Amsterdam groeit uit tot internationale muziekstad

De 'Stradivarius' onder de Nederlandse concertzalen. Zo noemt Martijn Sanders de muziektempel aan de Amsterdamse Van Baerlestraat: het Concertgebouw. Zonder overdrijving gekarakteriseerd, maar wel wat bescheiden. Waar ter wereld staat zo'n Stradivarius meer? In april aanstaande is het 110 jaar geleden dat het gebouw werd geopend. 'Al 110 jaar klassiek' kan het Concertgebouw dan ook terecht als motto voeren. In de laatste tien jaar, vanaf het moment van het eeuwfeest toen de grondige renovatie en de uitbreiding aan de zuidelijke zijgevel klaar waren, hebben zowel de artistieke en zakelijke invulling een hoge vlucht genomen.

Dat bewijst de dikker dan ooit brochure voor het seizoen 1998-99 waarin de 33 series van de eigen programmering zijn opgenomen plus de overvloedige hoeveelheid advertenties en sponsorvermeldingen. In de brochure wordt die ondersteuning vanuit het bedrijfsleven voor het eerst apart onder de aandacht gebracht in een soort verdedigende verklaring: 'Zonder hun substantiële bijdrage zou het Concertgebouw weer enkele dagen van de week en de gehele zomer gesloten zijn (dan worden de gesponsorde zomerconcerten gegeven -S.); was er geen serie Grote Solisten, Wereldberoemde Symfonieorkesten.....' en vervolgt de tekst '....tenzij we zouden besluiten de toegangsprijs met ongeveer 50 pct te verhogen'.

Tegen de roep dat het Concertgebouw zowel elitair als duur zou zijn, verweert directeur Sanders zich, zoals bij de recente seizoenspresentatie, nadrukkelijk. Het is inderdaad niet niks, 770 gulden voor een abonnement (6 concerten) op de Carte blanche-serie, samengesteld door Bernard Haitink. Daarin treden dan wel diverse wereldberoemde ensembles onder zijn leiding op, zoals het hele gezelschap van de Koninklijke Opera Covent Garden uit Londen met een concertante 'Die Walküre', de Berliner Philharmoniker met onder meer de vierde symfonie van Mahler, of de Wiener Philharmoniker met Bruckner 8. Losse kaarten voor deze evenementen komen op 250 gulden.

Sanders stelt daar tegenover dat hij met de zestig zomerconcerten (30 gulden) en de veertig concerten op zondagmorgen (25 gulden), allebei alleen losse verkoop, wel degelijk ook de muziekliefhebber met een smalle beurs ziet staan. Hij wijst er overigens op dat juist de duurdere series constant uitverkocht zijn, zoals die van de Grote Solisten (430 gld, zes concerten, komend seizoen van sopraan Jessye Norman tot violist Jevgeni Kissin). En het zijn niet alleen de volle sterren, maar ook de 'Rising Stars' zoals een serie van zes concerten in de kleine zaal heet (reikend van Ronald van Spaendonck klarinet tot Jean-Guihen Queyras cello), die onder het dak van de muziektempel mogen optreden; zij kosten 27,50 per concert.

Als noviteiten voor 1998-99 introduceert het Concertgebouw een 'koorserie' (vier concerten, met Kirov, Groot Omroepkoor 2x en Nederlands Concertkoor plus orkesten; 175 gld ) en de serie 'Opera in concert' (vijf concerten, niet de geliefde grote werken, maar zaken als 'Rinaldo' van Hündel en 'Blauwbaard' van Bartók). Waar het Concertgebouw dramatisch in tekortschiet is de programmatie voor het eigen, met veel sponsorgeld gerestaureerde, Maarschalkerweerd-Flentrop orgel.

Weliswaar 110 jaar klassiek, maar in de afgelopen tien jaar haalde Sanders met succes de jazz terug, introduceerde hij in samenwerking met de pop-zaal De Melkweg de zogeheten wereldmuziek (het Amsterdam Roots Festival ), kregen de barokorkesten hun vaste plaats in de grote zaal en werd de moderne muziek er met het Schönberg en Asko Ensemble (serie Tijdgenoten; zes concerten in abonnement 200 gulden) kind aan huis. Wat dat betreft is het Concertgebouw behalve een 'Stradivarius' ook uitgegroeid tot een 'Bijenkorf'.

Het Concertgebouw 110 jaar, dus ook het Koninklijk Concertgebouworkest. '110 jaar toonaangevend' staat er op de omslag van het tijdschriftachtige seizoensoverzicht. Het ensemble viert dat lustrum , tevens de tiende verjaardag van het aantreden van Riccardo Chailly als chef-dirigent, op 3 november 1998 met een jubileum-concert (Wagner 'Wesendonck-lieder'; Bruckner 9).

Er wordt nog iets gevierd: het eeuwfeest van Bach-passie-uitvoeringen op Palmzondag. Riccardo Chailly zal op 26 en 28 maart 1999 zelf de uitvoering van de 'Matthüus' leiden. Komende Kerstmis moet ook het begin worden van een opera-traditie als Kerstmatinee: op 25 december als eerste 'Il tabarro' van Puccini. Maar dit zijn de extra's. Het artistiek beleid zit in de series.

Wie A zegt, moet ook B zeggen. Merkwaardig genoeg zei het Koninklijk Concertgebouworkest al jarenlang B met zijn traditioneel (het grote, vooral romantische repertoire van Beethoven tot Sjostakovitsj met topdirigenten en -solisten) gevulde B-series op woensdag- en donderdagavond. Twaalf concerten die komend seizoen in abonnement 900 gulden kosten, evenveel als in het lopende seizoen. Vijf seizoenen (92-93) terug kocht men de B-serie voor 576 gulden! De hoge prijs komt vooral door de status die de serie geniet; abonnementen blijven zelfs in de familie.

Maar zie: komend seizoen vult het koninklijk orkest eindelijk de A in: Nieuwe A-serie, negen concerten, 315 gulden in abonnement, waar iedereen zonder wachtlijst binnen kan. De A-serie richt zich op 'avontuur en avant-garde' aldus de seizoensbrochure. Hier is het domein van de twintigste eeuw, van Prokofjev en Bartók tot en met Xenakis en onze eigen Otto Ketting en Theo Loevendie. De letter A neemt dan ook de rol over van deelseries waarmee het orkest in afgelopen seizoenen nieuw publiek trachtte te winnen voor nieuwere terreinen van het componeren. De P (première)-serie en T (thema)-serie en eerder de Festival-serie, trokken dat publiek inderdaad aan, maar de programmering kwam nogal verkrampt over. Bovendien wilde het orkest af van het imago dat het vooral het verdere verleden dient; door een modern gerichte A-serie op te zetten die de allure heeft van de behoudende B-serie, ziet het seizoen er evenwichtiger uit.

Deels is dat een cosmetische aanpassing, want je kunt de A-serie in twee kleinere porties afnemen, AI (vijf concerten met veel premières) en AII (vier concerten met thematische trekjes). Dan heeft het orkest nog drie letters uit het alfabet: D , E en Z (alle drie 8 concerten, 500 gulden; alleen Z kent ook de verdeling in twee porties). De Z staat echt voor iets: zondagmiddag. De inhoud van de concerten is sterk gemengd, met allerlei bijzonderheden, zoals Smetana's 'Mijn vaderland' en Dvorak 8 met Harnoncourt, of Mendelssohn en Schubert met Philippe Herreweghe.

Het Nederlands Philharmonisch Orkest legt in zijn seizoensbrochure zeer de nadruk op het Concertgebouw als speelplaats van het ensemble. Achter rood fluwelen gordijnen met enorme kwasten op de omslag openen zich de pagina's met een symfonisch aanbod dat zowel breed, bont als populair mag heten “Toegankelijkheid dragen wij hoog in ons vaandel”, aldus directeur Jan Willem Loot. Onder zijn leiding wist het NedPhO (en het Amsterdams Philharmonisch Orkest waaruit het mede voortkwam) een groot publiek aan zich te binden met de vroegere Albert Heijn-concerten en een praatje tot de zaal door de inmiddels legendarische Anton Kersjes.

Als Nederlands Philharmonisch Orkest en met Hartmut Haenchen als chef-dirigent ontwikkelde het ensemble zich sinds 1986 'van Moldau-orkest tot volwaardig symfonie- en operaorkest' zoals een muziekjournalist dat onlangs omschreef. Het is waar: alle symfonieën van Mahler (behalve de kostbare Achtste) werden bij dit nieuwe publiek geintroduceerd, Bruckner, Richard Strauss (komend seizoen diens 'Alpensymfonie' met Haenchen), maar ook eigentijdse namen als Schnittke (Requiem) en Vasks staan in de hoofdserie op zaterdagavond (10 concerten; 290 gulden in abonnement).

Het NedPhO (samen met het Nederlands Kamerorkest dat vanouds over een eigen, redelijk vast publiek beschikt) probeert een soort doorschuifsysteem uit. Het lokt aan de ene kant een beginnerspubliek naar het Concertgebouw met zogenaamde Kleurrijke series (zes concerten, 165 gld) waarin zelfs Mahler (diens overbekende Eerste) niet wordt gemeden. Directeur Loot: “Het publiek dat doorgroeit in zijn belangstelling verwijzen we naar de Beurs van Berlage; de zaal daar is kleiner en geschikt voor programma's met modernere inhoud en Nederlandse muziek. Dat is ons voordeel: dat we over twee zalen kunnen beschikken.” In de seizoensbrochure staan de series in de Beurs achterin, gemarkeerd door een prachtige foto van de wijzerplaat van de beursklok met de spreuk: 'Beidt uw tijd'.

De NedPhO/Kamerorkest-groep is sinds de restauratie van het Concertgebouworgel in 1992 de enige instelling die er in de abonnementsconcerten solistisch gebruik van maakt: komend seizoen is Marie-Claire Alain bij het Kamerorkest (dirigent Philippe Entremont) op 10 en 13 oktober soliste in Poulencs concert en speelt ze twee solo-stukken. De NedPhO/NKO-groep biedt beslist een aantrekkelijk aanbod als je een prijs-kwaliteit verhouding zou hanteren. Van abonnement omgerekend naar los concert loopt de prijs van 27,50 (Kleurrijke serie) tot 32,50 gulden (Piano-serie en de Najaarsserie). Daarin zitten solisten als sopraan Charlotte Margiono, bas Robert Holl, pianist Christian Zacharias en Marie-Claire Alain en gekwalificeerde gastdirigenten als Marcello Viotti en Alain Lombard.

De voormalige Vara-matinee, nu zonder meer Matinee, bevestigt komend seizoen zijn faam als opera-minnend met een alleszins verrassende Opera-serie, vijf concerten, 330 gulden. Per stuk in abonnement 66 gulden (echt los gekocht 70 of 85 gulden afhankelijk van het werk), wat er uitspringt bij een instelling die zich vanouds in dienst stelt van inkomensgroepen uit het midden. Maar opera is nu eenmaal duur. En de Matinee zal menig belcanto hart aanspreken om de portemonnaie toch maar te trekken. Te verwachten zijn: 'Tannhüuser' van Wagner met Edo de Waart als dirigent, 'Lucia di Lammermoor' (dat is lang geleden dat die in Amsterdam ging!) van Donizetti met Kees Bakels en Luba Orgonasova als Lucia, 'Norma' (hetzelfde geval) met Bakels, 'Iphigénie en Tauride' van Gluck met Minkowski, en 'Benvenuto Cellini' met Gergjev.

De Matinee heeft twee symfonische series, genoemd A (negen concerten, 225 gld) en B (acht concerten, 200 gld) die op de bekende spannende Matinee-manier zaken bij elkaar plaatsen bijvoorbeeld Bruckners Zesde symfonie met een nieuw werk van Jan van Vlijmen. Of 'Rain, steam and Speed' van Peter van Onna met 'Concert voor orkest' van Bartók. Er zit veel Sibelius in de B-serie.

Om zich te onderscheiden van allerlei barok-series biedt de Matinee een Classicisme-serie die komend seizoen toch veel barok laat horen! Monteverdi, Schütz en Bach figureren evenwel naast bijvoorbeeld Beethoven (diens Negende symfonie met Philippe Herreweghe en zijn combi van Champs-Elysées, Collegium vocale en Chapelle royale) en de romantische Deense componist Niels Gade (samen met muziek van Berwald en Van Bree door Anima Eterna geleid door Jos van Immerseel). Een serie die negentiende-eeuwse composities dus op negentiende-eeuwse instrumenten laat klinken. De prijs-kwaliteit verhouding van deze serie (zes concert voor 175 gulden) met de serie Wereldberoemde Barokorkesten van Het Concertgebouw (zes concerten voor 285 gulden) valt duidelijk in het voordeel van de Matinee uit.

Eén specialiteit raken de actieve programmeurs van Het Concertgebouw niet aan: het piano-recital in de grote zaal. Dat is het werkterrein van het impresariaat Riaskoff die elf jaar geleden een zeer diep gewortelde traditie overnam: de befaamde serie Meesters aan het klavier van de toenmalige Concertdirectie Dr De Koos. De huidige programmeur, Marco Riaskoff, legt zich in het verlengde daarvan toe op de eigen wereld van de traditionele piano-cultuur van het solo-recital op doorgaans een Steinway-vleugel. De tien concerten (alle tien 410 gulden; er zijn twee onderseries van vijf) bieden een doorsnee van jong tot oud aan de internationale top. Komend seizoen Alfred Brendel, Mitsuko Uchida, György Sandor, Igor Roma, Anna Kravtchenko, Ivo Pogorelic, Grigory Sokolov, Richard Goode, Krystian Zimerman, Enrico Pace. Bij de componistennamen verschijnt tweemaal Bach (Sandor en Roma) en de nog oudere Byrd (Sokolov). Opvallend afwezig is eigentijdse klaviermuziek.

Over de 'oude' vleugel, fortepiano genoemd, ontfermt Het Concertgebouw zich komend seizoen voor het eerst structureel met een aparte serie. Vijf concerten in de kleine zaal, 200 gulden. Niemand minder dan Gustav Leonhardt opent deze noviteit, niet op een fortepiano maar het superzachte en genuanceerde clavichord. Na hem volgen Ronald Brautigam (Mozart-Schumann), Andreas Staier (Clementi-Schubert), Melvyn Tan (uitsluitend Beethoven) en Jos van Immerseel (heel Grieg-programma).

In de afgelopen tien jaar zette een ander impresariaat, het concertmanagement Rob Groen, zich in voor buitenlandse orkesten, niet uit de beroemde eredivisie, maar doorgaans uit de eerste divisie. De komende jubileum-serie biedt er vijf, waarbij het Bruckner Orkest Linz (met Bruckner 7). De jonge Nederlandse violiste Floortje Schilt krijgt met het Staatsorkest Frankfurt de kans te schitteren in het vioolconcert van Katsjatoerian. De serie kost 125 gulden en biedt een breed, vooral romantisch programma, met ook Hündels 'Messiah' door orkest en koor uit Boedapest.

In het Muziektheater toont De Nederlandse Opera tien producties, van Monteverdi tot aan Stravinsky. Het komende seizoen heeft in diversiteit en kwaliteit het niveau van een festivalprogrammering. Sommige producties, zoals Stravinsky's 'The Rake's Progress' (regie Peter Sellars) komen voort uit internationale samenwerking.

Dit enorme conglomeraat wordt omgeven door een netwerk van zalen en kerken die iets speciaals te bieden hebben. De Beurs van Berlage aan het Damrak is niet alleen het huis van NedPhO/NKO voor repetities en concerten, ook het Nederlands Kamerkoor heeft er zijn serie ondergebracht. Sinds jaar en dag koestert het cultureel centrum De IJsbreker aan de Weesperzijde de avant-garde muziek voor kleine ensembles; plannen voor een echt goed geoutilleerd groter centrum bestaan al lang, maar de realisatie laat op zich wachten. Paradiso vult de nieuwe muziek aan met hoogwaardige Prom-concerten. Nieuwe muziek is ook te horen in het Stedelijk Museum. De Posthoornkerk (Haarlemmerhouttuinen) fungeert niet alleen als het huis voor het Koor Nieuwe Muziek, maar de prachtig klinkende ruimte biedt vele beroeps- en amateurkoren een podium. Oude muziek gedijt in vele kerken, waarbij de Westerkerk (met de Nederlandse Bachvereniging), de Engelse kerk (Begijnhof, allerlei barokensembles en koren) en de Waalse kerk (barokensembles, koren, orgel) voorop lopen. De Sint Nicolaaskerk biedt iedere zondag om 17 uur gregoriaans in de vorm van vespers door de befaamde Schola Cantorum Amsterdam. De Uitkrant van Amsterdam (gratis; toezending tegen betaling) geeft maandelijks gedetailleerde overzichten van dit netwerk.

Met het Concertgebouworkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Radio Filharmonisch Orkest als vaste bespelers, het Rotterdams Philharmonisch Orkest als regelmatige gast in het Concertgebouw biedt Amsterdam in wezen hetzelfde als Londen op symfonisch gebied. Met het Orkest van de Achttiende Eeuw, het Amsterdam Baroque Orchestra, het Combattimento Consort Amsterdam, Amsterdamse Bach Solisten en Nederlandse Bachvereniging als grootste elementen in een breder pakket oude muziek heeft Amsterdam zelfs meer te bieden dan menig wereldcentrum. Daar komt volgend jaar mei (1 - 9 mei) nog een jaarlijks te houden barokfestival bij. De rijke hoeveelheid ensembles dat zich met twintigste-eeuwse muziek manifesteert (zoals Schönberg, Asko, Ives, Nieuw Ensemble) geeft mede aan dat Amsterdam in muziek internationaal aan de top staat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden