Ambitieus, onbuigzaam en omstreden

Gezina van der Molen richtte in 1943 de krant op die uitgroeide tot Trouw. Onbuigzaamheid lag aan de basis van haar verzetswerk, een karaktertrek die na de oorlog ook tegen haar werkte.

Gezina van der Molen had een onbuigzame houding. Die karaktertrek maakte haar tot een van de grootste verzetsheldinnen van Nederland. Zo was zij een van de weinige ambtenaren die eind 1940 om principiële redenen weigerde een ariërverklaring te ondertekenen. Al in een vroeg stadium liet zij de gehoorzaamheid aan de bezetter varen en riep op tot verzet.

Een van de eerste daden was het meewerken aan de illegale krant Vrij Nederland. Die krant vond zij na enige tijd te idealistisch en vooral te weinig calvinistisch. Op zaterdagmiddag 30 januari 1943 richtte zij in haar huis aan de Klapheklaan in Aerdenhout met drie anderen een nieuwe illegale krant op.

In mei 1943 kwam Van der Molen voor haar werk bij een kweekschool in contact met de Joodse kinderen die in een crèche verbleven, schuin tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, de plaats waar Joden werden ondergebracht in afwachting van transport naar Westerbork. Toen zij die kinderen zag, zou zij gezegd hebben: "Nu weet ik waarom God mij hierheen heeft geleid".

Zij besloot deze Joodse kinderen te redden. Een voor een smokkelde zij ze naar buiten en zorgde ervoor dat zij bij Nederlandse gezinnen konden onderduiken. Na de oorlog is Van der Molen voor deze heldendaden uitvoerig bedankt, geridderd en geëerd.

Maar het verhaal van Gezina van der Molen gaat verder dan haar onverschrokken gedrag tijdens die donkere oorlogsjaren. Zij was enig kind van een ambitieuze Friese onderwijzer die het tot Tweede Kamerlid en burgemeester zou schoppen. Die ambitie zou zij van haar vader overnemen, maar zij liep in haar gereformeerde milieu onvermijdelijk tegen grenzen op. In de ARP zaten de mannenbroeders niet op ambitieuze vrouwen te wachten.

Uiteindelijk zou zij als eerste vrouw aan de Vrije Universiteit promoveren en na de oorlog, zij was toen 55, bij dat gereformeerde bolwerk hoogleraar volkenrecht worden. Zij meende later dat die vertraging haar wetenschappelijke carrière in de kiem had gesmoord. Volgens Gert van Klinken, die in 2006 de biografie 'Strijdbaar en omstreden' publiceerde, zou zij als hoogleraar niet boven de middelmaat uitkomen.

Het hebben van groot zelfbewustzijn is een constante in haar leven. Bescheidenheid noemde zij volgens Van Klinken geen deugd. Dat is des te opvallender omdat in gereformeerde kringen dat wel van vrouwen verwacht werd. Haar zelfbewustzijn leidde tot een andere opvallende keuze. Omstreeks 1929 werd zij verliefd op Mies Nolte, die behalve vrouw, alsof dat nog niet genoeg was, ook nog eens katholiek was.

Waar veel lesbische vrouwen uit gereformeerde kring hun geaardheid onderdrukten, besloot Van der Molen met Nolte te gaan samenwonen. Voor de buitenwereld leek het misschien een zakelijke aangelegenheid van twee ongehuwde vrouwen die een huishouden deelden. Maar mensen die hen kenden, wisten wat de ware aard van hun vriendschap was. In de mannelijke kringen waarin Gesina zich toen al bewoog, durfde niemand door te vragen.

Veel mensen waren bang voor deze dominante vrouw, die energiek was, maar zich ook hypogondrisch kon gedragen en vaak een beroep deed op de attentie en zorg van Mies. Neven en nichten van Van der Molen vonden Mies een 'aardig mens' en vroegen zich weleens af hoe zij het uithield met Tante Gee en haar karakter.

Dat Mies tot een andere kerk behoorde, kwam hen eigenlijk wel goed uit. Zo onttrok de wederhelft zich aan het zicht van zowel de dominee als de pastor. Maar de situatie moet Van der Molen innerlijk hebben verscheurd. In haar columns hield zij haar vrouwelijke lezers voor dat zij zich volgens de calvinistische - lees: heteroseksuele - zeden moesten gedragen. Zij schreef lovende recensies van boeken met titels zoals 'Heilig het huwelijk', terwijl haar eigen leven een totaal andere aanblik bood.

In de familie Van der Molen werd Mies zonder problemen aanvaard. Haar vader realiseerde zich volgens Van der Klinken dat hij voor de keus stond om twee dochters of geen dochter te hebben. De zeer gereformeerde man boog mee. Hij accepteerde Mies en noemde haar 'zijn jongste dochter'.

Aanvankelijk was Gezina voorbestemd in de voetsporen van haar vader te treden. Zij volgde een opleiding tot onderwijzeres, maar het voor de klas staan lukte niet. Vervolgens bleek dat de verpleging niets voor haar was. Uiteindelijk bood ARP-voorman Anne Anema, een goede kennis van haar moeder, een uitweg. Hij nam haar op in huis, leerde haar de basisregels van de journalistiek, spijkerde haar algemene kennis bij en bezorgde haar een baan als journaliste bij ARP-krant De Standaard. Voor deze krant reisde zij in 1924 naar de Volkenbond in Genève en ontdekte daar wat haar echt boeide: de internationale rechtsorde.

De basis van haar verzetswerk was volgens haar biograaf Van Klinken een onbuigzame principiële houding. Laat nu net deze calvinistische deugd haar na de bevrijding aanzetten tot handelingen die later tot heftige kritiek zouden leiden en die over haar nagedachtenis een lelijke schaduw hebben geworpen.

Dat had te maken met de commissie Oorlogspleegkinderen (OPK) waarvan zij vlak na de oorlog voorzitter werd. De belangrijkste taak van deze commissie was de zorg voor Joodse oorlogswezen. Na de oorlog was niet meteen duidelijk welke ouders uit concentratiekampen of van onderduikadressen zouden terugkomen en dat riep de vraag op wat er met die kinderen moest gebeuren.

Al tijdens de oorlog koos Van der Molen de kant van de pleeggezinnen waar die kinderen ondergedoken hadden gezeten. Door de regering in Londen werd zij betrokken bij de totstandkoming van een wet op dat gebied. Van der Molen vond dat alle vaders en moeders die hun kind bij anderen hadden laten onderduiken uit de ouderlijke macht ontzet moesten worden. Pas bij gebleken geschiktheid zou dat worden hersteld. Uiteindelijk haalde dit voorstel het niet. Ontzetting uit de ouderlijke macht werd teruggebracht tot schorsing van ouders die hun kind niet binnen een maand hadden opgeëist.

Van der Molen vond dat als de pleegouders het kind wilden houden, het beter was voor het kind niet terug te keren naar de biologische ouders. Een kind gedijde nergens beter dan in een stabiel, gelovig en daardoor betrouwbaar gezin. Bovendien meende ze dat Joden na al die ontberingen al grote moeite hadden zelf op de been te blijven.

Van Joodse zijde reageerde men onthutst op deze principiële keuze. Zij konden die niet anders interpreteren dan als een poging om van de kinderen christenen te maken. Joden hadden het gevoel dat het verzet probeerde om het laatste restant Jodendom in Nederland uit te wissen.

Wat niet meehielp, was dat Van der Molen het OPK nogal autoritair leidde. Halverwege 1946 stapten elf Joodse leden tot haar grote teleurstelling uit de commissie. Zij vond het verschrikkelijk dat verzetsstrijders werden voorgesteld als de 'vijanden van het Joodse kind'. Tijdens de persconferentie gebruikte zij zelfs een antisemitisch stereotype: het bestaan van 'zekere eigenschappen' die de omgang met Joden zouden bemoeilijken. De strijd om het Joodse kind liep in Nederland hoger op dan in welk ander land ook. Dat was voor een groot deel te wijten aan de onbuigzame houding van Van der Molen. Zij nam besluiten, volgens Van Klinken, alsof het nog oorlog was.

Opvallend genoeg werden haar die standpunten in de eerste na-oorlogse jaren niet eens zo kwalijk genomen. Haar ster als verzetsstrijder was daarvoor te hoog gestegen. Zij werd behalve hoogleraar ook lid van het Permanente Hof van Arbitrage in Den Haag en streed met overtuiging tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Na haar overlijden in 1978 noemde Trouw haar een 'formidabele vrouw'. Pas later barstte de kritiek los op haar rechtlijnige handelen in de OPK. Journaliste Elma Verhey publiceerde een studie met als conclusie dat het beleid van de OPK voor Joodse kinderen desastreus was geweest. Kinderen waren afgesneden van hun Joodse wortels en blijvend geschaad. Cineast Willy Lindwer ging het verst met zijn stelling dat oorlogswezen beter in handen van de Duitsers hadden kunnen vallen dan in die van de commissie.

In 1992 organiseerde de Vrije Universiteit ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag een symposium. Bijna niemand kwam opdagen in de universiteit waar haar portret altijd een voorname plaats innam. In 1998 kreeg Van der Molen postuum de Jad-Vasjem-onderscheiding, uiteraard niet zonder dat daartegen werd geprotesteerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden