Amsterdam: voorbeeld voor de rest

Wilhelmina zag het niet zitten en een christelijke meerderheid in het parlement evenmin. Maar toch kwamen ze er, de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam. En hoe.

Dat de Olympische Spelen in 1928 in Nederland plaats vonden, is achteraf gezien een wonder geweest. Luisterend naar de bijdragen in het voorafgaand Kamerdebat van de christelijke meerderheid, zullen sommigen spreken van een godswonder. Want wat lagen er in de aanloop naar de Spelen van Amsterdam veel beren op de weg.

Een organisatie die aanvankelijk louter liefhebbers en geen enkele beroepskracht telde. Een voorbereiding die pas drie jaar voor de openingsceremonie van de grond kwam. Zware concurrentie van Rome en Los Angeles die vonden dat zo’n groot evenement bij zo’n kleine stad (Amsterdam) niet in goede handen was. Lauwe reacties bij het Nederlandse publiek. Een vorstin (Wilhelmina) die geen enkel gevoel voor de sport en de Spelen had. Een voorzittersfunctie die na de plotselinge dood van baron ’Frits’ van Tuyll van Serooskerken in 1924 heel lang vacant bleef omdat er geen geschikte – adellijke – opvolger te vinden was. Financiering die maar niet van de grond kwam. Gedonderjaag over de aanwijzing van Jan Wils als architect van het Olympisch Stadion, het uit baksteen en beton opgetrokken resultaat waar kenners niet meteen warm voor liepen. En ... zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Maar alle heisa en rompslomp rond dit topevenement in de nationale sportgeschiedenis verbleken bij de wijze waarop de politiek zich bemoeide met de Spelen. Allereerst werd het idee van het organisatiecomité om geld in te zamelen via een grote loterij, door minister Colijn van financiën ’om principiële redenen’ van tafel geveegd: wonderlijk want de rijksoverheid streek in die tijd zelf 6,5 ton per jaar op via de Staatsloterij.

Overigens was de oud-militair Colijn zeker niet gekant tegen sport, want hij stelde voor om de organisatie één miljoen gulden subsidie te verlenen, uitgesmeerd over vier jaar. Daar kwam Colijns eigen ARP-achterban (ondanks zijn toezegging dat er geen wedstrijden op zondag zouden worden gehouden) tegen in het geweer, want die vond de Spelen maar een ’heidens’ gedoe. De dag des Heeren zou worden ontheiligd en met zo veel buitenlanders tijdens het toernooi zou de zedeloosheid in Amsterdam toenemen.

Van Colijn, zo stellen Ruud Paauw en Jaap Visser in hun meesterlijke ’Model voor de toekomst - Amsterdam, Olympische Spelen 1928’ fijntjes vast, is in relatie tot de Spelen sindsdien niets meer vernomen. Het subsidievoorstel werd uiteindelijk ferm verdedigd door onderwijsminister De Visser (CHU) die ook sport in zijn portefeuille had.

Tachtig jaar na de Spelen van Amsterdam staan Paauw en Visser in hun lijvige boek uitvoerig stil bij het gevecht in de politieke arena. Uit de Kamerverslagen en de discussies in de media schetsen zij het beeld van een confessioneel front dat zich teweer stelde tegen de verstoring van de zondagsrust, de dreigende zedeloosheid die de komst van zo veel buitenlanders met zich mee zou brengen en de overdreven aandacht voor sport.

ARP-woordvoerder Scheurer benadrukte dat de Olympische Spelen in wezen ’een heidensch karakter’ in zich droegen en waarschuwde dat de sport bij de jeugd ’op zeer bedenkelijke wijze de hartstochten in beweging’ bracht. Ouders moesten strijden tegen de zuigkracht van het tennis- en voetbalveld, die de kinderharten van de jeugd trok ’naar eer, roem en persoonlijke verheerlijking’. Ook maakte hij er zich zorgen over dat sport meer en meer werd beoefend door vrouwen in ’korte rokken, dunne kleiding en met bobbed (kortgeknipt, red.) hair’.

Partijgenoot Visscher deed er nog een schepje bovenop en fulmineerde dat ’de sport is ontaard in een sportmanie en minderwaardig aan wat ze in Oud-Hellas was’. Tegenwoordig was sport een ’uiting van brute kracht, een kermis der ijdelheid’, vond Visscher en hij vroeg zich af hoe een regering die prijsstelt op de naam ’christelijk’, maar liefst ’tien tonnen gouds’ aan een sportevenement wil uitgeven in een tijd ’waarin zij zelfs voor de allernoodigste en allernuttigste geen geld heeft’.

Politieke geestverwanten van CHU-minister De Visser waarschuwden in hun lijfblad De Nederlander tegen de verstoring van de zondagsrust en verzetten zich tegen ’het overdrijven van het sportleven’. Dat er een miljoen werd uitgegeven aan sport terwijl zo veel mensen tevergeefs een beroep deden op overheidssteun, was ook voor de CHU-aanhang niet te verteren. Over ontheiliging van de zondag maakten de katholieken zich niet druk. Maar wel maakten zij bezwaar tegen de sportsubsidie, terwijl er op gebieden als onderwijs, wetenschap en woningbouw bezuinigd werd.

Ook de aanwezigheid van vrouwelijke deelnemers bleef niet onbesproken. Het idee dat zij hun blote armen en benen zouden laten zien en zelfs hun bovenkleding zouden uitdoen, zou mannen het hoofd op hol kunnen brengen: ’Een vrouw, door de sportmanie aangegrepen en meegesleurd, verliest haar gevoel voor kieschheid. Dat wat haar siert, dreigt te verdwijnen’, citeert Bert Hiddema, die in ’De Olympische Spelen - Amsterdam 1928’ met het foto-archief van Spaarnestad ook een (prachtig) boek samenstelde.

Het regeringsvoorstel haalde het niet. De ’eigen’ coalitie van de katholieke RKSP, de gereformeerde ARP en de hervormde CHU hield met steun van de Communistische Partij, de SGP en de Plattelanders Bond de knip op de staatskas (48-36). De rijksoverheid zou geen rooie cent bijdragen. Nederland, zo concludeerde het socialistische dagblad Het Volk, had zich weer eens een raar volkje getoond: ’de Chinezen van Europa’.

Daarmee waren de Spelen in Amsterdam niet van de baan. Het Nationaal Olympisch Comité werd nu pas echt actief en riep ’het hele volk’ op een bijdrage te leveren. Anders zou Nederland ’degraderen tot de klasse der internationale klaploopers’. De geldstroom kwam op gang, met giften uit binnen- en buitenland: van een Amerikaanse kauwgomfabrikant tot middelbare scholieren, van sportbonden tot Jaminwinkels waar van elke vijf cents chocoladereep één cent naar het NOC ging. Resultaat: anderhalf miljoen in twee weken tijd.

Ondanks deze lamentabele voorgeschiedenis zijn de Spelen van 1928 de geschiedenis ingegaan als een lichtend voorbeeld voor volgende comités die het evenement moesten organiseren. Ruud Paauw en Jaap Visser noemen ’Amsterdam’ een mijlpaal in de olympische geschiedenis. Hier gebeurden dingen die nu niet meer weg te denken zijn in het olympisch ritueel en het olympisch programma.

Zo deden in 1928 voor het eerst vrouwen mee aan de atletiek en het turnen, toch de hoofdonderdelen van de Spelen. Tot die tijd telden vrouwelijke deelnemers amper mee, vooral dankzij de uit de Victoriaanse 19de eeuw voortgekomen bedenker van de Olympische Spelen, de Fransman Pierre baron de Coubertin. Die had ronduit een aversie tegen sportende vrouwen, die ’zondigen tegen de wetten van de natuur’. De Spelen moesten van hem het domein van de man blijven, want het contact van de mannelijke atleet met vrouwelijke atleten heeft ’een slechte invloed op hem’. Het verzet verminderde na het aftreden van De Coubertin als IOC-voorzitter in 1924, al werd de 800 meter atletiek meteen weer geschrapt omdat er zoveel dames ’uitgeput’ over de streep kwamen.

Ook de in Amsterdam geïntroduceerde olympische vlam en de opening van het defilé door de Griekse delegatie zijn niet meer weg te denken bij de Spelen, net zo min als het compacte programma. De Spelen van 1928 waren zo goed en zo grondig, dat de voorzitter van het Amerikaanse Olympisch Comité (de later zo beroemd geworden generaal Douglas Mac Arthur) ze aanduidde als ’a model for the future’. ’Amsterdam’ was een model voor de toekomst. Misschien zelfs voor de Spelen van 2028. Opnieuw in Amsterdam?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden