Amsterdam, publieke schatkamer

Dat de Gouden Eeuw zonder de rijkdommen van de Oost en West nooit mogelijk was geweest, dat wisten we al. Het Rijksmuseum laat nu zien hoe de exotische voorwerpen in de Hollandse interieurs en keukens integreerden.

In Amsterdam is zo'n overvloed aan graan, wijn, hennep, vlas, hout en specerijen. Alsof de rijkdom uit alle delen van de wereld hier is verzameld om van Amsterdam een publieke schatkamer te maken.' Dat schreef Johann Albrecht von Mandelslo, een Duitse avonturier, in 1639 bij zijn bezoek aan de belangrijkste handelsmetropool van dat moment. Die schatkamers waren niet alleen te zien in de pakhuizen, ook de huizen en de magen van de burgers vulden zich langzamerhand met exotische producten.

Op de schilderijen van die tijd vallen die 'vreemde' voorwerpen ons nauwelijks nog op. Kijk bijvoorbeeld naar de 'Musicerende familie', geschilderd in 1663 door Pieter de Hoogh. Inderdaad, een rijke musicerende familie, in een statige woonkamer. Pas als je beter kijkt, zie je het Chinese porselein op de grote kast, en een Perzisch tapijt nonchalant over de tafel gedrapeerd.

Willem Kalf

Ook de prachtige stillevens van Willem Kalf (twee zijn tijdelijk vanuit Madrid in Amsterdam te gast) laten subtiel de exotische invloed zien. Kalf koos niet de allernieuwste schalen, maar juist de oudere modellen, gevuld met citrusfruit en verdekt opgesteld naast glimmende zilveren kannen.

Vanuit de Zuidelijke Nederlanden kwamen, sinds de blokkering van de Schelde, veel handelslieden naar Amsterdam. Een op de drie inwoners was immigrant. Mensen die, meer dan de ingetogen noorderlingen, gewend waren hun rijkdom te tonen. En de Aziatische producten waren in de zeventiende eeuw op allerlei manieren te krijgen. De VOC organiseerde zelf openbare veilingen, er waren markten waar complete inboedels te koop waren na een faillissement. Daar vond je 'tweedehands' de mooiste keramiek, het beste lakwerk en de meest zeldzame schelpenverzamelingen.

Naast de veilingen waren er ook speciale winkels waar je de 'Oost-Indische waren' kon kopen, en er waren aparte 'porseleynvercopers'. Hoewel er weinig gegevens zijn over hoe die winkels er van binnen uitzagen, moeten ze grote aantrekkingskracht hebben gehad. Maria de Médici, de vrouw van de Franse koning Hendrik IV, bezocht in 1638 Amsterdam om Aziatische rariteiten te kopen bij die winkels. Veel van de winkeleigenaren waren eerst als handelaar in de Oost geweest, en profiteerden van hun daar opgedane kennis. Hoewel het voor VOC-medewerkers verboden was om spullen voor privaat gebruik mee te nemen, was er geen controle op die regel. In een brief, geschreven door Maria Scherius in 1672 aan haar zoon in Batavia, vraagt ze of hij daar fijne mousseline kon krijgen. 'En als die niet voor een redelijke prijs te krijgen waren, zou ik ze niet willen hebben. Als er niet wat winst op te halen is, waarom dan de moeite, het gevaar en de onkosten?' Haar zorg was waarschijnlijk onterecht, want de winst die te behalen viel, was enorm: twee grote Japanse kamerschermen, ter plaatse gekocht voor 200 gulden, gingen in Amsterdam voor 750 gulden over de toonbank.

Poppenhuis

Het poppenhuis van Petronella Oortman uit de collectie van het Rijksmuseum laat mooi zien hoe de Aziatische spullen onderdeel werden van het dagelijkse leven. Tussen 1686 en 1710 maakte Oortman, echtgenote van handelaar Johannes Brandt, een replica van een Amsterdams grachtenhuis. In vrijwel elke kamer, van kelder tot zolder, is wel iets Aziatisch te ontdekken. Zo staan er Japanse kwispedoren naast de leunstoelen in de woonkamer, in de gang naar de keuken hangen vijf Chinese potten, en op de gordijnen staan papegaaien en andere exotische vogels. Zelfs de bedden zijn bedekt met Indiase sits-spreien.

Natuurlijk probeerden de Hollanders de exotische producten ook na te maken, met wisselend succes. De Japanse lakkasten waren bijzonder in trek, maar technisch onmogelijk te reproduceren. Een Nederlandse meubelmaker maakte tussen 1660 en 1680 een eigen variant, met heel symmetrische bloemdecoratie van koperpoeder, met een on-Hollandse glimmende lak. Het resultaat, nu in het Rijksmuseum te zien, heeft weinig overeenkomsten meer met het Japanse voorbeeld, het is, met z'n opzichtige glimmende decoraties, vooral kitscherig.

Ook van het Chinese porselein was tot in de achttiende eeuw niet bekend hoe het gemaakt werd, maar de Delftse pottenbakkers namen wel de motieven over van hun Oosterse collega's. Opvallend is dat het Chinese porselein over de hele Hollandse bevolking verspreid raakte, van hoog tot laag. Zo is uit de inventarissen van het Amsterdamse Burgerweeshuis op te maken dat ene Grietje Roelofs, verder niet bijzonder rijk, in 1635 wel vier 'Oost-Indische schoteltjes' bezat.

Ook de specerijen bereikten alle lagen van de bevolking: zelfs de beheerders van het weeshuis gebruikten ze om de maaltijden voor de wezen meer smaak te geven. Uit opgravingen weten we dat ook in de keukens van gewone herbergen specerijen werden gebruikt. Kruidnagel, koriander, kaneel en gember werden vaak gemengd met honing toegevoegd aan de zure witte wijn, nootmuskaat en kruidnagel kwam in het brood. Net als de thee en de daarbij horende serviezen en ceremonies is die verbreding in de smakenhorizon uit de Gouden Eeuw nog merkbaar tot de dag van vandaag.

'Azië - Amsterdam. Luxe in de Gouden Eeuw'. Tot 17 januari 2016 in het Rijksmuseum, Amsterdam.

De verzamelwoede van Amalia

Op het familieportret, gemaakt door Gerard van Honthorst in 1647, is het met enige moeite zichtbaar: Amalia van Solms draagt een parelketting en parel-oorhangers, opgedoken uit de Golf van Mannar bij Sri Lanka. De vrouw van stadhouder Frederik Hendrik stond erom bekend dat ze graag veel geld besteedde aan mooie dingen. Ze had een voorkeur voor keramiek, sieraden, kunst en meubels die afkomstig waren uit de verre streken die de VOC onder controle hield, en stelde die op in de paleizen. De stadhouder had weliswaar geen directe functie binnen de handelsonderneming, hij kreeg wel tien procent van elk 'vijandig' schip dat de VOC buitmaakte. Amalia kreeg van de VOC ook geschenken, zoals een balustrade van Japans lakwerk, die uiteindelijk in haar slaapkamer in Huis ten Bosch terechtkwam. In de Oranjezaal van datzelfde paleis (die tot 30 december gratis te bezichtigen is) schilderde Jacob van Campen in opdracht van Amalia een gigantisch trompe l'oeil met een triomfstoet met geschenken uit Oost en West. Een groot deel daarvan komt uit Azië: van een enorme Chinese zestiende-eeuwse pot tot een kakatoe uit Nieuw Guinea of Australië. Na haar dood kregen Amalia's dochters haar verzameling keramiek, en zo gaven ze ook de verzamelwoede door. Prins Frederik van Brandenburg, Amalia's kleinzoon, liet zelfs een hele vleugel in zijn Berlijnse paleis, Schloss Oranienburg, inrichten met het porselein.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden