AMERIKA IN EEN WERELD VOL ZWAKKE BROEDERS EN GEKKEN

Hoewel de autopsie pas gepleegd kan worden als de allerlaatste ademtocht is geweken, is Bosnie-Hercegovina het eerste slachtoffer van het feest dat het einde van de Koude Oorlog had moeten zijn. Wie weet hoe dat voorkomen had kunnen worden, mag het nog een keer zeggen, maar Europa en Amerika deden het in ieder geval niet. Het zal de doden en nog levenden vermoedelijk een zorg zijn, maar hun lot legt de zwakte bloot van het bondgenootschap in nieuwe tijden. Maar als Europa niets kan doen, wat staat

Nu het niet meer regent, zijn de landen van Oost en West, die zo lang onder de nucleaire paraplu van Amerika of de Sowjet-Unie in vrees verenigd waren, teruggevallen op oude reflexen: nationalisme, vreemdelingenhaat, territoriumdrift, naijver. Alle zekerheden zijn weggevallen, behalve dat je op elke straathoek een gek met doorgeladen geweer kunt tegenkomen.

Het treft slecht dat op het moment dat de vele wezen van de Koude Oorlog het hardst roepen om een ordende hand in deze chaos, de laatste supermacht nu juist in zichzelf lijkt te keren.

Dertig jaar geleden kon John F. Kennedy de missie van Amerika nog duiden met een enkel zinnetje: 'Ich bin ein Berliner'.

Gedreven door een bijzonder mengsel van idealisme en opportunisme, van vrijheidsliefde en angst voor de bom, verbond de natie haar lot met dat van Europa en eigenlijk ook met de rest van de wereld. Zij dreef de zwart-wit-strategie van nucleaire afschrikking tot het uiterste en tot in alle uithoeken. Amerika won, maar door het einde van de Koude Oorlog verloor het, in de woorden van oud-minister James Schlesinger, “het magnetische noorden, waarop het de koers van zijn buitenlands beleid kon uitzetten.”

Gemeenplaatsen over stuurloze supertankers, hoge zeeen, piraten, losgeslagen ankers en verraderlijke kusten, dringen zich op. Maar ook zonder beeldspraak is de essentie duidelijk: er is voor Amerika geen dwingende reden meer voor zulke wereldwijde krachtsinspanningen, maar er is volop reden om terug te treden. Het moet de prijs voor zijn overwinning nog betalen; het land is economisch en sociaal zo ernstig verwaarloosd dat de nieuwe president, ook zonder buitenland, het al zwaar genoeg krijgt.

Kennedy is zijn voorbeeld, maar de missie van Clinton, zo heeft hij het volk moeten beloven, is een andere: I am an American. En waarom ook niet? Clinton kon als eerste president de Muur de rug toe keren simpelweg omdat die er niet meer staat. En volgens de wijsheid van de straat kan Amerika niet nog een oorlog voeren om van zijn vijanden sterkere tegenstanders te maken - als al die Duitsers tegenwoordig 'dankzij ons' BMW kunnen rijden, moeten ze voortaan maar zelf die Trabantjes naar de garage slepen.

Een groepje Nederlandsejournalisten verkeerde vorige week in Washington onder denkers en doeners, op initiatief van de Nederlandse Atlantische Commissie, die zich mede ten doel stelt de banden met Amerika zo nauw mogelijk te houden als levensverzekering voor Europa. Bijna zes maanden na Clintons beediging konden zij even om het hoekje kijken in de machinekamers van de Amerikaanse buitenlandse politiek en vernamen zij van stuurlui aan de wal (we zijn toch weer op zee) wat er loos is, met Amerika, met Europa, met de wereld.

Blauwdrukken waren niet voorradig. Mensen in de vele 'denktanks' van Washington, zijn het erover eens dat het land zich terugtrekt, maar zij hebben geen idee hoever president Clinton wil of kan gaan. Om er een (Helmut Sonnenfeldt van het Brookings Instituut) aan te halen: “We moeten ons aanpassen aan een nieuw tijdperk, dat nog niet vastomlijnd is. De situatie verandert voortdurend in de wereld en we proberen er achter te komen wat het allemaal betekent.”

Wat de doeners betreft; veel hoge functionarissen op het ministerie van buitenlandse zaken en defensie hebben nog moeite om hun eigen bureau te vinden, laat staan dat zij al weten hoe het met de wereld verder moet. Dat is geen kwestie van domheid, maar velen zijn amper benoemd, moeten nog ter bevestiging in het ambt op het gloeiende rooster van een Congrescommissie liggen of wachten zelfs nog op het bevrijdende telefoontje van het Witte Huis dat de FBI in de archieven geen sporen van illegale, zwart betaalde werksters of tuinlieden heeft teruggevonden.

Aan de top is in ieder geval slechts ambivalentie zichtbaar geworden. Het Witte Huis en minister van buitenlandse zaken Warren M. Christopher floten staatssecretaris Peter Tarnoff terug nadat hij op 26 mei de pers had uitgelegd wat iedereen al wist: Amerika zal een minder belangrijke rol in de wereld spelen.

Kennelijk mag die waarheid nog niet hardop worden gezegd. Een dag later probeerde Christopher het omgekeerde te beweren: “Vergist u niet, wij zullen leiden.” Maar veelbetekenend was dat hij niet in Moskou, Brussel of Sarajevo sprak, maar op de universiteit van Minnesota op een rondreis door het land om het volk ervan te overtuigen dat het buitenland nu binnenland is geworden: “Op het ministerie van buitenlandse zaken hebben we een afdeling voor vrijwel elk land: een China-afdeling, een Brazilie-afdeling en een Rusland-afdeling. Als minister van buitenlandse zaken ben ik vastbesloten dat we ook een Amerika-afdeling zullen hebben, en dat ik daar achter het bureau zal zitten.”

Het is niets nieuws; een krijgsheer, die de buit vergeet, staat niet lang in aanzien. De vele critici vragen zich echter af hoe Amerika de wereld denkt te kunnen leiden vanaf zijn kantoorstoel.

Christopher bevestigt dat deze regering voort wil gaan op de weg die president George Bush aanwees: het nationale vredesdividend (de buit) is een nieuwe wereld waarin de last en de plicht van de ordehandhaving op meerdere schouders drukken. Koeweit, Noord-Irak en Somalie zijn voorbeelden, maar voorlopig is Cambodja ideaal: geen Amerikaanse troepen, de Verenigde Naties bewaren de vrede, Japan mag het grootste deel van de rekening betalen en Clinton kan zich concentreren op de economie.

Maar vroeg of laat komt elk gesprek in Washington uit op Bosnie. Het drukt niet alleen op het geweten, het spot met de notie van enige orde. De belangrijkste les die Amerikanen uit het bloedbad trekken is dat er geen andere sterke schouders zijn. West-Europa is te zwak en te verdeeld om Oost-Europa in veiliger vaarwater te houden. “We hebben allemaal een onvoldoende gehaald in Joegoslavie”, zegt een Amerikaans regeringsfunctionaris. “Maar Bosnie is geen rechtstreekse bedreiging voor onze veiligheid, het is hoogstens een humanitair belang. Je kunt je wel afvragen hoe serieus Europa zijn veiligheid neemt. Het is een lastige, maar vertrouwde situatie: Europa wil dat wij het leiden, maar wil dat ook weer niet. Afgezien van handel blijkt Europa nog steeds niet te bestaan.”

De internationale orde berust op een misverstand, waardoor alle potentiele agenten van samenwerking (of ze nu Navo, EG, Weu, CVSE of VN heten) op losse schroeven zijn komen te staan.

Het bezoek aan Washington maakt niet duidelijk welke conclusies de Verenigde Staten voor zichzelf hebben getrokken. De ene allesoverheersende dreiging heeft plaats gemaakt voor een onoverzichtelijke verscheidenheid aan kleine bedreigingen. Het totaal kan groter zijn dan de som, maar waar moet je de lijn trekken tussen afwachten en ingrijpen? Zolang de rangorde van prioriteiten niet helder is, wordt zij sterk beinvloed door de wisselvallige emoties die televisiecamera's kunnen oproepen (wel in Somalie, niet in Soedan) of door de religie en nationaliteit van degenen die in New York bommen aanmaken.

Zbigniew Brzezinski en Alan Tonelson vertegenwoordigen in Washington twee uiterste antwoorden op dit dilemma: interventionisme versus isolationisme. De eerste is in 1928 in Polen geboren en zag de Muur verrijzen tussen de ruines van de tweede wereldoorlog. Brzezinski was veiligheidsadviseur van president Jimmy Carter en adviseert al jaren iedereen die maar horen wil. De tweede is van de naoorlogse generatie die in Amerika mede gevormd is door de moorden op de Kennedy's en Martin Luther King, de ontgoocheling van Vietnam en Watergate. Tonelson werkt op het Instituut voor Economische Strategieen, een jonge denktank waarvan de naam doet vermoeden dat hij beter aansluit op deze regering dan alle peinsorganisaties met namen waarin 'Veiligheid', 'Internationaal' of 'Atlantisch' voorkomen.

Brzezinski begrijpt dat de president de economie voorop moet stellen, maar een grootmacht heeft meer taken al was het maar omdat de economie verweven is met die van de rest van de wereld. “Deze regering is niet isolationistich”, zegt Brzezinski. “Zij heeft echter een minimalistische kijk op haar rol in de wereld. Zij beschikt over geen enkele doctrine, geen globale strategie, zij doet slechts wat nodig is. Haar wens om het leiderschap te delen, betekent het ontbreken van leiderschap. Er zijn geen anderen.” Het door Christopher vaak aangehaalde wapenfeit van de steun aan Boris Jeltsin, wuift hij weg als te weinig en wellicht te laat. Brzezinski maakt zich grote zorgen om Rusland en zijn buren. Daar en elders liggen gevaren die vragen om actief Amerikaans leiderschap.

Alan Tonelson maakt zich in de eerste plaats zorgen om Amerika: “De VS kunnen en hoeven zich niet langer het wereldleiderschap veroorloven. Wij kunnen niet meer de welzijnswerker zijn waarbij iedereen in nood kan aankloppen. Dit land moet zich terugtrekken. Niet helemaal, maar we moeten duidelijker vaststellen wat onze nationale belangen werkelijk zijn.” De keuze is volgens hem gedeeltelijk al gemaakt door de vergaande bezuinigingen op defensie: de slagkracht van de supermacht is kleiner geworden.

Voor Brzezinski is er geen keuze, maar een plicht om de confrontatie met de chaos aan te gaan. Hij laat zich daarbij behalve door strategische (zo ziet hij in China de grootste bedreiging van de toekomst) ook door morele afwegingen leiden. In zijn laatste boek 'Out of Control' schat hij gedetailleerd dat in deze zo kalmpjes begonnen eeuw meer dan 87 miljoen mensen op slagvelden zijn omgekomen en nog eens 80 miljoen anderen koelbloedig vermoord zijn in naam van een ideologie of een religie. De som, 167 000 000, herinnert hem eraan wat agressie in de mens teweeg kan brengen.

Het boek mondt uit in een pleidooi tot morele herbewapening, een omslag in de cultuur van Amerika, opdat het zichzelf en de wereld niet langer gevangen houdt in een wedloop van verspilling en vernietiging. Praktisch gesproken, denkt hij dat Amerika zo snel mogelijk het voortouw moet nemen om tenminste in Oost-Europa enige orde te brengen. Het alternatief is volgens hem 'doormodderen met alle Bosnies van deze wereld'.

Tonelson ziet in de moraal geen aanleiding om naar voren te gaan, maar wel om de nucleaire afschrikking te behouden en het oude idee van een ruimteschild tegen raketten niet op te geven. Daarmee moet Amerika zijn vijanden (hij denkt ook al aan China) op meer dan armlengte houden, maar het mag nimmer soldaten de wereld in sturen als bewaarders of bezorgers van andermans vrede.

Sterker, de VS dienen hun troepen uit Europa en Azie terug te trekken en de Navo kan binnen vijf tot tien jaar te worden opgedoekt. “Als Oost-Europa in moeilijkheden komt, wil ik daar zo ver mogelijk vandaan zijn.” Toegang tot andere markten mag niet afhankelijk zijn van veiligheidsgaranties. “Ik betaal daarvoor liever de economische prijs dan er mensenlevens voor op het spel te zetten.”

Tonelson brengt terloops naar voren dat hij joods is en dat zijn vader bommen heeft afgeworpen boven Duitsland. Het werpt de vraag op naar zijn morele besef. “We vochten toen niet voor de joden. Zij gingen ten onder. Het was voor ons een geweldige oorlog. Het land leefde op en het gaf betekenis aan het leven van mijn vader.” De lijn doortrekkend naar het bestaansrecht van Israel, aarzelt hij voor het eerst: “Morele overwegingen kunnen een rol spelen, maar je moet realistisch zijn over de gevolgen. Het is ook immoreel om volgende generaties te belasten met de prijs die je ervoor moet betalen.”

En Bosnie?

Tonelson: “Dat is voor ons een plaatselijk rumoer met weinig uitstralingsgevaar. Waarom zou je daarvoor Amerikaanse levens riskeren? Wees maar blij dat jullie ook niet in die oorlog verzeild zijn geraakt, tot nog toe dan.”

Brzezinski vindt het onverdraaglijk dat de slachting zich voltrekt op een plaats in de wereld waarvoor toch hogere normen hadden moeten gelden ('als het nu om Liberia gaat. . .'). Maar hij is het met Tonelson eens dat de bedreiging beperkt is, “als je het tenminste kunt beperken tot Bosnie. Maar als je vreest dat het conflict zich uitbreidt is het niet voldoende om te zeggen dat de Europeanen moeten leiden en dat ze pech hebben als ze dat niet kunnen.”

Brzezinski en Tonelson zijn geen ultra-extremen. Beiden oefenen invloed uit op het centrum van de Amerikaanse politiek. Zij markeren de uiteinden waartussen de supermacht schijnbaar nog zigzagt.

En wat tenslotte Bosnie betreft, is het de vraag waarom Bill Clinton driehonderd troepen naar Macedonie stuurt om uit te kijken over de Servische grens. Is het niet meer dan een symbolisch Amerikaans schoudertje onder een zwak Europa? Of is de wereldleider opnieuw geland om zonodig daadwerkelijk paal en perk te stellen aan agressie? Navraag bij regeringsfunctionarissen in Washington levert tegenstrijdige antwoorden op. Het versterkt de verdenking van sommige Amerikaanse denkers dat de doeners het zelf ook nog niet weten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden