Review

Amerika's eigen Monstrum

In zijn bejubelde boek Taliban, waarvan dit jaar de Nederlandse vertaling verscheen, beschrijft de journalist Ahmed Rashid na een langdurig verblijf onder de rebellen de opkomst van een internationale islamitische samenzwering, die eerst met steun van de Verenigde Staten de Russen uit Afghanistan verdreef. Maar toen die klus geklaard was, waren de VS aan de beurt. Een fragment van zijn reconstructie.

Bij Torkham - de grenspost aan het begin van de Khyber-pas tussen Afghanistan en Pakistan - worden beide landen van elkaar gescheiden door één enkele ketting over de weg. Aan de Pakistaanse kant staan de fraai geüniformeerde Frontier Scouts - de paramilitairen in grijze shalwar kameezes en tulbanden.

Het was april 1989, en de terugtrekking van de Sovjets uit Afghanistan was net voltooid. Ik was per auto op de terugweg van Kaboel naar Pakistan, maar de grens was gesloten. Uitgeput van mijn reis ging ik aan de Afghaanse kant aan de rand van de weg in het gras liggen om te wachten.

Plotseling kwam over de weg achter me een vrachtwagen vol Moedjahidien aangedenderd. Ze stopten. Maar de mensen aan boord waren geen Afghanen. Ik zag lichthuidige Arabieren, Centraal-Aziaten met blauwe ogen en donkere, Chinees uitziende gezichten met slordig omgewikkelde tulbanden, gekleed in slecht passende shalwar kameezes. Ze waren behangen met munitiegordels en hadden kalasjnikovs in hun handen. Afgezien van één Afghaan die als tolk optrad, sprak geen van de dertig vreemdelingen Pushto, Dari of zelfs Urdu. Terwijl we wachtten tot de grens openging, raakten we in gesprek.

De groep bestond uit Filippino Moro's, Oezbeken uit Sovjet-Centraal-Azië, Arabieren uit Algerije, Egypte, Saoedi-Arabië en Koeweit en Oeigoeren uit Xingiang in China. Ze werden geëscorteerd door een lid van Hizb-e-Islami van Goelboeddin Hekmatiar. Ze waren in opleiding in een kamp bij de grens en gingen met weekendverlof naar Peshawar, en ze keken uit naar post van thuis, ze wilden graag even andere kleren aan en lekker eten. Ze waren gekomen om samen met de Moedjahidien in de djihad te vechten en zich te oefenen in wapengebruik, bommenmaken en militaire tactiek, zodat ze de djihad naar huis konden meenemen.

Die avond gaf premier Benazir Bhutto een diner voor journalisten in Islamabad. Een van de gasten was luitenant-generaal Hameed Gul, hoofd van de Isi (de Pakistaanse geheime dienst, red) en de ferventste islamitische ideoloog in het leger sinds de dood van de Pakistaanse president Zia. Generaal Gul deed triomfantelijk over de aftocht van de Sovjets. Ik vroeg hem of hij niet met vuur speelde door moslimradicalen uit te nodigen uit islamitische landen die zogenaamd bondgenoten van Pakistan waren. Zouden die radicalen geen onrust in hun eigen landen veroorzaken, en zodoende de buitenlandse politiek van Pakistan in gevaar brengen? 'Wij vechten in een djihad, en dit is de eerste islamitische internationale brigade van de moderne tijd. De communisten hebben hun internationale brigades, het Westen heeft de Navo, waarom kunnen de moslims zich niet verenigen en een gezamenlijk front vormen?', antwoordde de generaal. Dat was de eerste en enige rechtvaardiging die ik ooit te horen zou krijgen voor wat men al de Arabo-Afghanen noemde, hoewel ze geen van allen Afghanen waren, en velen niet eens Arabieren.

Drie jaar eerder, in 1986, had het hoofd van de CIA, William Casey, de oorlog tegen de Sovjet-Unie geïntensiveerd door drie belangrijke, maar destijds uiterst geheime maatregelen. Hij had het Amerikaanse Congres overgehaald de Moedjahidien te voorzien van in Amerika vervaardigde Stinger-luchtdoelraketten om Sovjet-vliegtuigen neer te schieten en Amerikaanse instructeurs te sturen om de guerrilla's op te leiden. Tot die tijd had men in deze oorlog niet rechtstreeks Amerikaanse wapens of militairen gebruikt.

De CIA, de Britse MI 6 en de Isi waren het ook eens geworden over een provocatief plan om guerrilla-acties te lanceren naar de socialistische Sovjet-republieken Tadzjikistan en Oezbekistan, de zachte moslim-onderbuik van de Sovjetstaat vanwaar Sovjet-troepen in Afghanistan bevoorraad werden. Deze taak werd opgedragen aan Goelboeddin Hekmatiar, de Moedjahidien-leider die de lieveling van de Isi was. In maart 1987 staken kleine eenheden de rivier de Amoe Darja over vanuit bases in noordelijk Afghanistan, waarna ze hun eerste raketaanvallen op dorpen in Tadzjikistan deden. Casey was verrukt over dit nieuws en op zijn volgende reis naar Pakistan stak hij samen met president Zia de grens met Afghanistan over om de Moedjahidien-groepen te inspecteren.

In de derde plaats had Casey CIA-steun toegezegd aan een aloud Isi-plan om overal ter wereld radicale moslims te recruteren; die zouden dan naar Pakistan komen om met de Moedjahidien mee te vechten. De Isi had al sinds 1982 hiervoor gepleit, en inmiddels hadden alle andere betrokkenen hun redenen om dit idee te steunen. President Zia wilde de islamitische eenheid verstevigen, Pakistan tot leider van de moslimwereld maken en islamitisch verzet in Centraal-Azië stimuleren. Washington wilde aantonen dat de gehele moslimwereld naast de Afghanen en hun Amerikaanse weldoeners tegen de Sovjet-Unie vocht. En de Saoediërs zagen dit als een gelegenheid om zowel het (puriteinse, red.) wahabbisme te propageren als ontevreden radicalen te lozen. Geen van de betrokkenen had erop gerekend dat die vrijwilligers eigen plannen hadden, waardoor ze uiteindelijk hun haat voor de Sovjets zouden richten op de regimes in hun eigen landen en op de Amerikanen.

Pakistan had al vaste instructies gegeven aan al zijn ambassades in het buitenland om zonder verdere vragen visa uit te reiken aan ieder die wilde komen meevechten met de Moedjahidien. In het Midden-Oosten organiseerden de Moslimbroederschap, de in Saoedi-Arabië gevestigde Wereld Moslimliga en Palestijnse islamitische radicalen de rekruten, en ze brachten hen in contact met de Pakistanen. De Isi en de Pakistaanse Jamaat-e-Islami zetten ontvangstcomités op om de binnendruppelende militanten te begroeten, te huisvesten en op te leiden, en ze moedigden hen vervolgens aan zich aan te sluiten bij de Moedjahidien-groepen, meestal van de Hizb-e-Islami. De kosten van deze onderneming werden rechtstreeks door de Saoedische geheime dienst gedragen. De Franse geleerde Olivier Roy beschrijft dit als 'een joint venture van Saoediërs, de Moslimbroederschap en de Jamaat-e-Islami, bijeengebracht door de Isi'.

Tussen 1982 en 1992 hebben zo'n 35 000 moslimradicalen uit drieënveertig islamitische landen in het Midden-Oosten, Noord- en Oost-Afrika, Centraal-Azië en het Verre Oosten hun vuurdoop ondergaan bij de Afghaanse Moedjahidien. Nogmaals tienduizenden andere buitenlandse moslimradicalen kwamen studeren in de honderden nieuwe medressen die Zia's militaire regime bekostigde in Pakistan en langs de grens met Afghanistan. Uiteindelijk zouden meer dan honderdduizend moslimradicalen in direct contact komen met Pakistan en Afghanistan en beïnvloed worden door de djihad.

In kampen in de buurt van Peshawar en in Afghanistan ontmoetten dergelijke radicalen elkaar voor het eerst, en daar studeerden, trainden en vochten ze samen. Het was voor de meesten van hen de eerste keer dat ze iets hoorden over islamitische bewegingen in andere landen, en ze ontwikkelden tactische en ideologische banden die in de toekomst voor hen van groot nut zouden zijn. De kampen werden eigenlijk een soort universiteiten voor toekomstig islamitisch radicalisme. Geen van de betrokken inlichtingendiensten had willen nadenken over de consequenties van dergelijke contacten tussen duizenden islamitische radicalen uit de hele wereld. 'Wat was belangrijker in de wereldvisie van de geschiedenis: de Taliban of de val van het Sovjet-imperium? Een paar opgewonden moslims of de bevrijding van Centraal-Europa en het einde van de Koude Oorlog?', vroeg Zbigniew Brzezinski, voormalig Amerikaans veiligheidsadviseur, zich af. Amerikaanse staatsburgers begrepen pas iets van die consequenties toen in Afghanistan opgeleide islamitische militanten in 1993 het World Trade Centre in New York opbliezen, waarbij zes doden en duizend gewonden vielen.

Op pagina 21 vervolg

Vervolg van pagina 17

'De oorlog', aldus Samuel Huntington, 'had een ongemakkelijke coalitie van islamistische organisaties nagelaten die er op uit was de islam te verdedigen tegen alle niet-islamitische krachten. Ook had de oorlog deskundige en ervaren strijders nagelaten, trainingskampen en logistieke faciliteiten, uitvoerige trans-islamitische netwerken van persoonlijke en organisatorische relaties, een aanzienlijke hoeveelheid militaire uitrusting, waaronder drie- tot vijfhonderd zoekgeraakte Stinger-raketten, en - wat wel het belangrijkst was - een onstuimig gevoel van macht en zelfvertrouwen door wat bereikt was, en een vurig verlangen naar nog meer overwinningen.'

De meesten van die radicalen speculeerden alsvolgt: als de Afghaanse djihad de ene supermogendheid, de Sovjet-Unie, had verslagen, konden ze dan niet ook die andere supermogendheid, de Verenigde Staten, verslaan, evenals hun eigen regimes? De logica van dit argument was gebaseerd op de simpele veronderstelling dat de Afghaanse djihad in zijn eentje de Sovjet-Unie op de knieën had gedwongen. De talrijke interne redenen die tot de ineenstorting van het Sovjetsysteem hadden geleid, en waarvan de djihad er slechts één was, negeerden ze maar liever. Terwijl de Verenigde Staten de ineenstorting van de Sovjetstaat zagen als het falen van het communistische systeem, zagen veel moslims deze uitsluitend als een overwinning voor de islam. Voor militanten was zo'n overtuiging inspirerend; het herinnerde hen aan de golf van bekeringen in de zevende en achtste eeuw. Een nieuwe islamitische Ummah, zo redeneerden ze, zou tot stand kunnen komen door de offers en het bloed van een nieuwe generatie martelaren en meer van zulke overwinningen.

Onder die duizenden buitenlandse rekruten was een jonge Saoedische student, Osama Bin Laden, de zoon van de Jemenitische bouwmagnaat Mohammed Bin Laden, die een intieme vriend van wijlen koning Feisal was geweest en wiens bedrijf onvoorstelbaar rijk was geworden door de contracten ter renovatie en uitbreiding van de heilige moskeeën van Mekka en Medina. De Isi had al een hele tijd gewild dat prins Toerki Bin Faisal, het hoofd van Istakhbarat, de Saoedische inlichtingendienst, een koninklijke prins zou sturen om het Saoedische contingent aan te voeren, teneinde moslims te laten zien hoezeer de koninklijke familie de djihad ter harte nam. Tot die tijd waren alleen armere Saoediërs, studenten, taxichauffeurs en bedoeïenen gekomen om te vechten. Maar niet één verwende Saoedische prins was bereid tot een primitieve periode in de bergen van Afghanistan. Bin Laden was weliswaar niet van koninklijken bloede, maar hij was een bekende van de koninklijke familie en zeer bepaald rijk genoeg om het Saoedische contingent aan te voeren. Bin Laden, prins Toerki en generaal Gul zouden goede vrienden worden, bondgenoten voor een gemeenschappelijke zaak.

Het centrum voor de Arabo-Afghanen was het kantoor van de World Moslim League en de Moslimbroederschap in Peshawar, dat geleid werd door Abdoellah Azam, een Jordaanse Palestijn die Bin Laden vroeger al als student aan de universiteit in Djedda had ontmoet en die hem vereerde als zijn leider. Azam en zijn twee zonen zijn in 1989 bij een bomaanslag in Peshawar om het leven gekomen. In de jaren tachtig had Azam hechte banden gekregen met Hekmatiar en Abdul Rasul Sayyaf, de Afghaanse islamgeleerde die de Saoediërs naar Peshawar hadden gestuurd om het wahabbisme te propageren. Saoedische gelden bereikten Azam en het Mahtab al Khidmat of dienstencentrum dat hij in 1984 had opgericht om de nieuwe rekruten te helpen en giften van islamitische liefdadigheidsorganisaties in ontvangst te nemen. Donaties van de Saoedische inlichtingendienst, de Saoedische Rode Halve Maan, de World Muslim League en particuliere schenkingen van Saoedische prinsen en moskeeën liepen allemaal via het Makhtab. Tien jaar later zou het Makhtab het middelpunt blijken van een web van radicale organisaties die hielpen bij de uitvoering van de bomaanslag op het World Trade Centre en de aanslagen van 1998 op de Amerikaanse ambassades in Afrika.

Voordat Bin Laden in Afghanistan arriveerde was er in zijn leven eigenlijk niets bijzonders voorgevallen. Hij is omstreeks 1957 geboren, als zeventiende van zevenenvijftig kinderen die zijn Jemenitische vader had verwekt. Zijn moeder was Saoedische. Bin Laden had voor zijn doctoraal bedrijfskunde aan de King Abdoel Aziz Universiteit in Jeddah gestudeerd, maar was al gauw geswitcht naar islamitische studies. Hij is mager en lang, een meter drieënnegentig, met lange ledematen en een golvende baard, en hij torende boven zijn leeftijdgenoten uit - ze herinneren zich hem als een stille en vrome kerel, maar niet als iemand die voorbestemd was voor grote dingen.

Zijn vader steunde de strijd in Afghanistan en hielp bij de financiering daarvan, dus toen Bin Laden besloot zich als vrijwilliger te melden, reageerde zijn familie enthousiast. Hij reisde voor het eerst in 1980 naar Peshawar, waar hij de leiders van de Moedjahidien ontmoette, en keerde vaak terug met Saoedische donaties voor het goede doel, tot hij in 1982 besloot zich in Peshawar te vestigen. Hij liet de technici en de zware apparatuur van zijn bedrijf overkomen en hielp met de aanleg van wegen en opslagplaatsen voor de Moedjahidien. In 1986 hielp hij met de bouw van het tunnelcomplex bij Khost, dat de CIA financierde als belangrijk wapendepot, trainings- en medisch centrum voor de Moedjahidien, diep onder de bergen vlak bij de grens met Pakistan. In Khost richtte hij zijn eigen trainingskamp in voor Arabo-Afghanen, die in die slanke, rijke en charismatische Saoediër steeds meer hun leider zagen.

'Om die atheïstische Russen tegen te houden hebben de Saoediërs mij gekozen als hun vertegenwoordiger in Afghanistan', zei Bin Laden later. 'Ik heb me in Pakistan gevestigd, in het grensgebied met Afghanistan. Daar heb ik vrijwilligers ontvangen uit het Saoedisch koninkrijk en uit alle Arabische en moslimlanden. Ik heb mijn eerste kamp ingericht, waar die vrijwilligers werden opgeleid door Pakistaanse en Amerikaanse officieren. De wapens werden geleverd door de Amerikanen, het geld door de Saoediërs. Ik ontdekte dat het niet voldoende was om in Afghanistan te vechten, dat we op alle fronten moesten vechten, tegen communistische of westerse onderdrukking.'

Bin Laden beweerde later te hebben deelgenomen aan hinderlagen voor Sovjet-troepen, maar voornamelijk heeft hij zijn rijkdom en de donaties uit Saoedi-Arabië gebruikt om projecten van de Moedjahidien uit te voeren en het wahabbisme onder de Afghanen te verbreiden. Na de dood van Azam in 1989 nam hij Azams organisatie over en richtte hij Al Kaida, de militaire basis, in als dienstencentrum voor Arabo-Afghanen en hun familie en voor het totstandbrengen van een bondgenootschap op brede basis onder hen. Met de hulp van Bin Laden hadden enkele duizenden Arabische militanten bases gesticht in de provincies Kunar, Nuristan en Badakhshan, maar vanwege hun extreem wahabbitische praktijken kregen de meeste Afghanen een grote hekel aan hen. Bovendien hadden de Arabo-Afghanen, door zich aan te sluiten bij de meest extreme pro-wahabbitische Pashtun-Moedjahidien, de niet-Pashtun en de sjiitische moslims van zich vervreemd.

Ahmed Shah Masud had later kritiek op de Arabo-Afghanen: 'Mijn djihad-factie had geen goede relaties met de Arabo-Afghanen in de jaren van de djihad. Ze hadden daarentegen heel goede contacten met de facties van Abdul Rasul Sayyaf en Goelboeddin Hekmatiar. Toen mijn factie in 1992 Kaboel binnentrok, vochten de Arabo-Afghanen mee met Hekmatiars, tegen ons. We zullen hun (de Arabieren) vragen ons land te verlaten. Bin Laden doet meer kwaad dan goed', zei Masud in 1997, nadat hij door de Taliban uit Kaboel was verdreven.

Omtrent 1990 was Bin Laden gedesillusioneerd geraakt door het interne gekibbel van de Moedjahidien, en hij keerde terug naar Saoedi-Arabië om in het familiebedrijf te werken. Hij stichtte een welzijnsorganisatie voor Arabo-Afghaanse veteranen, van wie zo'n vierduizend zich alleen al in Mekka en Medina hadden gevestigd, en hij schonk geld aan de families van de gesneuvelden. Nadat Irak Koeweit was binnengevallen, lobbyde hij bij de koninklijke familie om een volksverdediging van het koninkrijk te organiseren en een legertje van de Afghaanse oorlogsveteranen in te zetten. In plaats daarvan nodigde koning Fahd de Amerikanen uit. Dat was een enorme schok voor Bin Laden. Toen de 540 000 Amerikaanse troepen aankwamen, uitte Bin Laden openlijk kritiek op de koninklijke familie, en hij lobbyde bij de Saoedische oelema's om fatwa's uit te vaardigen, religieuze veroordelingen van het feit dat niet-moslims in het land gelegerd werden.

De kritiek van Bin Laden werd nog heviger toen na de bevrijding van Koeweit omtrent 20 000 Amerikaanse militairen in Saoedi-Arabië achterbleven. In 1992 had hij een heftige ontmoeting met de minister van Binnenlandse Zaken, prins Naif, die hij een verrader van de islam noemde. Naif klaagde bij koning Fahd en Bin Laden werd tot persona non grata verklaard. Toch had hij nog steeds bondgenoten in de koninklijke familie, die eveneens een hekel hadden aan Naif, en hij handhaafde zijn verbindingen met zowel de Saoedische inlichtingendienst als de Isi.

In 1992 vertrok Bin Laden naar Soedan om deel te nemen aan de islamitische revolutie die daar aan de gang was onder leiding van de charismatische Soedanese leider Hassan Toerabi. Bin Ladens aanhoudende kritiek op de Saoedische koninklijke familie ergerde hen ten slotte zozeer dat men iets ongehoords deed: in 1994 werd hem zijn staatsburgerschap ontnomen. In Soedan heeft Bin Laden met zijn rijkdom en zijn contacten alweer veteranen van de Afghaanse oorlog om zich heen verzameld, die allemaal walgden van de Amerikaanse overwinning op Irak en van de houding van Arabische heersende elites die het goedvonden dat Amerikaanse militairen in het Golfgebied achterbleven. Naarmate de druk op Soedan van Amerikaanse en Saoedische zijde toenam, omdat het land Bin Laden huisvestte, verzocht de Soedanese overheid hem te vertrekken.

In mei 1996 reisde Bin Laden terug naar Afghanistan, en hij landde in Jalalabad met een gecharterd straalvliegtuig, met een entourage van tientallen Arabische militanten, lijfwachten en familieleden, inclusief drie echtgenotes en dertien kinderen. Daar heeft hij onder bescherming van de Sjoera van Jalalabad gewoond, tot aan de verovering van Kaboel en Jalalabad door de Taliban in september 1996. In augustus 1996 had hij zijn eerste verklaring uitgevaardigd over een djihad tegen de Amerikanen die volgens hem Saoedi-Arabië hadden bezet. 'De muren van onderdrukking en vernedering kunnen uitsluitend door een kogelregen omvergeworpen worden', aldus die verklaring. Vervolgens sloot hij vriendschap met mollah Omar, en in 1997 verhuisde hij naar Kandahar, waar hij onder bescherming van de Taliban stond.

Inmiddels had de CIA een speciale cel georganiseerd die zijn activiteiten en zijn contacten met andere militante islamitische organisaties in het oog hield. In een rapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 1996 staat te lezen dat Bin Laden 'een van de belangrijkste financiële sponsors van islamitische extremistische activiteiten ter wereld' was. Het rapport deelt mee dat Bin Laden opleidingskampen voor terroristen financierde in Somalië, Egypte, Soedan, Jemen, Egypte en Afghanistan. In april 1996 ondertekende president Clinton de Anti-Terrorism Act, een wet die de Verenigde Staten toestemming gaf bezittingen van terroristische organisaties te bevriezen. Deze wet is voor het eerst gebruikt om Bin Laden te verhinderen gebruik te maken van zijn fortuin, dat geschat wordt op 250 tot 300 miljoen dollar. Een paar maanden later verklaarde de Egyptische inlichtingendienst dat Bin Laden duizend militanten in opleiding had, een tweede generatie Arabo-Afghanen, ter bevordering van islamitische revoluties in Arabische landen.

Begin 1997 vormde de CIA een team dat in Peshawar arriveerde om te proberen Bin Laden uit Afghanistan te smokkelen. De Amerikanen namen Afghanen en Pakistanen in dienst om hen te helpen, maar bliezen de onderneming af. De Amerikaanse activiteiten in Peshawar overreedden Bin Laden te verhuizen naar de veiliger omgeving van Kandahar. Op 23 februari 1998, bij een samenkomst in het oorspronkelijke kamp in Khost, vaardigden alle groepen die met Al Kaida te maken hadden een manifest uit onder de naam van 'Het Internationaal Islamitisch Front voor Djihad tegen Joden en Kruisvaarders'. In dat manifest stond: 'Al meer dan zeven jaar houden de Verenigde Staten de landen van de islam bezet op de allerheiligste plaats, het Arabisch schiereiland, waar ze de rijkdommen plunderen, de vorsten de wet voorschrijven, de buurlanden terroriseren en de bases op het schiereiland veranderen in een speerpunt om de aangrenzende moslimvolken aan te vallen'.

De bijeenkomst vaardigde een fatwa uit. 'Het besluit om de Amerikanen en hun bondgenoten - zowel burgers als militairen - te doden, is een individuele plicht voor elke moslim die het kan doen, in elk land waar dat mogelijk is.' Bin Laden had nu een beleid opgezet dat zich niet alleen tegen de Saoedische koninklijke familie of tegen de Amerikanen richtte, maar ook opriep tot bevrijding van het gehele islamitische Midden-Oosten. Toen de Amerikaanse oorlog tegen Irak in 1998 escaleerde, deed Bin Laden een beroep op alle moslims: ze moesten Amerikanen en Britten 'ter verantwoording roepen, bevechten en doden'.

Toch is pas door de bomaanslagen in augustus 1998 op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, waarbij 220 mensen zijn omgekomen, de naam Bin Laden algemeen bekend geworden in de moslimwereld en in het Westen. Al dertien dagen later hebben de Verenigde Staten, nadat ze Bin Laden hadden beschuldigd van de aanslagen, wraak genomen door zeventig kruisraketten af te vuren op Bin Ladens kampen rondom Khost en Jalalabad. Verscheidene kampen die door de Taliban waren overgedragen aan de Arabo-Afghanen en Pakistaanse radicale groeperingen werden getroffen. Het kamp Al Badr, geleid door Bin Laden, en de kampen Khalid bin Walid en Muawia, onder leiding van de Pakistaanse Harakat ul Ansar, waren de hoofddoelen. De Harakat gebruikte deze kampen om militanten op te leiden voor de strijd tegen Indiase troepen in Kashmir. Zeven buitenstaanders zijn bij de aanval gedood: drie Jemenieten, twee Egyptenaren, een Saoediër en een Turk. Verder zijn daar zeven Pakistanen omgekomen, en twintig Afghanen.

In november 1998 loofden de Verenigde Staten vijf miljoen dollar uit voor degene die Bin Laden te pakken kon krijgen. De Amerikanen kwamen nog feller in actie toen Bin Laden beweerde dat het zijn islamitische plicht was chemische en nucleaire wapens aan te kopen om tegen de Verenigde Staten te gebruiken. 'Het zou een zonde voor moslims zijn als ze niet probeerden de wapens in handen te krijgen die zouden voorkomen dat ongelovigen moslims kwaad doen. Vijandschap tegenover Amerika is een religieuze plicht, en we hopen daarvoor door God beloond te worden', aldus Bin Laden in 1998.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden