Ambitieuze zendelingen

August Hans den Boef reageert op de CDA-Kamerleden Jan Schinkelshoek en Mirjam Sterk, die vorige week in Letter & Geest de zegeningen van het christelijk denken in herinnering riepen. „Zij zien religie als het probate wondermiddel dat alle problemen kan oplossen. Maar door hun gelovige tunnelvisie maken ze enkele grote vergissingen.”

Welk verschijnsel hoort niet in het volgende rijtje thuis: 11 september, Paars, een politieke moord, een religieuze moord, het uiteenspatten van de Nieuwe Economie. U denkt: Paars? Zo niet de twee CDA-Kamerleden Jan Schinkelshoek en Mirjam Sterk. In hun ogen is Paars een grote ramp voor de Nederlandse bevolking en buitenlandse politiek geweest. Een regering zonder hun partij.

Onder de kop ’We zijn in onze eigen leegte gestort’ (Letter & Geest, 10 november) schetsen ze een Nederland dat gedesoriënteerd aan de 21ste eeuw is begonnen: „Geschrokken, ontnuchterd grijpt het voormalige ’gidsland’ – het land dat het zo zeker wist, voor zichzelf, voor de wereld – terug op oude zekerheden. Dát heeft religie te bieden.”

Speak for yourself, is mijn eerste reactie. En ook heb ik dit CDA-duo niet nodig om te constateren dat Balkenende IV het christelijkste kabinet is sinds Colijn IV, om te zien hoe het Paarse verworvenheden subtiel en systematisch terugdraait, het liefst via PvdA-bewindslieden.

Schinkelshoek en Sterk zien religie als het probate wondermiddel dat alle problemen kan oplossen – dit in antwoord op een betoog van Paul Cliteur (Letter & Geest, 13 oktober) die het monopolie van godsdienst op moraal en ethiek afwijst. Ze geven weliswaar toe dat hun claim vanuit het verleden niet helemaal terecht is. Hun ’gevestigde godsdiensten’ gedroegen zich immers niet altijd als lieverdjes, waarbij de Kamerleden wijzen op de kruistochten. En ook de volgelingen van Luther en Calvijn vervolgden en doodden religieuze tegenstanders.

Overigens is zo’n historische excursie weinig productief. Je hoeft Moeder Teresa niet tegen Pol Pot weg te strepen of de Reformatie tegen de Inquisitie. Laten we dicht bij huis blijven. Kijken naar de populatie in Nederlandse gevangenissen. Als je zegt dat zich daar wel erg veel gelovigen bevinden, reageren je gelovige gesprekspartners steevast met de observatie dat die gevangenissen ook relatief veel laaggeschoolden herbergen. Waarmee ze impliciet zeggen dat een hogere onderwijsparticipatie dus beter voor individu en samenleving werkt dan religie. Beter ook voor integratie dan religie.

Desondanks gaan Sterk en Schinkelshoek zich te buiten aan wervende praatjes waarvan een ambitieuze zendeling nog wat kan leren. Religion is wonderful!

Door hun gelovige tunnelvisie maken Sterk en Schinkelshoek enkele grote vergissingen. Omdat deze misvattingen wel vaker klinken, lijkt het mij nuttig om ze hier te weerleggen.

Ten eerste nemen ze Cliteurs kwalificatie van onze samenleving als ’multireligieus’ ernstig, terwijl de Nederlandse samenleving absoluut niet multireligieus is. Een meerderheid van de bevolking voelt zich niet verbonden met een godsdienstige organisatie. De minderheid moet de religiemarkt inderdaad met heel wat andere spelers delen. Deze spelers kunnen wel doen alsof die ongelovigen niet bestaan, de facto moeten we spreken van een postreligieuze samenleving.

Seculieren hebben niets tegen godsdiensten op zichzelf, het zijn in hun ogen normale maatschappelijke verschijnselen, die zowel positief als negatief kunnen werken. Maar gelovigen moeten wel beseffen dat ze met een bescheidener plaats in de samenleving genoegen moeten nemen, en dat ze geen privileges kunnen claimen. Naast de principiële kwestie dat religie een privé-zaak is, geconsumeerd binnen woning, gebedsruimte en de eigen media, noopt de concurrentie met al die andere religies en denominaties ook tot bescheidenheid in de publieke ruimte.

Het zal enige tijd duren voor gelovigen daaraan wennen. Demografisch gezien blijven de kerken leeglopen. Dat zal op termijn eveneens voor de moskeeën gelden, ondanks de islamiseringsfantasieën van lieden als Wilders, Verdonk en Kamp.

Schinkelshoek en Sterk vergissen zich ook wanneer ze de Verlichting beschouwen als een verschijnsel dat analoog is aan hun gevestigde godsdiensten. Seculieren beschikken, anders dan gelovigen, niet over heilige boeken waarmee elke argumentatie kan worden gedood. Natuurlijk lezen zij geboeid allerlei teksten uit de Verlichting, maar zij beschouwen Les Lumières, Die Aufklürung, The Enlightenment vooral als een continu debat van soms zeer tegengestelde antagonisten.

Het gaat daarbij niet alleen om degenen die seculieren achteraf als voorlopers beschouwen. Want hun opvattingen scherpten de voorlopers in wisselwerking met opponenten die even interessant waren. Jonathan Swift had problemen met de ideeën van John Locke. Maar juist daardoor konden mensen als Voltaire weer hun pen slijpen. En zonder Edmund Burke’s conservatieve, maar scherpzinnige kritiek op de idealen van de Franse Revolutie was Thomas Paine’s ’The rights of man’ niet zo briljant geworden en had de Schotse dichter Robert Burns de reactie van Paine niet samengevat in zijn ontroerende gedicht ’A Man’s a Man for A’ That’.

Bovendien waren veel van deze debaters (Swift, Locke, Voltaire en Hume bijvoorbeeld), in wisselende mate gelovig. De grote wetenschapper Isaac Newton was gelovig, zijn collega Carl von Linné zelfs hevig. Volgens hem was werkelijk alles door Gods voorzienigheid voorbestemd.

Als seculieren zich plaatsen in een ’Verlichtingstraditie’, gaat het om dat continue debat, gebaseerd op ratio en scepsis. Het hele begrip Verlichting wordt overigens zeer te onpas gebruikt. Het was enige tijd verdwenen tot het in de negentiende eeuw – net als Shakespeare en Bach – werd herontdekt. In onze dagen dreigt het gekaapt te worden door islamofoben. Zij zijn, naast gelovigen, de enigen die de Verlichting beschouwen als analoog aan de ’gevestigde godsdiensten’.

Vervolgens beweren de twee CDA’ers dat waarden en normen niet zonder een religieuze verankering kunnen bestaan. „Hoe onderhoud je anders vitale waarden als menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid, naastenliefde en betrokkenheid [dan met religie]?”

Het antwoord op deze vraag is simpel. In de zeventiende eeuw al betoogden Baruch de Spinoza, Adriaan Koerbagh en Pierre Bayle dat waarden en normen zonder een religieuze verankering kunnen bestaan en dat een filosofische ethiek zich los kan bewegen van godsdienst. Cliteur geeft in zijn boek ’Moreel Esperanto’ latere voorbeelden als Voltaire, Immanuel Kant, Jeremy Bentham en John Stuart Mill. Voor wie dit te lang geleden is: sinds 1971, toen de Amerikaanse rechtsfilosoof John Rawls ’A Theory of Justice’ publiceerde, beschikken we over een eigentijds betoog dat stelt hoe „ethiek niet kan steunen op metafysica, wel op rationaliteit”. Behalve hijzelf hebben ook latere denkers als Avishai Margalit en Amartya Sen zijn ethiek verdiept en uitgebreid.

Ten slotte stellen Schinkelshoek en Sterk dat het christendom ’een indrukwekkende erfenis’ heeft nagelaten waarin „de moderne grondrechten stap voor stap zichtbaar worden”. Werkelijk? Ze draaien de zaak 180 graden om! Alle moderne grondrechten zijn juist ooit bevochten op dominante religieuze organisaties. De Grondwet van 1798 en die van 1848, de afschaffing van de slavernij, het vrouwenkiesrecht (dus het echte Algemeen Kiesrecht), de gelijkberechting van vrouwen, de (beperkte) rechten op abortus en euthanasie en het homohuwelijk. Zelfs de constitutionele vrijheid van godsdienst moest destijds op dominante kerken worden veroverd. Nog in 1854 liep het protestantse kerkvolk te hoop in de Aprilbeweging tegen het feit dat hun rooms-katholieke concurrenten de grondrechten van 1848 wilden verzilveren. Recentelijk nog zei Jan Peter Balkenende in Indonesië dat hij tegen het homohuwelijk had gestemd.

Natuurlijk hebben religieuze dissidenten veel behartenswaardige uitspraken gedaan. Maar vaak werden zij als ketters beschouwd, vervolgd, geëxcommuniceerd of vermoord. Het is wederom de omgekeerde wereld om deze dissidenten na een paar eeuwen met terugwerkende kracht binnen te halen als nobele vertegenwoordigers van hun godsdienst. De tegenstanders van de slavernij bijvoorbeeld. Bovendien, in de tijd dat iedereen tot een religieuze organisatie moest behoren, konden dissidenten hun behartenswaardige uitspraken niet anders ventileren dan via een religieus discours. Zoals middeleeuwse schilders, dichters en componisten hun talent slechts konden uiten via de bijbelse onderwerpen en motieven van hun opdrachtgevers.

Gelovigen als Sterk en Schinkelshoek hebben alle recht om in de beslotenheid van woning en gebedsruimte en binnen hun eigen media selectief positief over hun religie te spreken en negatief over concurrenten en ongelovigen. Maar als politici een discussie met anderen willen voeren, werkt zo’n attitude voor hen uiterst onproductief.

Dat geldt ook voor hun antagonisten. Ongelovigen als ik menen op basis van wetenschappelijke, antropologische, sociologische en psychologische argumenten dat de mens zijn goden en religies, de symbolen en rituelen zelf heeft bedacht, zoals hij ook zijn heilige boeken zelf heeft geschreven. Maar dat die heilige teksten door God zijn geopenbaard, evenals de daaruit voortvloeiende sacrale handelingen, vormt voor gelovigen nu juist de essentie van hun levensbeschouwing. Daarover debatteren heeft dus weinig zin.

John Rawls heeft daarom ooit een algemeen discours voorgesteld, waarbij men probeert de formuleringen uit de eigen achtergrond te vertalen in formuleringen die voor de gehele samenleving aanvaardbaar zijn. Dat betekent niet de eigen opvattingen ’inleveren’, maar wel assimilatie in een lingua franca binnen het debat. De debater gaat dan niet meer uit van de totale en onbespreekbare dominantie van religieuze teksten en van de superioriteit van degenen die ze als argument hanteren, maar hij spreekt bijvoorbeeld over de strategieën die burgers met een verschillende achtergrond gebruiken om samen hun doelen te bereiken. Iedereen – ook een seculier – doet in dit proces een stapje terug.

Zo’n discours sluit sterk aan bij Paul Cliteurs voorstel voor een ’moreel Esperanto’, zij het dat hij de grote Rawls in zijn gelijknamige boek slechts in een nootje noemt. Gezien het betoog van de twee Kamerleden heeft het CDA kennelijk geen behoefte aan zo’n gemeenschappelijk discours, om nog maar te zwijgen van de ChristenUnie. Je krijgt zowaar heimwee naar Paars.

August Hans den Boef is als docent-onderzoeker verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam. Binnenkort verschijnt van hem bij uitgeverij Van Gennep ’God als hype’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden