Review

ALVARO MUTIS, 'DE LOKROEP VAN DE ZEE'; LUIS SEPULVEDA, 'DE OUDE MAN DIE GRAAG LIEFDESROMANS LAS' Kortstondig moment van eeuwigheid

Alvaro Mutis, 'De lokroep van de zee', vert. Mariolein Sabarte Belacortu en Johanna Vuyk-Bosdriesz, uitg. Prometheus, 269 blz. - F 39,90; Luis Sepulveda, 'De oude man die graag liefdesromans las', vert. Mieke Westra, uitg. Meulenhoff, 117 blz. - F 24,90.

Na ettelijke Isabel Allendes te hebben afgescheiden, ziet het er trouwens naar uit dat de magisch-barokke imitatiedrang in zijn geheel wat is geluwd. Al betekent dat op zich niet dat de Latijns-Amerikaanse werkelijkheid er minder adembenemend op zou zijn geworden. Beperkter houdbaar, dat wel.

In zijn aan Chico Mendes opgedragen novelle 'De oude man die graag liefdesromans las', tracteert de tot nog toe onbekende Luis Sepulveda (Chili, 1949) nog maar eens op een greep uit het mythische aanbod van zijn continent.

Opvallend is wel de spaarzaamheid die hij zichzelf heeft opgelegd, alsof hij vreest dat de grondstof opraakt, dat het reservoir waaruit zijn 'boom'-voorgangers zo royaal putten, door de oprukkende beschaving dichtslibt.

Afgelegen bergdorpjes in het Amazonegebied, zoals het licht absurdistische El Idilio in dit boek (waar de twee keer per jaar langskomende tandarts onweerstaanbaar aan de postbode uit Marquez' 'De kolonel krijgt nooit post' herinnert), doen onze schrijvers ongetwijfeld nog steeds watertanden.

Maar de uitslag van de ongelijke strijd tussen westers en Indiaans staat bij voorbaat vast, al plaatste zelfs Vargas Llosa (die er niet voor terugdeinst van heel Latijns-Amerika een gigantisch Taiwan te willen maken) in 'Het woord van de verteller' vraagtekens bij de wenselijkheid van zoveel artistieke gelijkschakeling.

Dat het een illusie is te denken dat de inheemse culturen beschermd kunnen worden, ondervindt 'de oude man' Antonio Jose Bolivar Proano, die halverwege zijn leven tot de Shuar-gemeenschap is toegetreden, aan den lijve. Voor de vele schendingen van zijn groene wereld zoekt hij vertroosting in hulpeloze liefdesromans, en belichaamt op deze vertederende manier de moeizame overgang van een orale naar een geschreven identiteit.

Aan de hand van gave, compact geschreven taferelen laat Sepulveda zien hoe mensen blunderen wanneer ze zich op onbekend terrein wagen. De westerse geldzucht en stuitende ondeskundigheid vinden hun meest groteske uitdrukking in de figuur van de blanke burgemeester, die als het ware plompverloren het oerwoud werd ingedropt. De ravage die zijn handlangers in het dierenbestand aanrichten is enorm. De pogingen van de plaatselijke bevolking om dit verstoorde evenwicht alsnog te herstellen, monden uit in het ontroerende lijf-aan-lijf gevecht tussen 'de oude man' en een uitzinnige ocelot, dat zijn kracht ontleent aan primitieve omgangsvormen van wederzijds respect. Maar wanneer Antonio, om zijn eenzaamheid te verdrijven en zoveel blanke botheid te vergeten, zijn toevlucht in de literatuur zoekt, valt de worsteling in zijn nadeel uit.

Zoals blanken zich geen raad weten als het erop aankomt de natuur te ontcijferen, vergist Antonio zich wanneer hij nietsvermoedend woord en voorwerp laat samenvallen. Hij beseft namelijk nog niet dat de hem fascinerende tekens op het papier een verraderlijke kant hebben. Ze mogen dan het wonderlijke vermogen bezitten om de afwezigheid van bonte, krijsende papegaaien heel even op te heffen, feit is dat deze pagegaaien enkel dan in boeken terecht komen, wanneer ze als tastbare, betoverende werkelijkheid ten dode zijn opgeschreven.

Zelfs in de romans van Alvaro Mutis, die huivert voor warmbloedige heftigheid, dringt de zuidelijke levensstijl - onder de vorm van een Bourgondisch banket en een plassende minister in een tropische haven - weerbarstig door de Europese beschermlaag. Ook de watervalstructuur van vertelinstanties is er in Mutis' oeuvre op gericht strenge tussenschotten aan te brengen, om de steeds op de loer liggende mythevorming te temperen. Net als in 'De boeken van de onstuimige zuidenwind', waarmee Mutis in 1991 in het Nederlandse taalgebied werd geintroduceerd, staat in 'De lokroep van de zee' het merkwaardige duo Maqroll el Gaviero/Abdul Bashur centraal.

Vooral Maqroll, die al velerlei gedaanten heeft aangenomen en oorspronkelijk als een soort alter ego uit Mutis' poezie is geboren, werpt zijn slagschaduw op alle teksten van de auteur. Oud geworden, opereren beide vrienden nog steeds in de schemerzone tussen legaliteit en misdaad tegen een achtergrond van drank, bordelen en smerige hotelkamers. Over de verliezen die zich in hun levens hebben opgestapeld, bericht een vertellergetuige. In deel twee van dit boek spelen Abdul en Maqroll haasje-over en ruimt een verteller-chroniqueur vooral veel plaats in voor eerstgenoemde. Zoals voorheen worden zowel de diverse zeereizen van de personages als hun intermezzo's aan wal met lange tussenpozen van stilte afgewisseld.

Het eerste deel draagt de bizarre titel 'Amirbar'. Maqroll herstelt langzaam van malaria en doet aan een groepje vrienden, onder wie de verteller, het relaas van zijn trieste lotgevallen als goudzoeker in verlaten mijnen die vaag in de Colombiaanse Andes worden gesitueerd. Zijn plannen zijn weliswaar gestrand en hebben hem hevig doen terugverlangen naar 'de zilte onmetelijkheid van de oceaan', maar de herinnering eraan is inmiddels bijgezet in zijn veelkleurige voorraad ervaringen, en om het aanvullen van die voorraad is het Maqroll in de eerste plaats begonnen.

Hij had het nochtans kunnen weten, aangezien zijn nuchtere vriendin Dora Estala, die verwant is met de onafhankelijke Ilona uit de trilogie, hem voor de goudkoorts gewaarschuwd had. Desondanks begeeft Maqroll zich onder leiding van haar broer Eulogio op weg. De eerste mijnen confronteren hen met lugubere verschijningsvormen van de dood, maar nog wil Maqroll van geen ophouden weten.

Wanneer Eulogio in handen van de alomtegenwoordige strijdkrachten terecht komt, valt Maqroll zoals voorspeld ten prooi aan de 'mal de la mina', de waanzin van de mijn. Het betreft hier een goudkoorts die uit diepe, voorouderlijke lagen van zijn wezen voortkomt en waar het vooruitzicht van fikse winsten nauwelijks iets mee te maken heeft.

Het dient gezegd dat Mutis' Maqroll-figuur bij uitstek ontvankelijk is voor een dergelijk delirium. Hij is immers een man die tegenover het leven niet in te lossen verwachtingen koestert, en zulke hoge eisen stelt - smalend kijkt hij bij voorbeeld neer op vrienden 'die zich in een huisje met bloemen voor de ramen in Amsterdam, Antwerpen of Glasgow terugtrekken' - dat hij zichzelf veroordeelt tot een levenslang zwerversbestaan op zee. Af en toe, mijmert hij, ontstaat er, door het zonlicht, een glasheldere atmosfeer 'waardoor er een kortstondig moment van eeuwigheid wordt gecreeerd waarin elk voorwerp net lijkt te zijn ontstaan'.

Naar deze onversneden zuiverheid is de sceptische Maqroll rusteloos op zoek, en bewandelt daartoe de enige drie wegen die bij machte zijn hem toegang tot dergelijke grenservaringen te verschaffen: het tarten van de dood, de erotische beleving en de literatuur. In dit mijnenavontuur kruisen deze drie wegen elkaar.

Het werk in de schachten vergt van Maqroll een dusdanig zware inspanning dat hij het goud als een 'piepkleine portie eeuwigheid' ervaart, als een stukje Eldorado dat de aarde angstvallig bewaakt en slechts na een moeizame strijd uitlevert. Het bezorgt hem zelfs hallucinaties. Bij dageraad wordt hij gewekt door een vreemd geluid dat bij nader inzien de wind veroorzaakt, door langs de wanden van de grot langzaam omhoog te glijden. De gefluisterde klanken vormen samen het Arabische woord 'amirbar', waar ons 'admiraal' van werd afgeleid, en dat bijgevolg de lokroep van de zee symboliseert, als tweede waarschuwing voor Maqroll dat zijn verblijf op vaste bodem niet goed kan aflopen. Maqrolls euforie wordt naderhand nog aangewakkerd door de verschijning van Antonia, die Eulogio komt vervangen. Zij belichaamt een tweede vrouw-type in Maqrolls leven, dat zich met dierlijke gehechtheid aan hem overlevert en op den duur zijn onafhankelijkheid bedreigt.

Het goudzoeken, de Amirbar-klanken van de mijn, en Antonia's kreten die bij het vrijen tegen de rotswand weerkaatsen, versmelten, totdat deze elementen een dagelijks terugkerend ceremonieel worden waar Maqrolls zwerversgenen na enige tijd genoeg van krijgen. Antonia raakt door deze gang van zaken zo van slag dat ze wraak neemt. Voor de zoveelste keer ontkomt Maqroll op het nippertje aan de dood, en zit er voor hem niets anders op dan zich weer in onthechting en cosmopolitisme te gaan trainen, de specifieke orde achterna die zich schuilhoudt in wat wij 'toeval' noemen.

Geheel in overeenstemming met Maqrolls principe houdt Mutis zijn personage onbegrensd en invulbaar. Diens overpeinzingen bewegen zich kriskras over het levensoppervlak heen en weer, en ontlokken hem trefzekere dwarsdoorsneden van alle verschijnselen en plaatsen waarmee hij in aanraking komt. Maqrolls grillige inventaris van de wereld ('havenhotel': “Er zijn geen dingen op de wereld die zo op elkaar lijken als havenhotels. Altijd dezelfde goedkope zeepgeuren in de kamers, altijd dezelfde hal met meubels van een onbestemde kleur, en altijd dezelfde uit Mitteleuropa afkomstige eigenaar die in alle talen altijd dezelfde dertig onmisbare woorden spreekt”) overtuigt dankzij de terloopse onopzettelijkheid waarmee die wordt ontvouwd.

Het meeste komen we te weten over Maqrolls lectuur. Aangezien hij meent dat het verleden het betrouwbaarste draaiboek van de toekomst is, hoeft het ons niet te verbazen dat zijn literair voorkeur uitgaat naar memorialisten zoals de Prince de Ligne of de Cardinal de Retz. Aan deze illustere voorgangers spiegelt het hoofdpersonage zich uitdrukkelijk: eenzelfde verzet tegen gezagsgetrouwheid, een identiek respect voor het gegeven woord, en een even paradoxale geschiedenisopvatting. Net zoals voor de Cardinal de Retz, betekent de werkelijkheid voor Maqroll slechts een basisgegeven dat naar believen mag worden geregisseerd, aangezien de herinnering het voorgeborchte van de fictie is, en wat had kunnen gebeuren na afloop soms inhaalt wat is gebeurd.

In het tweede deel tast de invloed van de geschiedschrijving zelfs het statuut van de verteller aan, die zich hier, zoals gezegd, beperkt tot het uitgeven van een reeks nagelaten brieven van Abdul Bashur, Maqrolls geestesverwant die bij een vliegtuigongeluk om het leven kwam. Belangrijk is hier te vermelden dat deze ramp zich voltrekt op het ogenblik dat Abdul eindelijk zijn ideale schip op het spoor is gekomen, die 'tramp steamer' die steeds voor zijn neus werd verkocht of waar hij op de valreep schoonheidsfoutjes aan ontdekte - onbereikbaar wegens droomschip, dus. Abduls waardige dood bevredigt een typische Mutis-obsessie, die uit de renaissance stamt en eerder in 'Een mooie dood' kernachtig in het aan Petrarca ontleende motto tot uiting kwam: 'un bel morir tutta una vita onora'.

Alledrie, Maqroll, Abdul, maar vooral Alvaro Mutis, zijn ze eeuwen te laat geboren, en zo rabiaat onmodern dat ze ongewild subversief worden. Wanneer Mutis de sluisdeuren van de herinnering openzet, vloeien er ritmisch gestileerde zinnen uit zijn pen, waarvan de zorgvuldigheid alleen vergeleken kan worden met die van Juan Jose Saer in 'De ooggetuige'. En aangezien ook de debutant Luis Sepulveda deze beschroomdheid lijkt te delen, wordt het misschien stilaan tijd om het profiel van de Latijns-Amerikaanse literatuur bij te stellen. Laten we het voorlopig op 'nieuwe behoedzaamheid' houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden