Alvar Aato ingetogen expressie

In plaatjesboeken over Aalto duikt vaak dezelfde spannende foto op: het interieur van het Finse paviljoen op de New York World's Fair in 1938-39 met een drie lagen hoge, golvende wand van houten lamellen. Het zwart-wit beeld is wat schimmig, maar toch voel je de manier waarop die wand de beleving van de ruimte dicteert.

In het ontwerp komen veel elementen samen die Aalto's architectuur kenmerken: het gebruik van organische lijnen binnen een functionalistische opzet, het vrij traditionele gebruik van hout dat verwijst naar de Finse bouwgeschiedenis, het oproepen van een landschappelijke sensatie door de gebogen wand die als een rij 'bomen' boven de bezoeker zweeft en het creëren van een binnenruimte die als een 'openbaar' plein aanvoelt.

De houten wand is zo illuster dat het Nederlands Architectuurinstituut besloot om hem in de eigen tentoonstellingszaal te reconstrueren. Niet helemaal letterlijk, want daar was de ruimte en het geld niet voor, maar wel zo nauwkeurig mogelijk. In plaats van foto's - zoals op het orgineel - heeft het NAi de meubelen van Aalto aan de wand gehangen en hem mosgroen geschilderd. Het geeft een theatraal effect, wat in tegenspraak is met het architectonische effect dat Aalto nastreefde. De onbestemde tentoonstellingsruimte van het NAi kan echter wel een indringend gebaar gebruiken en het komt de levendigheid van de tentoonstelling duidelijk ten goede.

De zeven gebouwen en de paar dozijn meubelen die te zien zijn, geven een verrassend compleet beeld van Aalto's zeer omvangrijke oeuvre. Ieder project wordt gepresenteerd met foto's, tekeningen, details als een handgreep of een deurknop, een kleine maquette van het hele gebouw en een grote houten maquette die de ruimtelijkheid in een specifiek deel van het complex toont.

Vooral deze houten maquettes laten duidelijk zien hoe belangrijk de ruimtebeleving was voor Aalto. Opvallend is de zorg die hij besteedt aan tussenruimtes als een binnenplein, een overdekte entreehal, een centrale zaal, een gang of een patio. Niet alleen in de manier waarop hij ze detaileert, maar ook de plek die hij ze geeft in de plattegrond. Licht lucht en ruimte ijn kenmerkend voor de modernistische architectuur en hoe robuust het materiaalgebruik bij Aalto soms ook is of hoe gesloten het exterieur, deze kwaliteiten zijn in ieder project terug te vinden.

Veel architecten hebben een lange opwarmtijd in een bepaald idioom nodig voordat ze hun eerste meesterwerk maken, maar bij Aalto was het eigenlijk direct raak. Op zijn vijfentwintigste begon hij zijn eigen bureau en vier jaar later ontwierp hij al het Sanatorium in het Finse Paimo (voltooid in 1933). Tot die tijd werkte Aalto in een neo-classicistische stijl, maar met het sanatorium parachuteerde hij zichzelf midden in het modernistische debat.

Het sanatorium is een complex met meerdere gezichten. De drie vleugels (in een lichte waaiervorm) hebben het typische witgepleisterde uiterlijk van de Nieuwe Zakelijkheid, afgewisseld met zorgvuldig geplaatste sensuele ronde bouwelementen. Voor Aalto stond de mens altijd voorop. Het sanatorium was een plek voor genezing én rust en die creëerde Aalto in hoge mate met de nuchtere opbouw die wordt bekroond met een weergaloos zonneterras op het dak. Het sterkst zijn echter de momenten dat de architect de strakke ordening doorbreekt met organische ronde vormen, waarmee het menselijk lichaam zich kan meten.

De curve of golvende lijn zou een constante bijven in het werk van Alvar Aalto. Ook in het volgende project - de stadsbibliotheek van Viipuri, het tegenwoordige Vyborg in Rusland (1927-35) - komt hij prominent voor. Dit keer in een golvend houten vlak in het auditorium, dat op de achterwand begint en vervolgens langs het plafond over de hoofden van de toehoorders rolt. Alleen al esthetisch is het prachtig maar daarnaast heeft het ook een duidelijk akoestische functie. Het is zo'n typisch voorbeeld waarin Aalto functionalisme met organisme vermengt.

Effectbejag was Aalto vreemd, maar hij zette wel alle architectonische middelen in om de verbeelding te prikkelen. Zoals in de Villa Mairea (1938-39). De woonkamer ligt bij wijze van spreken ín de achtertuin, er alleen van gescheiden door een glazen schuifdeur. De natuur zit de architectuur daardoor dicht op de huid, wat Aalto bewust nastreefde. Hij haalt de natuur zelfs het huis in, door de vrijstaande trap in de woonkamer in te pakken met dunne houten palen alsof de opgang in een bos staat.

Villa Maidea krult zich als een grillige U-vorm rond de tuin. Dit stuk groen wordt daarmee in de beleving een integraal onderdeel van de aaneengeschakelde ruimtes. Doordat de tuin weer een verlengstuk van het landschap is, wordt daarmee precies op deze plek de versmelting tussen natuur en architectuur (en dus binnen en buiten) tot stand gebracht.

Aalto werkt vaak met open plekken die in de opzet van een gebouw een samenbindende functie hebben. Op een dramatisch landschappelijke manier realiseert hij dit in zijn plan voor het stadhuis van Süynütsalo (1949-52). Dit complex is uitgevoerd in een forse rode baksteen, waarmee de architect teruggrijpt op de eeuwenoude Finse bouwcultuur. Het is een verzameling gebouwen rond een vierkant plein dat iets verhoogd ligt. Met trappen word je naar dat plein geleid, zodat het betreden van het stadhuisomplex een bijna rituele handeling is.

Aalto was een functionalist en een rationalist, maar hij verloor nooit de emotionele zeggingskracht van de architectuur uit het oog. Zonder scrupules brak hij met modernistische wetten om zijn eigen eigenwijze stijl te formuleren. Dit betekende bijna onvermijdelijk dat Aalto aan het eind van zijn carrière steeds sculpturaler werd. De waaiervorm (die soms amfitheater wordt) is in de latere ontwerpen bijvoorbeeld steeds opvallender aanwezig. Een mooi voorbeeld daarvan is de kerk van Vuoksenniska uit 1958. Net als bij Le Corbusiers kerk in Ronchamp (1954) heeft het complex meerdere gezichten, die je pas ervaart wanneer je om de kerken heen cirkelt. Van binnen is de kerkzaal een aaneenschakeling van schelpvormige waaiers, die voor een fraaie sacrale sfeer zorgen.

In het exterieur is aan de achterkant die waaier-structuur goed af te lezen terwijl de entree schuilgaat achter een meer 'conventionele' rechtlijnige modernistische pui. Een slanke klokkentoren (een stervormige pilaar) fungeert als aandachttrekker en geeft het gebouwtje - dat op lijkt te gaan in het omliggende landschap - een enorme aanwezigheid. Functie en verbeelding, ingetogenheid en expressie, het zijn in het gehele oeuvre van Alvar Aalto de constante polen waarbinnen het werk van de Finse meester zich beweegt.

Henk Döll (Mecanoo) (ontwierp o.a. Bibiotheek Almelo)

“Ik vind het bijzonder dat Aalto heel veel heeft gebouwd en toch altijd een hoge kwaliteit leverde. Dat doen maar weinig architecten hem na. Daarnaast maakte hij een gestage, maar interessante ontwikkeling door. Hij bleef niet bij één thema steken.”

“Het leuke van Aalto is dat hij begon met een soort constructivistische stijl, maar al heel snel overstapte op het poëtisch modernisme. Daarbij toonde hij een groot gevoel voor detailering.”

“Wat ons bij Mecanoo beïnvloedde was de diversiteit in het materiaalgebruik en de manier waarop hij gebruik maakte van de uitstraling van die materialen. We waren daar al wel mee bezig, maar het zien van de Aalto's gebouwen tijdens een excursie van het bureau naar Finland gaf er een extra impuls en dimensie aan.”

“Zelf werd ik bij het ontwerpen van de bibiotheek in Almelo geïnspireerd door de overzichtelijkheid van zijn architectuur ondanks de soms complexe plattegronden, terwijl hij ook ruimtes wist te maken waar iemand zich rustig terug kan trekken. Verder is de wijze waarop hij de sfeer in het interieur bespeelt door middel van de lichtinval via daklichten en gaten in het plafond heel bijzonder.”

Sjoerd Soeters (ontwierp o.a. Circus Zandvoort, Ministerie VWS Den Haag)

“Aalto was enorm belangrijk. Zijn gebouwen waren gemaakt om te verouderen. Zelf zei hij: 'Judge my buildings after 50 years'. Het werk van Aalto is een voorbeeld van compleetheid. Hij neemt een heleboel invloeden in zijn architectuur mee. Hij wist als modernist ook bruggen te slaan naar de meer verbeeldende/historische architectuur. Wat bij Le Corbusier conceptueel is, is bij Aalto reëel. Veel modernisten willen ontsnappen aan de werkelijkheid, aan het alledaagse. Ze willen de wereld veranderen met hun architectuur. Dat gaat vervolgens ten koste van de leesbaarheid van die architectuur. Aalto wist juist wel de alledaagse taal in zijn projecten te verwerken.”

Abe Bonnema (ontwierp o.a. Hoofdkantoor Nationale Nederlanden Rotterdam, Hoofdkantoor Interpolis Tilburg)

“Aalto laat zien dat functionalisme niet saai hoeft te zijn. Ik ben zelf een functionalist en weet hoe weinig waardering daar nu nog voor is. Functionalisme is bouwen met de middelen die je op dat moment ter beschikking hebt en die van die tijd zijn. Dat is precies wat Aalto deed. Hij bouwde eenvoudige vormen, maar had een goed oog voor maten en verhoudingen, wat hij ook op een fijngevoelige manier wist te brengen. Het is dezelfde zuiverheid die je ziet in de minimal art.”

“Aalto wist met weinig materiaal heel veel te bereiken, zoals bijvoorbeeld zijn sanatorium in Paimo, zijn bibliotheek in Viipuri en zijn stadhuis in Süynütsalo bewijzen. Zijn eenvoud van vorm is een groot contrast met de praatzieke gevels die tegenwoordig worden gemaakt.”

“Ik heb wel moeite met Aalto's pittoreske kant, zoals hij die in zijn Villa Mairea laat zien. Wat ik weer wel zeer waardeer is zijn technische kwaliteit, zoals hij die ook in zijn industriële ontwerpen etaleert. Aalto maakte niet alleen bouwkunst, maar ook bouwkunde en die technische kant beheersen steeds minder mensen.”

Ben van Berkel (ontwierp o.a. Erasmusbrug Rotterdam, woon/winkelcomplex Nieuwezijds Kolk Amsterdam)

“Mij boeit de manier waarop hij met texturen en organische lijnen werkte, waardoor je een interessante waarneming vanuit de beweging krijgt. Aalto behoort samen met een architect als de Deen Udzon tot een soort tussengeneratie die actief was in de periode van de jaren dertig tot de jaren zestig.

Zeg maar na de pionierstijd van Mies van der Rohe en Le Corbusier. Ze zijn minder bekend, maar hun manier van omgaan met natuurlijke aspecten in de omgevig en het creëren van een 'landschap' in zowel het interieur als de totale opzet van de gebouwen, is fascinerend. Het kon uiteindelijk wel eens meer invloed hebben op de huidige generatie dan het werk van de grote meesters.''

“Ik waardeer ook erg Aalto's lichtvoetigheid. Zeker als je het zet tegenover de rigide beeldtaal van Mies van der Rohe. Aalto is veel muzikaler. Hij weet gevoelige klassieke thema's te mengen met heel moderne thema's. Die sensibiliteit weten maar weinig functionalisten in hun werk te leggen.”

Bjarne Mastenbroek (de architectengroep) (ontwierp o.a. Dubbelvilla aan het Wilhelminapark in Utrecht)

“Ik heb Aalto's gebouwen helaas nog nooit in het echt gezien, hoewel ik een zwak heb voor Scandinavische landen. Toch heb ik verschillende gebouwen in boeken goed bestudeerd en dan vooral de plattegronden die zeer fascinerend zijn. Aalto besefte dat het modernisme in de meest strenge vorm niet interessant is. Bij hem was de ruimte tussen de architectonische massa's essentieel en dat zorgde voor prachtige oplossingen.”

“Mijn oom werkte vroeger in Finland en bij terugkomst ontwierp hij voor mijn ouders een villa die is geïnspireerd op de Villa Mairea. Ik ben dus opgegroeid in de ruimtelijke sfeer van Aalto en dat was fantastisch. Vanuit de woonkamer liep je door een grote schuifpui zo het gras op en verdween je tussen de berkenbomen. Aalto was bij uitstek in staat de natuur tot op de gevels door te trekken. Hij verstond ook de kunst om een huis te bouwen in een bos zonder één boom te kappen. Het sterft in dat land van de dennen, maar toch wist hij het gebouw er tussen te wurmen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden