Amerikanen zijn

'We weten het allemaal heel zeker, de Amerikaan is oppervlakkig. Maar het is toch echt onze eigen kortzichtigheid om te denken dat we de Amerikaanse samenleving kennen. Is het niet wat oppervlakkig om zo tot een oordeel te komen? Willen we wel meer horen dan alleen clichés? We verdiepen ons niet echt in Amerika. We denken dat we het land en de mensen kennen. We hebben de film al gezien, waarom zouden we het boek nog lezen? We weten alles al.'

Amerikanen zijn dikzakken

Klopt helemaal - Zit wel wat in, maar... - Onzin Nogal wat Amerikanen zijn veel te dik. Van de volwassen Amerikanen is 61 procent overweight, van alle kinderen is een kwart al te zwaar. In 1980 was nog maar 25 procent van de volwassenen te zwaar. Last van ziekelijke vetzucht heeft 27 procent van alle mannen en 34 procent van alle vrouwen. Deze cijfers bevestigen een oppervlakkige waarneming: getverderrie, wat veel vette mensen. Niet zomaar een beetje gezet, niet zomaar een paar rolletjes van veertigplussers of een bierbuik, maar ongelooflijk, afzichtelijk vet. In pretparken, in shopping malls, overal waar Amerikanen elkaar ontmoeten, zie je wel van die families waggelen. Pa, ma en de kinderen in hun gemakkelijk zittende felgekleurde 'sport'-kleding: allemaal even vet.

Volgens de Centers for Disease Control, het onderzoeksinstituut van de overheid, is vetzucht nu de tweede doodsoorzaak in de Verenigde Staten. Alleen tabak maakt meer slachtoffers. Volgens een onderzoek is patat het meest gegeten voedsel van Amerikaanse kinderen tussen de ander-half en twee jaar oud -laat vooral de leeftijd even tot u doordringen. De conclusie van de onderzoekers is dat het dieet van kinderen al heel vroeg heel erg gaat lijken op dat van hun ouders: veel frisdrank, snoep en junkfood en weinig groenten en fruit. De gevolgen zijn desastreus. De alom aanwezige fastfood-restaurants zijn handig en spotgoedkoop. De afgelopen jaren hadden de porties er Gargantueske vormen aangenomen. Pas nu er verscheidene rechtszaken tegen de voedselindus-trie lopen,wordt daar wat aan gedaan.

In zijn boek Fat Land. How Americans Be-came the fattest People in the World beweert Greg Critser dat het allemaal de schuld is van de regering-Ford. Diens landbouwbe-leid zorgde ervoor dat de prijs van indu-striële vetten en maïssiroop kelderde, waardoor fastfoodbedrijven zonder kos-ten de porties konden vergroten. Ze vonden supersizing uit: was een bestelling french fries in 1960 nog goed voor 200 calorieën, nu zijn dat er 610. De klant wordt doodgeslagen met advertenties voor double cheeseburgers, chicken buckets, extra-large pizza's en supersized fries, met een supersized soda natuurlijk. De supersizing beperkt zich niet tot fast food joints: de bakken koffie die Starbucks verkoopt worden ook steeds groter.

Maar vetzucht is geen uniek Amerikaans verschijnsel. In Engeland is één op de vijf kinderen onder de vijftien te dik. In Zuid-Italië kwam men op 36 procent 'te zwaar', in Spanje was het 27 procent. Is er sprake van amerikanisering? Dat hangt af van je definitie. Grote voedingsbedrijven gebrui-ken hun ervaring op de Amerikaanse markt en proberen natuurlijk gewoon zoveel mogelijk te verkopen. Ook als de con-sumenten Europees zijn. We're all Ameri-cans now, zou je kunnen zeggen. Consu-mentengedragingen wereldwijd lijken elkaar niet veel te ontlopen. Amerika loopt enkel voorop in het exploreren en uitbuiten van voedseltrends, en wij volgen gedwee.

Parallel aan het aantal dikkerds is ook de markt voor dieet- en caloriearm voedsel enorm gegroeid. Diet Coke (Cola Light in Europa) was het eerste gigantische succes. Ook de dieetindustrie groeit als kool. De laatste gekheid was het Dr. Atkins Dieet, maar ook oudere instellingen als Weight Watchers zijn bijzonder succesvol. De boeken maken vooral de auteurs rijk en brengt een enkele dikzak weer op normaal gewicht. Maar het is vechten tegen de bierkaai. Een gemiddeld Amerikaans kind ziet per jaar 10.000 voedselcommercials langskomen. Voor 95 procent producten met veel calorieën en vet: fast-food, gesuikerde ontbijtgranen, frisdran-ken en snoep. Vooral drankjes, soda's, zijn een belangrijke bron van suiker. Fris-drank is verantwoordelijk voor zo'n tien procent van alle calorieën die Amerikaan-se tieners consumeren. Schoollunches bestaan tegenwoordig uit fastfood; op alle scholen staan nu frisdrankautomaten en als er veel geconsumeerd wordt, krijgen de scholen extra geld. Het geeft extra kracht aan de stelling van een Coca-Cola-directeur: 'Zolang er nog ergens in de we-reld de dorst gelest wordt met water, zo-lang is er groei mogelijk.'

Je zou kunnen betogen dat de obsessie van veel Amerikanen met hun lichaam -gezond eten, joggen, rennen, massage zus, sauna zo -het vanzelfsprekende complement is van de vetzucht die het land in zijn greep heeft. Zo zijn twee clichés tegelijk waar: Amerikanen zijn dikzakken én Amerikanen zijn health nuts. Het zijn alleen niet dezelfde Amerikanen.

Voor tegenstanders en critici van George W. Bush blijft het een raadsel. Hoe is het mogelijk dat zo iemand president is geworden? Iemand met zulke andere ideeën, met zo'n ander wereldbeeld dan zijzelf hebben. Ze stellen de vraag, maar doen geen poging haar te beantwoorden. Liever vluchten ze in die ene mantra die alles oplost: Bush is dom. Oliedom. Erger nog, hij is een domme cowboy. Herhaal het lang genoeg en het verklaart alles. Raadsel opgelost.

Het moet intellectuele arrogantie zijn: wie niet denkt binnen onze kaders, kan alleen maar dom zijn. Europeanen kunnen maar niet begrijpen dat acteurs als Ronald Reagan en Arnold Schwarzenegger of een worstelaar als Jesse Ventura een land of een staat kunnen leiden. Hoe durft dit soort lieden de functies in te pikken die zijn voorbehouden aan de verlichte elite? Dat geldt nog sterker voor zo'n vulgair verschijnsel als een gemankeerde zakenman uit Texas die tot zijn veertigste maar wat aanrommelde. Uit Texas, of all places!

Dit soort onzin kun je gemakkelijk negeren zolang het blijft bij gefrustreerd gepruttel van linkse critici en vooringenomen journalisten die zichzelf bijzonder intelligent vinden. Dat kwaad straft zichzelf: uiteindelijk is Bush de president en zij niet. Je hoort het Bush al zeggen, met zijn gemeen opgetrokken mondhoek: Als jullie zo slim zijn en ik zo dom, hoe komt het dan dat ik in het Witte Huis zit?

Het probleem is echter dat deze luie opiniemakers ook het beeld voor anderen bepalen. Door niets uit te leggen, niets te verklaren en steeds maar hun mantra te herhalen, dragen ze ertoe bij dat geleidelijk aan zowat iedereen denkt dat Bush een domoor is - in elk geval in Europa. Het is de algemene opinie geworden. Het versterkt zichzelf: iedereen zegt het en dus is het waar.

Daarmee bewijzen ze zichzelf en hun gehoor een slechte dienst. Ze dwingen mensen niet zich af te vragen wat Bush wil en waarom, laat staan waarom zo veel Amerikanen hem daarbij steunen. Dat is een probleem, want als we niet begrijpen wat er in Amerika gebeurt, kunnen we er ook niet mee omgaan. Dan snappen we straks ook niet waarom het beleid van een slimmerik als John Kerry niet eens zo vreselijk veel anders zal zijn. Bovendien is deze manier van denken gevaarlijk, want het is een vorm van jezelf voor de gek houden. Misschien is Bush helemaal niet dom maar evil - om in zijn termen te blijven - of wellicht gewoon onverstandig. Straks blijkt hij op geniale wijze Amerika en de wereld op zijn kop te hebben gezet. Misschien is Amerika definitief een andere weg ingeslagen en hebben wij de afslag gemist. Zien we wel wat er gebeurt?

Zo ging het met die domme Ronald Reagan. Terwijl Europa zich verkneukelde of juist wakker lag over het beeld van een niet zo slimme, ouwe B-acteur die sprak in glimmend opgepoetste, gemakkelijk te bevatten volzinnen, veranderde Reagan Amerika en de wereld. Als correspondent had ik er indertijd een dagtaak aan mijn redacties te overtuigen van het belang van de Reagan-revolutie. Het was vechten tegen de bierkaai. Hoe progressiever, hoe zekerder ze wisten dat Reagan dom was.

Is Bush echt zo dom? Wie ook maar een beetje in 's mans biografische gegevens duikt, kan dat niet volhouden. Domme mensen worden geen president van Amerika. Presidenten kunnen ongeschikt blijken, ze kunnen mislukken, gebrek aan discipline vertonen, ongelooflijk geluk hebben of domme pech. Allemaal mogelijk. Maar het bestaat niet dat een absolute dimwit het Witte Huis haalt. De weg naar het presidentschap is te lang, te gecompliceerd, te veeleisend en het proces is te selectief. Alleen de sterksten overleven. Alleen wie het vertrouwen kan verwerven van de kiezer, alleen wie een coalitie kan smeden die een meerderheid oplevert.

Dat wil niet zeggen dat de best gekwalificeerde mensen president worden, of de slimste, of de machtigste. De winnaars zijn de mensen die het beste kunnen omgaan met de manier waarop Amerikanen hun presidenten kiezen, en die het beste voldoen aan de eisen die de kiezers stellen. Niemand zal betogen dat het een volmaakt systeem is, maar er is geen ander. Het werkt meestal. De laatste man die, naar eigen inzicht, te dom was om in het Witte Huis te zitten, was Warren Harding, en die overleed in 1923.

Hoe niet-dom is Bush? In Amerika leggen scholieren en studenten voortdurend testen af. Dat begint al op de basisschool. De bekendste test is de Scholastic Aptitude Test (SAT) die mede bepaalt naar welke universiteit iemand kan. Iedereen kan het nakijken: Bush scoorde daar heel behoorlijk. Hoger bijvoorbeeld dan voormalig Democratisch presidentskandidaat Bill Bradley, die algemeen werd beschouwd als een diepe denker. Niet veel slechter dan Al Gore.

Als student aan Yale en Harvard was Bush geen uitblinker, maar hij studeerde wel af aan deze gereputeerde universiteiten. Vergelijk dat eens met Senator John McCain, de tegenstander van Bush in de voorverkiezingen van 2000. Als ex-krijgsgevangene mocht McCain dan een authentieke oorlogsheld zijn, toen hij zijn officiersopleiding afsloot, bungelde hij ergens onder aan de lijst. Franklin Roosevelt scoorde tijdens zijn studie vooral gentleman's C's, zesminnetjes. Wie Bush dom vindt, zal de cijfers waarschijnlijk niet vertrouwen of vermoeden dat de Bush-clan ook de minkukels in de familie de hand boven het hoofd houdt. Vertel dat maar eens aan de Harvard Business School, waar Bush zijn MBA haalde.

Het gaat er natuurlijk om wat je doet met die intelligentie. George Bush zal de eerste zijn om toe te geven dat hij tot zijn veertigste weinig maakte van zijn leven. Een geslepen zakenman zat er niet in, hij had een innige relatie met de fles en voerde weinig uit. Geef Bush er in elk krediet voor dat hij daar verandering in bracht en zijn leven op een ander spoor zette. De meeste mensen met een midlife crisis slagen daar niet in.

De Democraten waren gewaarschuwd. Mensen die zichzelf herpakken, moet je niet onderschatten, zeker niet als ze ook nog Bush heten en de nodige politieke ervaring hebben. In 1994 versloeg Bush de populaire gouverneur van Texas, Ann Richards, een pronte dame die graag poseerde met haar Harley Davidson. Als gouverneur deed Bush het uitstekend, al is Texas niet een staat waar vreselijk veel geregeerd wordt. Maar hij sloot slimme compromissen, werkte goed samen met de Democraten. In het algemeen geldt dat Bush de kaarten die hij in handen krijgt, goed weet te spelen. Als zelfkennis het begin van wijsheid is, dan is Bush wijzer dan hij vaak wordt afgeschilderd. Hij is niet onzeker, lijdt niet aan existentiële angst of gebrek aan zelfvertrouwen. Hij weet wat zijn zwakke kanten zijn en dus durft hij toe te geven dat hij veel dingen niet weet. Daar ligt hij niet wakker van. Kiezers voelen dat. Ze zijn niet op zoek naar een omgevallen boekenkast, maar willen een vertrouwensband met degene op wie ze stemmen. Ze hoeven niet zo nodig iemand in het Witte Huis die denkt dat hij alles al weet. Belangrijker is dat hij de juiste gut feelings heeft. Zoals indertijd een rechter van het Supreme Court zei over Franklin Delano Roosevelt: 'Hij mag een tweederangs intellect hebben, hij heeft een eersteklas temperament.'

Bush wist dat hij veel dingen niet wist. Het ontbrak hem vaak aan concrete kennis, of het nu ging om een gecompliceerd federaal programma of de namen van leiders van meer of minder obscure landen. Zie je nou wel, riepen critici toen Bush in een televisieprogramma werd gevraagd de naam van de leiders van Tsjetsjenië, van Taiwan en van Pakistan te noemen. De kandidaat zat met de mond vol tanden. De meeste journalisten zouden het ook niet hebben geweten, maar ze vonden er wel de bevestiging in voor zijn domheid. Tijdens de debatten met Bush probeerde Al Gore voortdurend zijn geweldige kennis en ervaring te etaleren. Maar Gore overdreef en dat irriteerde de kiezer. Die debatten waren veelzeggend: Bush liet Gore alle hoeken van de studio zien.

Europeanen kregen nooit de kans Bush op zijn waarde te schatten. Gedurende vrijwel de hele campagne concentreerden journalisten zich op Bush' vermeende domheid, gebrek aan kennis van het buitenland en de achterlijkheid van zijn thuisstaat Texas. De toon was ronduit vijandig. Bush werd gepresenteerd als iemand die er plezier in schepte doodvonnissen te tekenen, milieuvervuiling negeerde en racisme tolereerde in een staat die toch al niet zo'n gelukkige reputatie heeft. Bush werd geportretteerd als een soort horkerige J.R., maar dan minder succesvol, een omhooggevallen rijkeluiszoontje. De vooringenomenheid van de media was een van de redenen dat op 8 november 2000 geen Nederlander begreep waarom de helft van de Amerikanen op die domme man stemde.

De verleiding voor de media was ook wel erg groot. Het was haast té gemakkelijk om Bush als dom neer te zetten, want soms oogt hij ronduit dommig. Neem zijn toespraken. Bush heeft de neiging woorden te verhaspelen en als hij moet spreken zonder afleesapparaat komt er zelden iets inspirerends uit. Een vorm van dyslexie zit blijkbaar in de familie: zijn vader had er ook last van, maar die werd nooit van domheid verdacht. Bij zoonlief werd een regio van 'vitaal belang' een regio van 'fataal belang', terroristen hielden Amerika in 'geseling' en Kosovaren werden 'Kosovezen'. Altijd goed voor een lach. Zeker in het begin stond Bush voor de camera's met grote angstogen, als een haas in de lichtbakken van stropers. Hij trok raar met zijn mond waardoor iets wat serieus bedoeld was, een ironische ondertoon kreeg. Zijn presentatie was houterig. Zijn toon vlak of net verkeerd. Nee, een tweede Ronald Reagan stond er zeker niet. Maar wel iemand die de kiezers vertrouwden.

Bush is dus niet dom. Maar de fundamentele vraag is: who cares? Hoe belangrijk is het intellect van een president? Neem president Clinton, waarschijnlijk de briljantste geest in het Witte Huis sinds Theodore Roosevelt, de auteur van 37 boeken. Aan Yale University was Clinton een van de beste studenten en hij kreeg een prestigieuze beurs om naar Oxford te gaan. In debatten met deskundigen en in toespraken over specifieke onderwerpen wekte Clinton de indruk moeiteloos te kunnen werken met grote beleidslijnen én met details. Zijn eerste persconferenties waren een verademing. Clintons toespraken waren bewogen en deskundig. Maar Clinton liep ook vaak vast in het opsommen van waslijsten met voorstellen, alsof hij geen prioriteiten kon stellen. Hij kon moeilijk beslissen, was overal en altijd te laat, en had in het algemeen een probleem met discipline. Al zijn intelligentie garandeerde niet dat Clintons presidentschap een succes werd. Integendeel, van zijn politieke programma realiseerde Clinton uiteindelijk minder dan Ronald Reagan van het zijne in de jaren tachtig.

Intelligentie helpt, maar voldoende is het niet. Moet een president dan veel weten? Dat helpt ook, maar veel belangrijker dan kennis is dat een president weet wat hij wil en hoe hij dat wil bereiken, en of hij luistert naar de juiste adviseurs. Te veel kennis kan een hinderpaal zijn. Het is voldoende om verstandig te zijn en nog beter om wijs te zijn. Het is goed mogelijk dat George W. Bush verstandig nóch wijs is, maar in elk geval weet Bush wat hij wil.

Uiteindelijk gaat het erom wat een president doet, niet om zijn IQ. In minder dan zes maanden drukte Bush er een ambitieuze agenda door. De grootste belastingverlaging sinds Reagan, een hervorming van het onderwijs en het terugdraaien van veel regulering van het bedrijfsleven. Bush versterkte de macht van het Witte Huis ten koste van het Congres en sinds 9/11 is die ontwikkeling alleen nog maar sterker geworden. Of het beklijft, is een andere vraag, maar in veel opzichten is George W. Bush de machtigste president sinds 1974.

Bush is geen twijfelaar. Daar is zijn imago op gebaseerd. Vandaar die uitstraling van zelfverzekerdheid,de agressieve afkeer van iedere vorm van introspectie. Hij vindt het niet erg om zijn geloof luidruchtig uit te dragen, tot ergernis van de oppositie en tot onbegrip van Europa. Laat de pers maar lastige vragen stellen, Bush straalt zekerheid uit, inclusief korte en duidelijke antwoorden ('nee, ik zou niets anders doen') die zijn interviewers frustreren en zijn supporters plezieren.

President Bush is dom

Klopt helemaal - Zit wel wat in, maar... - Onzin

Voor tegenstanders en critici van George W. Bush blijft het een raadsel. Hoe is het mogelijk dat zo iemand president is geworden? Iemand met zulke andere ideeën, met zo'n ander wereldbeeld dan zijzelf hebben. Ze stellen de vraag, maar doen geen poging haar te beantwoorden. Liever vluchten ze in die ene mantra die alles oplost: Bush is dom. Oliedom. Erger nog, hij is een domme cowboy. Herhaal het lang genoeg en het verklaart alles. Raadsel opgelost.

Het moet intellectuele arrogantie zijn: wie niet denkt binnen onze kaders, kan alleen maar dom zijn. Europeanen kunnen maar niet begrijpen dat acteurs als Ronald Reagan en Arnold Schwarzenegger of een worstelaar als Jesse Ventura een land of een staat kunnen leiden. Hoe durft dit soort lieden de functies in te pikken die zijn voorbehouden aan de verlichte elite? Dat geldt nog sterker voor zo'n vulgair verschijnsel als een gemankeerde zakenman uit Texas die tot zijn veertigste maar wat aanrommelde. Uit Texas, of all places!

Dit soort onzin kun je gemakkelijk negeren zolang het blijft bij gefrustreerd gepruttel van linkse critici en vooringenomen journalisten die zichzelf bijzonder intelligent vinden. Dat kwaad straft zichzelf: uiteindelijk is Bush de president en zij niet. Je hoort het Bush al zeggen, met zijn gemeen opgetrokken mondhoek: Als jullie zo slim zijn en ik zo dom, hoe komt het dan dat ik in het Witte Huis zit?

Het probleem is echter dat deze luie opiniemakers ook het beeld voor anderen bepalen. Door niets uit te leggen, niets te verklaren en steeds maar hun mantra te herhalen, dragen ze ertoe bij dat geleidelijk aan zowat iedereen denkt dat Bush een domoor is - in elk geval in Europa. Het is de algemene opinie geworden. Het versterkt zichzelf: iedereen zegt het en dus is het waar.

Daarmee bewijzen ze zichzelf en hun gehoor een slechte dienst. Ze dwingen mensen niet zich af te vragen wat Bush wil en waarom, laat staan waarom zo veel Amerikanen hem daarbij steunen. Dat is een probleem, want als we niet begrijpen wat er in Amerika gebeurt, kunnen we er ook niet mee omgaan. Dan snappen we straks ook niet waarom het beleid van een slimmerik als John Kerry niet eens zo vreselijk veel anders zal zijn. Bovendien is deze manier van denken gevaarlijk, want het is een vorm van jezelf voor de gek houden. Misschien is Bush helemaal niet dom maar evil - om in zijn termen te blijven - of wellicht gewoon onverstandig. Straks blijkt hij op geniale wijze Amerika en de wereld op zijn kop te hebben gezet. Misschien is Amerika definitief een andere weg ingeslagen en hebben wij de afslag gemist. Zien we wel wat er gebeurt?

Zo ging het met die domme Ronald Reagan. Terwijl Europa zich verkneukelde of juist wakker lag over het beeld van een niet zo slimme, ouwe B-acteur die sprak in glimmend opgepoetste, gemakkelijk te bevatten volzinnen, veranderde Reagan Amerika en de wereld. Als correspondent had ik er indertijd een dagtaak aan mijn redacties te overtuigen van het belang van de Reagan-revolutie. Het was vechten tegen de bierkaai. Hoe progressiever, hoe zekerder ze wisten dat Reagan dom was.

Is Bush echt zo dom? Wie ook maar een beetje in 's mans biografische gegevens duikt, kan dat niet volhouden. Domme mensen worden geen president van Amerika. Presidenten kunnen ongeschikt blijken, ze kunnen mislukken, gebrek aan discipline vertonen, ongelooflijk geluk hebben of domme pech. Allemaal mogelijk. Maar het bestaat niet dat een absolute dimwit het Witte Huis haalt. De weg naar het presidentschap is te lang, te gecompliceerd, te veeleisend en het proces is te selectief. Alleen de sterksten overleven. Alleen wie het vertrouwen kan verwerven van de kiezer, alleen wie een coalitie kan smeden die een meerderheid oplevert.

Dat wil niet zeggen dat de best gekwalificeerde mensen president worden, of de slimste, of de machtigste. De winnaars zijn de mensen die het beste kunnen omgaan met de manier waarop Amerikanen hun presidenten kiezen, en die het beste voldoen aan de eisen die de kiezers stellen. Niemand zal betogen dat het een volmaakt systeem is, maar er is geen ander. Het werkt meestal. De laatste man die, naar eigen inzicht, te dom was om in het Witte Huis te zitten, was Warren Harding, en die overleed in 1923.

Hoe niet-dom is Bush? In Amerika leggen scholieren en studenten voortdurend testen af. Dat begint al op de basisschool. De bekendste test is de Scholastic Aptitude Test (SAT) die mede bepaalt naar welke universiteit iemand kan. Iedereen kan het nakijken: Bush scoorde daar heel behoorlijk. Hoger bijvoorbeeld dan voormalig Democratisch presidentskandidaat Bill Bradley, die algemeen werd beschouwd als een diepe denker. Niet veel slechter dan Al Gore.

Als student aan Yale en Harvard was Bush geen uitblinker, maar hij studeerde wel af aan deze gereputeerde universiteiten. Vergelijk dat eens met Senator John McCain, de tegenstander van Bush in de voorverkiezingen van 2000. Als ex-krijgsgevangene mocht McCain dan een authentieke oorlogsheld zijn, toen hij zijn officiersopleiding afsloot, bungelde hij ergens onder aan de lijst. Franklin Roosevelt scoorde tijdens zijn studie vooral gentleman's C's, zesminnetjes. Wie Bush dom vindt, zal de cijfers waarschijnlijk niet vertrouwen of vermoeden dat de Bush-clan ook de minkukels in de familie de hand boven het hoofd houdt. Vertel dat maar eens aan de Harvard Business School, waar Bush zijn MBA haalde.

Het gaat er natuurlijk om wat je doet met die intelligentie. George Bush zal de eerste zijn om toe te geven dat hij tot zijn veertigste weinig maakte van zijn leven. Een geslepen zakenman zat er niet in, hij had een innige relatie met de fles en voerde weinig uit. Geef Bush er in elk krediet voor dat hij daar verandering in bracht en zijn leven op een ander spoor zette. De meeste mensen met een midlife crisis slagen daar niet in.

De Democraten waren gewaarschuwd. Mensen die zichzelf herpakken, moet je niet onderschatten, zeker niet als ze ook nog Bush heten en de nodige politieke ervaring hebben. In 1994 versloeg Bush de populaire gouverneur van Texas, Ann Richards, een pronte dame die graag poseerde met haar Harley Davidson. Als gouverneur deed Bush het uitstekend, al is Texas niet een staat waar vreselijk veel geregeerd wordt. Maar hij sloot slimme compromissen, werkte goed samen met de Democraten. In het algemeen geldt dat Bush de kaarten die hij in handen krijgt, goed weet te spelen. Als zelfkennis het begin van wijsheid is, dan is Bush wijzer dan hij vaak wordt afgeschilderd. Hij is niet onzeker, lijdt niet aan existentiële angst of gebrek aan zelfvertrouwen. Hij weet wat zijn zwakke kanten zijn en dus durft hij toe te geven dat hij veel dingen niet weet. Daar ligt hij niet wakker van. Kiezers voelen dat. Ze zijn niet op zoek naar een omgevallen boekenkast, maar willen een vertrouwensband met degene op wie ze stemmen. Ze hoeven niet zo nodig iemand in het Witte Huis die denkt dat hij alles al weet. Belangrijker is dat hij de juiste gut feelings heeft. Zoals indertijd een rechter van het Supreme Court zei over Franklin Delano Roosevelt: 'Hij mag een tweederangs intellect hebben, hij heeft een eersteklas temperament.'

Bush wist dat hij veel dingen niet wist. Het ontbrak hem vaak aan concrete kennis, of het nu ging om een gecompliceerd federaal programma of de namen van leiders van meer of minder obscure landen. Zie je nou wel, riepen critici toen Bush in een televisieprogramma werd gevraagd de naam van de leiders van Tsjetsjenië, van Taiwan en van Pakistan te noemen. De kandidaat zat met de mond vol tanden. De meeste journalisten zouden het ook niet hebben geweten, maar ze vonden er wel de bevestiging in voor zijn domheid. Tijdens de debatten met Bush probeerde Al Gore voortdurend zijn geweldige kennis en ervaring te etaleren. Maar Gore overdreef en dat irriteerde de kiezer. Die debatten waren veelzeggend: Bush liet Gore alle hoeken van de studio zien.

Europeanen kregen nooit de kans Bush op zijn waarde te schatten. Gedurende vrijwel de hele campagne concentreerden journalisten zich op Bush' vermeende domheid, gebrek aan kennis van het buitenland en de achterlijkheid van zijn thuisstaat Texas. De toon was ronduit vijandig. Bush werd gepresenteerd als iemand die er plezier in schepte doodvonnissen te tekenen, milieuvervuiling negeerde en racisme tolereerde in een staat die toch al niet zo'n gelukkige reputatie heeft. Bush werd geportretteerd als een soort horkerige J.R., maar dan minder succesvol, een omhooggevallen rijkeluiszoontje. De vooringenomenheid van de media was een van de redenen dat op 8 november 2000 geen Nederlander begreep waarom de helft van de Amerikanen op die domme man stemde.

De verleiding voor de media was ook wel erg groot. Het was haast té gemakkelijk om Bush als dom neer te zetten, want soms oogt hij ronduit dommig. Neem zijn toespraken. Bush heeft de neiging woorden te verhaspelen en als hij moet spreken zonder afleesapparaat komt er zelden iets inspirerends uit. Een vorm van dyslexie zit blijkbaar in de familie: zijn vader had er ook last van, maar die werd nooit van domheid verdacht. Bij zoonlief werd een regio van 'vitaal belang' een regio van 'fataal belang', terroristen hielden Amerika in 'geseling' en Kosovaren werden 'Kosovezen'. Altijd goed voor een lach. Zeker in het begin stond Bush voor de camera's met grote angstogen, als een haas in de lichtbakken van stropers. Hij trok raar met zijn mond waardoor iets wat serieus bedoeld was, een ironische ondertoon kreeg. Zijn presentatie was houterig. Zijn toon vlak of net verkeerd. Nee, een tweede Ronald Reagan stond er zeker niet. Maar wel iemand die de kiezers vertrouwden.

Bush is dus niet dom. Maar de fundamentele vraag is: who cares? Hoe belangrijk is het intellect van een president? Neem president Clinton, waarschijnlijk de briljantste geest in het Witte Huis sinds Theodore Roosevelt, de auteur van 37 boeken. Aan Yale University was Clinton een van de beste studenten en hij kreeg een prestigieuze beurs om naar Oxford te gaan. In debatten met deskundigen en in toespraken over specifieke onderwerpen wekte Clinton de indruk moeiteloos te kunnen werken met grote beleidslijnen én met details. Zijn eerste persconferenties waren een verademing. Clintons toespraken waren bewogen en deskundig. Maar Clinton liep ook vaak vast in het opsommen van waslijsten met voorstellen, alsof hij geen prioriteiten kon stellen. Hij kon moeilijk beslissen, was overal en altijd te laat, en had in het algemeen een probleem met discipline. Al zijn intelligentie garandeerde niet dat Clintons presidentschap een succes werd. Integendeel, van zijn politieke programma realiseerde Clinton uiteindelijk minder dan Ronald Reagan van het zijne in de jaren tachtig.

Intelligentie helpt, maar voldoende is het niet. Moet een president dan veel weten? Dat helpt ook, maar veel belangrijker dan kennis is dat een president weet wat hij wil en hoe hij dat wil bereiken, en of hij luistert naar de juiste adviseurs. Te veel kennis kan een hinderpaal zijn. Het is voldoende om verstandig te zijn en nog beter om wijs te zijn. Het is goed mogelijk dat George W. Bush verstandig nóch wijs is, maar in elk geval weet Bush wat hij wil.

Uiteindelijk gaat het erom wat een president doet, niet om zijn IQ. In minder dan zes maanden drukte Bush er een ambitieuze agenda door. De grootste belastingverlaging sinds Reagan, een hervorming van het onderwijs en het terugdraaien van veel regulering van het bedrijfsleven. Bush versterkte de macht van het Witte Huis ten koste van het Congres en sinds 9/11 is die ontwikkeling alleen nog maar sterker geworden. Of het beklijft, is een andere vraag, maar in veel opzichten is George W. Bush de machtigste president sinds 1974.

Bush is geen twijfelaar. Daar is zijn imago op gebaseerd. Vandaar die uitstraling van zelfverzekerdheid,de agressieve afkeer van iedere vorm van introspectie. Hij vindt het niet erg om zijn geloof luidruchtig uit te dragen, tot ergernis van de oppositie en tot onbegrip van Europa. Laat de pers maar lastige vragen stellen, Bush straalt zekerheid uit, inclusief korte en duidelijke antwoorden ('nee, ik zou niets anders doen') die zijn interviewers frustreren en zijn supporters plezieren.

Amerikanen zijn oppervlakkig

Zit wel wat in, maar...

x Onzin

Van alle clichés over Amerika is dit wel het populairste. Ik heb nooit goed begrepen hoe het komt dat Nederlanders zo heel zeker weten dat Amerikanen oppervlakkig zijn. Zouden ze geprobeerd hebben innige relaties aan te gaan met ontelbare Amerikanen, enkel om te ontdekken dat die daar geen interesse in hadden? Zijn ze diep in de Amerikaanse samenleving gedoken, om daar een grote leegte aan te treffen? Hoe weten mensen na drie weken in de camper dat dit de meest kenmerkende Amerikaanse eigenschap is?

Vraag het ze en het antwoord is steeds hetzelfde. Amerikanen zeggen 'How are you?' en 'Nice to meet you', maar dat menen ze helemaal niet. Nog veel erger is het obligate 'Have a nice day', dat iedere vriendelijke dienstverlener je toevoegt. Waar bemoeien ze zich mee, zie je onze knorrige landgenoten denken. We zullen zelf wel uitmaken of het een leuke dag wordt. En of het leuk is je te ontmoeten, daar moeten we nog eens over denken.

Inderdaad, de meeste Amerikanen menen dit allemaal niet. Ze willen alleen maar vriendelijk, beleefd en aardig zijn. Heel on-Nederlands. Dat is even wennen. Maar wat is er eigenlijk tegen die vriendelijkheid? Ik klaag niet als een serveerster zich gedraagt alsof het haar levensvervulling is om vanavond 'my waitress' te zijn. 'Dat doet ze alleen maar voor de fooi,' klaagt de Nederlander. 'Het is niet oprecht.' Onzin, het is een bepaalde instelling. Je wordt welkom geheten. Uit de vele mogelijkheden heb je voor dit restaurant gekozen. Nou, dan zullen we je ook een prettige avond bezorgen.

In Nederland doen we niet zo ruimhartig tegen vreemden. Ga in Amsterdam alleen aan de bar zitten in een populair café en u zit er om middernacht nog steeds alleen. Doe dat in houthakkersdorp Forks, in de staat Washington, en u hoort het verhaal van een depressieve Vietnam-veteraan die zijn donkerste dagen doorbrengt in de mistroostige bossen van het Noordwesten. In Asheville, Oregon, ben ik eens een avond doorgezakt met een verkoper die ook nieuw was in de stad. Ik weet niet meer wat hij me allemaal vertelde, of wat ik hem heb ontboezemd, maar we hadden een geweldige avond. Je neemt afscheid met een welgemeend: 'Let's get together soon.' Meestal zie je elkaar nooit meer. Soms wel.

Een van mijn beste herinneringen is een reis die ik maakte als beginnende journalist. Ik trok een week of zeven door het Midden-Westen en Noordoosten en overnachtte bij kennissen van vrienden en vrienden van kennissen, ouders van vrienden, hun familieleden. Ik was altijd welkom, de deur stond altijd open, ik vond er altijd vertrouwen. En ik hield er nieuwe vrienden aan over.

Nederlanders die een tijdje in Amerika hebben gewoond, krijgen bij terugkeer in eigen land een cultuurshock te

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden