Amsterdam- Zwolle-Emmen-Ter Apel

reportage | Honderden Syrische vluchtelingen komen nu naar Nederland. Trouw reist vanaf Amsterdam met ze mee naar Ter Apel. Waarom bleven ze niet in Duitsland? 'Hier is iedereen nice.'

Nawras Altaki (20) heeft een jas gekocht. Maar hij trekt hem niet aan, de jas blijft netjes opgevouwen in de plastic tas met 'Gabbiano' erop. Hij voelt zich te vies, zeg Nawras, hij wil niet dat de zweetlucht van dagenlang reizen erin gaat zitten. "Eerst douchen."

Het is tien over vijf 's middags. Met vier andere Syriërs stapt Nawras op perron 11b van Amsterdam Centraal in de sprinter naar Zwolle. Elf dagen geleden vluchtten de vijf mannen uit Al-Suweyda, een druzenstadje in het zuiden van Syrië. Nu komt de laatste rit, naar een landerig dorp in Groningen, dicht tegen de Duitse grens. Daar moeten ze heen om asiel aan te vragen. Op het politiebureau op perron 1 kregen ze een treinkaartje en een - tamelijk rudimentaire - routebeschrijving.

Zwolle-Emmen-Ter Apel.

Nawras en zijn vrienden maken deel uit van de Syrische vluchtelingen die via de Balkan naar Noord-Europa komen. Ze domineerden de hele zomer het nieuws en komen sinds enkele weken ook in Nederland aan, meestal via Duitsland, inmiddels met zo'n zevenhonderd per dag. Hoe ziet hun eerste dag in Nederland eruit? En: waarom bléven ze niet in Duitsland, waar ze gegarandeerd een verblijfsvergunning krijgen? Waarom weer een trein in, weer een grens over?

Hun eerste daad in het land van aankomst: eten bij de Burger King. Toen ze een paar uur geleden uit de trein uit Duitsland stapten, trakteerden ze zichzelf op een uitgebreid menu. Ze waren in het holst van de nacht uit München vertrokken, ze hadden honger. Daarna verlieten ze het station en liepen naar de Dam. Verbaasden zich over de vele 'weedshops' - "zou ik nooit heen gaan, dat is niet goed" - kochten simkaarten, maakten selfies, bekeken de winkels op de Nieuwendijk. Enfin, net toeristen.

Een slaapzak kocht Nawras ook. Je weet nooit wat je aantreft. In Hongarije, vlak achter de grens met Servië, gooide hij zijn vorige slaapzak weg; ze moesten het op een rennen zetten voor de politie. "Dit was de reis van ons leven", zegt Nawras. Zijn ogen glimmen. "Zo moeilijk, zo moeilijk. Maar óók: zo mooi, hoe uitputtend ook. We hebben zoveel gezien, zoveel geweldige mensen ontmoet." Het beste, zegt hij, was Servië. "Daar was iedereen zo aardig, ook de politie, sommigen liepen een uur met ons mee zodat we niet zouden verdwalen."

Hij trekt een vies gezicht. "Alleen al die Afghanen daar in Servië - we moesten met ze in hetzelfde kamp slapen, je kon ze niet vermijden. Die mensen stinken, wie weet hebben ze wel ebola of zo. En het waren er zo veel! Waarom komen ze naar Europa? Ze hebben geen-eens oorlog daar."

We rijden langs Weesp. Almere. Milad Abou Hassoun (21) kijkt op zijn mobiel naar een blauw bolletje dat over een grijs vlak beweegt. Dat bolletje zijn wij. En dat grijze vlak, zeg ik, is Flevoland. Milad draagt een korte broek en een roze shirt met lange mouwen, hij ziet eruit alsof hij op vakantie is. Ik zeg dat dit ooit een zeebodem was, dat de steden waar we langs rijden, zoals Almere en Lelystad, nog maar enkele tientallen jaren oud zijn.

Voor iemand uit het land met de oudste steden ter wereld moet dat iets wonderlijks zijn. Milad kijkt dan ook verbaasd. Ik teken op een papiertje dijken en windmolens die water wegpompen. "Wow, great job!" Nawras komt erbij zitten. "Jaja, dat heet polder. Ik weet wat dat is. Ik heb dit land bestudeerd."

Maar over polders wil hij niet praten, hij wil me vertellen hoe hun reis is verlopen. Hoe ze in een rubberboot van zes meter met 51 mensen van Izmir naar het Griekse eiland Mytilini voeren. Hoe de motor het begaf en hoe hij en een vriend in het water sprongen en naar de boot van de Griekse marine zwommen - hij had nog nooit in een zee gezwommen. Hoe ze twee dagen over het eiland liepen, navigerend op hun mobiel.

Zeker, ze hadden in Turkije kunnen blijven. "Maar er is daar geen hulp, geen onderwijs, niks, in die kampen is het niet veel beter dan als je op straat slaapt." Ze wilden dóór, en niet zomaar naar 'Europa' - al in Al-Suweyda hadden ze Nederland op hun netvlies staan, zegt Nawras. "Ik heb neven in heel Europa zitten. Duitsland, Zweden, Oostenrijk. En ook eentje in Nederland. Met die neef daar chatte en skypte ik het meest. En wat hij zei beviel me. Dit is een goed land."

Terwijl Dronten aan ons voorbijglijdt, probeert Nawras de rest van hun tocht, van Athene tot Amsterdam, minutieus na te vertellen, maar hij raakt telkens de draad kwijt, haalt grensovergangen door elkaar. "Ik weet het niet meer precies", zucht hij. "Ik ben moe."

Nawras speelt viool. En hij zingt. 'Classical music', maar dan heeft hij het niet over Puccini. "Niet jullie muziek, maar de onze" - daar zou hij in Nederland mee verder willen. Een eigen groep, het is een droom. Maar hij wil ook studeren: computer engineering.

Op het station van Zwolle stappen we in de witblauwe boemeltrein naar Emmen. Onderweg dommelen de rustige, zwijgzame Bilal Hamdan (37) en Hadi Altaki (21), een neef van Nawras, in slaap. Ook de anderen gapen. Milad wil van alles van me weten. Zijn Engels is beperkt, maar de vertaalapp op zijn smartphone biedt uitkomst. Of hij Nederlands kan leren in het kamp, wanneer hij kan beginnen met werken, ook hij blijkt iets met computers te willen doen.

Ik heb ook een vraag: waarom Nederland? "De mensen zijn open en tolerant hier, je mag denken en zeggen wat je wilt", is zijn antwoord. Dat is in Duitsland toch ook zo? "Ja, misschien wel, ik weet al die details niet, ik heb gewoon gehoord dat Nederland heel mooi is."

Dalfsen, Grambergen. Bij Nieuw-Amsterdam staat de trein lang stil. Milad wordt ongeduldig. "Hoe lang nog? We zijn moe. We hebben nauwelijks geslapen, meer dan 120 kilometer gelopen". Dat laatste vangt Nawras op. Hij schudt heftig van nee: het zijn er véél meer. Ze komen tot een compromis: 300 kilometer. Ook goed. Ik streep '120' door, Nawras knikt goedkeurend.

Naast Domino's Pizza's staan in het piepkleine stationshalletje van Emmen tien mensen met knuffelberen en bananen op hen te wachten. Er is ook koffie en thee, er zijn stroopwafels, Milad pakt uit een stapel tweedehandskleren op de vloer een zwarte fleecetrui en trekt hem meteen aan.

Een week geleden begonnen Tom van den Hemel (68) en zijn vrouw Alberta (54) samen met andere vrijwilligers uit de Emmense kerken en het Leger des Heils dit ontvangstcomité. "Het liep uit de hand, ze overnachtten hier, deden hun behoeften in de bosjes", zegt hij. "We blijven tot de laatste trein van half twee. Er is dan een speciale bus voor ze geregeld."

Buiten, bij de bushalte van lijn 73 naar Ter Apel, voegen Milad, Nawras en de drie anderen zich bij een grotere groep vluchtelingen. Veel Afrikanen, nog meer Syriërs, er is ook een jong Albanees echtpaar dat in Duitsland werd afgewezen. Ze roken de ene sigaret na de andere. De stemming is uitgelaten. Er wordt veel gelachen. Helemaal als twee vrienden, met wie ze uit Al-Suweyda waren vertrokken en die ze in Hongarije kwijtraakten, uit het station komen lopen. Ze hadden de afgelopen dagen via hun telefoons contact gehouden. Opgewonden delen ze hun ervaringen met elkaar.

De twee kwamen via Hannover Nederland binnen. "Duitsland is vol", zegt een van hen, Tammam Apassl (25). Hij hoorde ook van neonazi's in Hamburg die asielzoekers aanvallen. "In Nederland heb je die niet. Hier is iedereen nice."

Opeens verschijnt er een klein, schichtig vrouwtje met wit haar. "Jezus is je vriend", zegt ze, tegen niemand in het bijzonder. Ze houdt folders in haar hand in een taal die er Ethiopisch uitziet. Nieuwe Testamenten in het Arabisch heeft ze ook, maar ze deelt het allemaal niet uit en loopt met zoekende blik weer door, naar het station.

Nu komt Alberta van den Hemel bij ze staan. "Mevrouw! Ik heb een vraag!" roept Nawras. "Als de oorlog in Syrië voorbij is, worden wij dan gedwongen om weer terug te gaan?"

Alberta houdt zijn handen vast. "Niemand kan in de toekomst kijken... Wanneer is een oorlog echt voorbij? Misschien vind je wel een mooi Hollands meisje..."

Nu staan ze allemaal om haar heen. Median Othman (20) laat haar foto's zien op zijn mobiel. Foto's van hem en vrienden aan de waterpijp. Van zijn familie. Negen broers en zussen telt Alberta. "Mis je ze niet? Je moeder kijkt zo verdrietig. Och jongen... Nu begin je te huilen. Kom hier. Today I mum!"

Kwart over negen. Het is al donker als we uit de bus stappen op een bruggetje waar twee kanalen bij elkaar komen. Ter Apel. Het ziet er hier verlaten uit, nergens is een café of enig leven te bekennen. De chauffeur wijst een richting uit: na het viaduct rechts. En weg is hij.

We lopen langs een kanaal. Een halve kilometer, dan gaan we onder een provinciale weg door. Een viaductje van niks. Pal daarachter gaat een nauw ventweggetje voor tractors naar rechts. Is dit wat de chauffeur bedoelde? Nergens zijn aanwijzingen. Na enige deliberatie slaan ze de ventweg maar in. Langs aardappelvelden gaat het. Twee giertanks. Maïsvelden, manshoog. In de verte zijn vaag wat lichtjes te zien. Is het daar?

Intussen wil Tammam weten of er ook psychologen in het kamp zijn. Zijn vriend Eyad Aljaram (26), legt hij uit, heeft last van 'psychology'. Eyad knikt en wijst naar zijn linkerwang. Het gebeurde drie maanden geleden, hij denkt er nog elke nacht aan. Mannen van Al-Nusra hadden hem op de knieën gedwongen, een pistool op zijn hoofd gezet en een smak geld geëist. Dat geld had hij niet. De kogel ging door zijn wang, niet door zijn slaap. In het donker is een litteken moeilijk te zien, de baardgroei lijkt wel minder.

Na zo'n anderhalve kilometer komt er een afslag naar links. Aandachtig bestuderen de vluchtelingen een groot geel bord met 'COA' erop. De weg lijkt niet echt ergens heen te gaan. Ze besluiten door te lopen. Iets verderop is een ingang met slagbomen en een hek. Ze lopen ernaartoe, maar er gebeurt niets. Een zwarte Mercedes komt aangereden, een vrouw die eruitziet als een beveiliger stapt uit, zegt 'goedenavond' en meldt zich bij het kastje naast de slagbomen.

"Waar moeten we zijn?" vraagt Nawras. De vrouw haalt haar schouders op. Niet hier, kennelijk.

Na een paar honderd meter is er weer een afslag. Er is geen enkel bord, maar ze gokken erop dat dit de goede afslag is. Ze lopen nu een terrein op met links en rechts lage stenen gebouwen. Ze komen bij een bord: 'COL links, POL rechts'. Ze hebben geen idee wat dat betekent, slaan op goed geluk maar rechtsaf. Langs hoge hekken met daarachter barakken en vluchtelingen die verveeld rondlopen. De weg blijkt dood te lopen tegen een hek. Het lijkt een soort fuik. Er staat iets wat op een partytent lijkt, zo'n twintig andere vluchtelingen staan er te roken. Ook zij steken er dus maar een op.

Aan de andere kant van het hek komen bewakers naar ze kijken. Twee van hen openen uiteindelijk het hek en komen naar ze toe. "Only new refugees!" roepen ze. "Opstellen in rijen van twee!" Kinderen en koffers worden op schouders gehesen. De bewakers tellen: 38 vluchtelingen. De een gaat vooraan staan, de ander achteraan. "Jullie kunnen lopen", kraakt een vrouwenstem in de walkietalkie van een van de bewakers. Als een schoolklasje lopen we een heel eind terug, slaan dan rechtsaf.

Bij een gebouw met gele bakstenen en blauw-rode kozijnen houden we halt. Het is elf uur. Er is een parkeerplaats en een huisje met een pinautomaat. Een hek gaat open, we lopen een binnenpleintje op, het hek gaat weer dicht. Roken. Wachten. Een hek naar een ander binnenplein gaat open. Sluit direct weer achter hen - ik moet achterblijven. Milad en Nawras trappen hun sigaretjes uit en lachen een tikje nerveus naar me. Dan verdwijnen ze in het gebouw.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden