.

De tentoonstelling in het Amsterdamse Stadsarchief komt in een jaar dat de grachtengordel is voorgedragen voor de Lijst van Werelderfgoed van de Unesco. De eerste foto’s kunnen goed helpen bij deze voordracht. Op de beelden is te zien wat behouden is gebleven en wat dus ook behouden moet blijven. En is ook te zien wat helaas verloren is gegaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden