Amper verf en veel lijf op de Biennale

De Biennale van Venetie duurt t/m 10 oktober, in de Giardini en diverse plaatsen in de stad. Dagelijks 1118 uur, di gesloten. De officiele catalogus (twee delen) kost 120.000 lire (ca. f 144).

Pezzatini staat buiten de Giardini en behoort daardoor niet tot de groep van officiele deelnemers aan deze reusachtige manifestatie. Sterker nog: hij wordt volslagen genegeerd door de Biennale-organisatie, krijgt nergens een vermelding. Toch is wat Pezzatini met zijn lijflijke actie onderneemt, representatief wat elders op deze 45ste Biennale van Venetie is te zien. Een verslag van een driedaags gekkenhuis.

Woensdag. De ochtend is nog jong, de lucht boven het Canale di San Marco heiig, als de vaporetto van lijn 1 de eerste bezoekers bij de Giardini afzet. Ondanks het feit dat er nog een stevig uurtje gewacht moet worden, slibt het terras van Bar Paradiso binnen de kortste keren dicht en is het wachten en wachten op de eerste koude espresso. Het met een luttele hoeveelheid tafeltjes bezette tuintje blijkt elke keer te klein voor de menigte bezoekers van de Biennale, maar nooit is er aan gedacht hier meer ruimte te bieden. Het handjevol obers reageert er even nukkig op als de Biennale-organisatie dat zelf doet: als ze onder druk komen te staan, geven ze eenvoudig niet thuis. Zonder koffie derhalve in de rij voor het smalle toegangshek dat om elf uur moet opengaan, maar om onverklaarbare reden pas een half uur later van slot gaat. Het aantal bezoekers bedraagt dan een kleine duizend ongeduldigen die wapperend met hun groene uitnodigingskaarten een eerste stormloop op de carabinieri onderneemt. Dit jaar heeft de Biennale heuse politie laten aanrukken, wellicht als gevolg van de dreigementen dat de mafia hier zijn slag zou willen slaan. De opgeblazen vleugel van de Uffizi in Florence is ver weg, maar ook een waarschuwing dat juist de cultuur in dit van kunst doordrenkte land een prachtig doelwit voor acties vormt.

De aanwezigheid van de geuniformeerde politie werkt als de befaamde rode lap op het langzamerhand over zijn toeren geraakte publiek dat om half twaalf eenvoudig de entree neemt, omdat wachten een zinloze daad is. Dat belooft wat voor de tentoonstelling die als altijd in een vermoeiende chaos zal ontaarden! En wat als eerste te zien, nadat de verloren knopen zijn geteld en de kreukels zijn strak gestreken? De natuurlijke wandeling loopt vanaf de ingang naar het Italiaanse paviljoen waar een koppeltje meisjes pogingen ondernemen om de pers te accrediteren. Dat levert binnen twee minuten een rij van anderhalf uur wachten op, voor de buitenlandse pers evenwel, want de Italianen gaan opzij naar binnen waar ze met een gratis catalogus worden ingepakt, hun buitenlandse collega's in verbijstering achterlatend die het boekwerk voor anderhalf honderd gulden mogen aanschaffen.

Nee, niet gewacht in deze rij, als de tijd spaarzaam is en zoveel interessants in de verschillende landenpaviljoens is te zien. Het Nederlandse paviljoen staat op een cruciale plaats, naast het centrale, Italiaanse paviljoen en in het straatje met Belgie en Spanje. Robert de Haas, directeur van de Rijksdienst Beeldende Kunst en Jan Debbaut, de Vlaamse museumdirecteur uit Eindhoven en samensteller van de Belgische en Nederlandse inzending, hebben geen positief woord verkeerd gezegd over de respectieve deelnames. Niek Kemps heeft samen met Debbaut het Rietveld-paviljoen een metamorfose laten ondergaan. Was hier eerst sprake van een grote, hal-achtige ruimte, nu hebben ze de zaal in tweeen gedeeld en treedt het licht veel indirecter binnen. Deze radicale ingreep verandert de sfeer in het paviljoen volkomen. Ze gaat op in de veranderingen in het werk dat ook zo onherkenbaar is geworden. Waar Kemps ooit werkte met gekleurd, transparant glas, heeft hij nu over kastachtige vormen een geplooide huid gelegd, die half strak, half slordig afhangt. De architectonische vormen staan er een beetje bloot bij, ze nodigen uit om te worden aangeraakt, betast, bestreken, om de korrelachtige structuur lieflijk te aaien.

Raadselachtiger dan de statisch aandoende beelden van Kemps zijn de houten piano's van Jan Vercruysse die zonder poten op een houten skelet rusten. Daar tussen door kruipen schildpadden die een (wereld)bol voortrollen. Ook Vercruysse is een nieuwe weg ingeslagen, nog maar kort maar geleden maakte hij als meubel herkenbare installaties van kasten, dozen, lijsten, zoals al eerder te zien was op het 'debutantenbal' Aperto dat onderdeel van de Biennale vormt.

De door Jan Debbaut voorgestane keuze voor Kemps en Vercruysse blijkt, als je de andere paviljoens bekijkt, hoogst actueel te zijn. De belangstelling voor de materiele verschijning van het beeld, het tastbare en fysieke van hun installaties, kenmerkt veel werk op de Biennale. De voorbeelden zijn er, goed zowel als slecht, op een steenworp afstand te vinden. Steek het pad naar het centrale paviljoen over en je komt bij het gezamenlijke Scandinavische paviljoen waar de Zweed Truls Melin dit mooie, half open en heel 'natuurlijke' (bij de bouw werden de aanwezige bomen gespaard) paviljoen vult met foeilelijke schijn-kasten die weliswaar intrigeren doordat je een verstolen blik in het binnenste kunt werpen, maar die dan louter loze vorm te bieden hebben. Volstrekt loos, maar ook curieus is de Israelische inzending. Die bestaat uit een plantenkas waar een kibboetsbewoner in een waterbak dozen met plantjes laat drijven. Aan de zijkant worden de wortels weggeknabbeld door slanke visjes met honger. Eco art heet zo iets en het wil de maatschappelijke belangstelling van de kunstenaar aantonen.

Terug dan maar weer naar de kwaliteit. Bij de Duitsers laat Hans Haacke een ademstokkende installatie zien. In de narthex van de tempelachtige ruimte hangt een foto van Hitler die in gezelschap van een groep fascisten de Biennale van Venetie van 1934 bezocht. Loop je door dan word je overrompeld door het harde geluid van vallend gesteente. De hele marmeren vloer van het paviljoen is aan diggelen gehakt, de bezoekers wankelen vol twijfel door de ruimte. Op de achterwand heeft Haacke in sierlijke letters G e r m a n i a geschreven. Het oude Duitsland aan scherven, het nieuwe Duitsland nog niet eens geboren? Typerend is dat Duitsland deze fascistische tempel die oorspronkelijk aan de Bondsrepubliek toebehoorde, heeft behouden en dat de DDR zijn eigen vestiging elders in de Giardini kwijtraakte. De Oostduitsers brachten meestal expressionistische schilders, de Westduitsers zochten het vaak in het verleden. Dit keer wordt het drama van het voormalige nazi-land extra versterkt doordat als gast de Japanner Nam June Paik werd uitgenodigd. Biennale-organisator Achille Bonito Oliva had de deelnemende landen gevraagd in het kader van de culturele verbroedering (het met de haren erbij gesleepte thema van deze Biennale waar trouwens weinig van te zien is) een kunstenaar uit een ander land in het eigen paviljoen te laten deelnemen. Nam June Paik, ooit een interessant video-kunstenaar die het medium ontdekte toen iedereen op de kwalijke aspecten van het kastjekijken wees, heeft allang niets meer te vertellen dan het cultuurloze gebabbel dat zoveel van zijn landgenoten voortbrengen.

Zijn landgenote Yayoi Kusama die met haar gele, zwart bespikkelde heksendracht een moderne toverkol blijkt te zijn, resideert in het Japanse paviljoen in een installatie die het midden houdt tussen kitsch en kunst. Kusama, die minitieus gemaakte cadeautjes uitdeelt aan wie op zijn knieen voor haar komt zitten, is een patternpainter die op elk oppervlak, het liefst geel gekleurd, haar zwarte stippen spettert. Ze maakt behalve environments die aan de jaren zestig doen denken (een badkamer met spiegelende wanden waarin de uitgang lastig te vinden is), ook objecten uit textiel die als pluche beesten volgestopt worden zodat ze dik en bol ogen. Als Japan in Kusama, die er in weerwil van haar geboortejaar 1929 uitziet als een stokoud besje, een paradepaardje van hedendaagse kunst ziet, dan is de kunst daar inmiddels flink gedateerd.

Ook Spanje, Engeland, de Verenigde Staten en Frankrijk brengen gevestigde namen. De eenvrouwsshow van Louise Bourgeois bij de Amerikanen houdt de gemoederen stevig bezig. Nergens zie je zoveel gediscussieerd worden als tussen deze beelden die seksistische vooroordelen willen pareren. Bourgeois speelt een spannend spel met lichaamsdelen die ze zodanig in marmer of brons uitbeeldt dat je je afvraagt of ze echt zijn, of juist in een ander materiaal werden gemaakt. Handen, opstapelingen van borsten die meer op uiers lijken, geheime openingen, het is allemaal heel lijflijk bij deze grand old lady van de Amerikaanse kunst.

Het fysieke element is ook bij de Fransen terug te vinden, waar Jean-Pierre Raynaud de binnenmuren van het paviljoen heeft bekleed met een en hetzelfde motief: een tegel toont een schedel met een touwtje er omheen tegen een witte achtergrond. De installatie zou beklemmend werken als de tegels minder glanzend waren, nu is het paviljoen meer een morbide ogend urinoir. Over leven en dood en de spanning die daartussen zit, gaat ook de installatie van Antoni Tapies in het Spaanse paviljoen. Ook Tapies wordt in zijn land als een paradepaardje beschouwd met wie altijd valt te scoren. Zijn werk, met bekende herkenbare elementen (de aardse uitstraling, de kruizen, de meubelen die als readymades in het geheel worden ondergebracht), is herkenbaar Tapies, maar verrast toch.

Van alle westerse landen is Engeland het enige dat niet een beeldhouwer maar een schilder brengt. Richard Hamilton schildert nog altijd in de stijl van de pop art, waarbij hij gebruikmaakt van bestaande foto's die op bepaalde plekken worden bewerkt. Ook hier is de keus van de werken eerder op representativiteit dan op actualiteit gericht. Hamiltons oudste werk is zijn bekende Toaster uit 1966-'69 (in dat laatste jaar gereconstrueerd), in zijn nieuwe werk is zijn maatschappelijke belangstelling (het Japanse keizerspaar, de Golfoorlog, moordenaar Charles Manson, een onderzoeksbed met een tv-scherm waarop Margaret Thatcher een rede afsteekt) terug te vinden. Al mag de schilderkunst dan inmiddels dood zijn verklaard: het Hamilton-paviljoen is zonder meer indrukwekkend, een trekker van formaat.

Donderdag. Na de landenpaviljoens in de Giardini ligt een bezoek aan Aperto voor de hand. Hebben de Italiaanse organisatoren geen enkele greep op wat in de nationale afvaardigingen wordt gebracht, Aperto en de thematische tentoonstellingen zijn hun speelterrein. Zo kan het gebeuren dat temidden van de jongerenexpositie, die traditioneel in de Corderie wordt gehouden, de voor dit doel zeer geeigende touwslagerij, slechts een enkele Nederlander, de in Frankrijk woonachtige Niek van der Steeg werd uitgenodigd. Voor menig Nederlander zal hij een ontdekking zijn: een installatie met een constructivistisch karakter dat weinig modieuze trekken heeft. Die vind je wel bij een groot aantal andere jongeren die met vergaande nieuwsgierigheid abattoirs, lijkenhuizen en ziekenhuizen binnenlopen. De overlangs doorgezaagde koe met kalf van Damien Hirst trekt grote belangstelling, wat ook de aan verschrikkelijke ziekten overleden patienten van Andres Serrano doet.

s Avonds, bij een goed glas grappa op de Riva degli Schiavoni, moeten de gedachten aan dergelijke lijflijke confrontaties, snel worden weggespoeld. Het beeld dat dan van Aperto resteert, is dat van een hoge kwaliteit die door veel jongeren wordt bereikt. De prachtige installatie van de Taiwanees Lee Ming Sheng ('Do you want my adress?' vraagt hij iedereen die belangstelling voor hem heeft), een eindeloos rol papier, druipend bloedrood gespoten onder de titel 'Fire ball/Fire circle', of de traditionele doodskisten van de Ghanees Samuel Kane Kwei, in de vorm van een ui en een Mercedes, de foto's van Oliviero Toscani die hij voor United Colors of Benetton maakte (genitalien die in lange rijen opgehangen heel abstract gaan werken), de installatie van Philippe Parreno die met symbolische middelen de dood van de schilderkunst verbeeldt, ze blijven lang op het netvlies naechoen. Toch jammer dat onder deze enorme groep jongeren slechts een Nederlander zit. Italiaans chauvinisme dat de Alpen niet durft over te steken?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden