Altijd zal ik terugkeren naar deze stad

Acht auteurs schrijven deze zomer een verhaal of betoog, satire of schotschrift naar aanleiding van een van de volgende zinnen: 'De verkwikkende werking van een onmogelijke vriendschap' - 'Voorlopig, zegt de arts, is het niets ernstigs. Kleed u weer aan, rust uit, ga op reis' - 'Pompom die dadieda, doooom, pierompie, talaaaa, hoeihoei' - 'Zaterdag is me liever dan de oneindigheid'. Vandaag Nausicaa Marbe: 'Die Rus plantte zich in mijn frêle grootmoeder en verscheurde haar hele wezen. Haar keel deed pijn van het geschreeuw dat ze binnen moest houden, maar wat heeft ze de volgende dag voldaan in de spiegel gekeken. Naakt in haar boudoir en met de deur op slot, streelden haar vingers alles wat door de Rus beroerd was. Even leek de oorlog voorbij.'

Op een warme lentenacht ging ik terug naar Praag. Ik was er nog nooit geweest, maar gaat een voormalige Oost-Europeaan, onderweg naar het oude Oost-Europa, niet altíjd terug naar huis? Rond middernacht zou de donkergroene trein uit Frankfurt vertrekken, voortgetrokken door een locomotief pokdalig van de roest. Het perron was verlaten. Windstil was het ook. De temperatuur leek ineens met tien graden te zijn gestegen en zo, met die hitte dicht op mijn keel, redde het luchthappen me van onwelkome gevoelens.

Als enige passagier stapte ik in de bruin gestoffeerde wagon. Het rook er naar natte hond. Ik deed het licht aan in de coupé en zag de handdoekjes en zeepjes op kraakheldere kussens geschikt. Hoe vaak moet deze trein vanaf dit perron wel niet vertrokken zijn naar de hel achter het IJzeren Gordijn. Uren te vroeg verschenen toen de passagiers met hun vele armoedige koffers, alsof de doodstraf rustte op het missen van hun trein. Wurgende omhelzingen, ontelbare laatste sigaretten. Moeders konden hun kinderen niet loslaten, zelfs niet na het laatste fluitje van de conducteur die hun paspoort al had ingepikt. Maar de trein van vandaag blijft leeg en de conducteur vraagt of ik voor vertrek nog koffie of thee wil drinken.

Mijn geliefde ben ik kwijtgeraakt tussen de levenden, in de mondaine wereld van het station. Bij het Aziatische hapjesbuffet, de Italiaanse traiteur of bij de bakker die zelfs in het holst van de nacht warme Bretzels uit de oven haalt. Hij is meer een man voor vliegvelden en houdt zich nog verre van de roestige trein.

Een kwartier voor aankomst maakt hij me wakker en zo word ik, met de slaap in mijn ogen, overvallen door een beroemd stadsgezicht. Als de trein over de Moldau rijdt, zie ik Praags bruggen in een milde ochtendmist. Aan de westelijke oever, die de naam Mala Strana draagt, wiegen heuvels bezaaid met boomkruinen en torentjes de imposante gestalte van de Praagse burcht. In een flits zoeft dit beeld aan mijn ogen voorbij, alsof het te verlegen is om lang bewondering te verdragen. De volgende uren, te voet, weet ik het zeker: deze stad mag overladen zijn met bekoringen, overdadig wordt ze nergens. Alsof ze haar schoonheid te vondeling heeft gelegd en zich timide terugtrekt. Ik houd meteen van Praag. Omdat ze het decor vormt van romans van geliefde schrijvers, maar ook omdat mijn moeder er vlak voor haar dood zo gelukkig was. Omdat ik haar mis zoek ik ook hier, zoals overal, haar sporen die er niet meer zijn.

Mijn geliefde wil mij niet verliezen aan de melancholie van deze contreien. Voortdurend wijst hij me op het heden, op alles wat te danken is aan de jongste revolutie, die van fluweel. Twee uur na aankomst loodst hij me een hypermoderne winkel binnen en koopt daar een Zwitsers horloge voor me. Weer bij de tijd, ónze tijd. Ik volg hem boekwinkels in en uit, houd vertalingen van

Grisham en Coelho in mijn hand. Ik volg hem over de Karlsbrug en houd zijn hand stevig vast, omdat er onweer vanuit de Mala Strana flitst.

Net als we een plek vinden om te schuilen, lopen ze ons voorbij. Zes brede mannen in camouflage-uniform, nekken als stieren en de hoofden kaal. Amerikaanse GI's op zwaar, stampend legerschoeisel. Ineens is het 1968. Tegenover mij geen Amerikanen, maar Russen in tanks, ook zij beduusd van zoveel schoonheid. Niemand had hun verteld dat het communisme ook kan huizen in eeuwenoude paleizen of rijzige Jugenstil-gebouwen, in kerken van rood marmer en beladen met goud. Niemand heeft hun verteld dat Praag niet opgeeft, altijd zichzelf blijft. Van alle hoofdsteden van het Warschaupact, is Praag de enige die ongeschonden de wonderbaarlijke winter van 1989 haalde.

Waarom kan ik in deze stad niet slapen? De hitte of de voorbije nachtmerries? Het lijkt of ik hier iets kwijt ben geraakt, maar niet welkom ben om te zoeken. Het moet mij vinden.

Op de derde dag lijkt het zover. Bij de poort van de Spaanse synagoge staat een stokoude bedelaar. Hij valt me op, met zijn gestreken overhemd en tussen de lippen een chique filtersigaret. Mijn geliefde zoekt in zijn portemonnee naar een paar munten van tien kronen en geeft alles wat hij vindt. Ik blijf staren naar de uitgestoken hand, de enige die de man heeft. Dan val ik, deze keer verder terug.

Ivan was een geliefde stalknecht op Strâmba, het landgoed in Zuid-Roemenië van mijn grootouders van vaders kant. Hij kwam er in de zomer van 1942, samen met andere Russische krijgsgevangenen voor dwangarbeid. Mijn grootouders ontvingen de soldaten met gemengde gevoelens. Ze waren gevangengenomen in Roemeniës oorlog aan Hitlers zijde en daar wilde mijn grootvader, een verzetsman, zijn handen niet aan vuilmaken. Maar vreemdelingen een veilig onderkomen weigeren was niets voor hen. De jongens hadden, iedereen kon het zien, een goede hand met paarden. Als ze wat prevelden in hun taal, bedaarde zelfs de opstandigste hengst.

Mijn grootmoeder Adèle ontfermde zich over de Russen. Ze stak ze in nieuwe kleren, liet de dorpsarts naar de oorlogswonden kijken en stuurde zo nu en dan een fles sterke drank naar de stallen. Haar enige zoon, vijftien jaar oud, deed regelmatig verslag van wat de nieuwkomers allemaal konden. Een veulen alleen door te kijken naar zich toe lokken. Een hengst onbeweeglijk krijgen, al stond een tochtige merrie pal voor z'n neus. Deze zoon, die later mijn vader zou worden, liep over van verhalen over de Russen en zijn moeder temperde zijn enthousiasme niet. Er vielen steeds vaker bommenwerpers van de geallieerden uit de lucht en ze wist dat haar kind op zijn tochten te paard meer dan eens het verkoolde lijk van een piloot moest hebben gezien. Dat hij nog ergens warm voor kon lopen, deed haar deugd.

In de laatste oorlogszomer sprak Ivan Roemeens en kon hij de jonge boerinnen niet van zich afslaan. Op een ochtend vond mijn grootmoeder een roos bij haar ontbijtbord en daarnaast een korte brief: 'Mijn dame, grote spijt: druiper. Grote vraag: hulp.' De dokter kwam, Ivan genas en hield zich voortaan ver van de boerinnen. Maar naar mijn grootmoeder keek hij niet meer verlegen. Hij schonk haar blikken van verstandhouding, net of ze samen iets ernstigs en intiems hadden meegemaakt.

Er zijn foto's uit die tijd. Bewaard in een goudkleurige bonbondoos. Mijn grootmoeder staat er veel op, met de ravenzwarte haren in een charlestonkapsel, de lippen donker gestift en ogen zo groot dat je ervoor terug moest deinzen. Altijd een jurk aan, een sieraad om haar pols. Natuurlijk wilde de Rus haar. Maar zover gingen de familieverhalen niet. Zelfs bij de foto waarop hij, een wit hemd aan en een boek in zijn hand, aan de voet van mijn grootmoeders leunstoel in het gras zit, werd gezwegen.

Want het zat zo: op een dag ontdekte Adèle een dichtbundel in het Russisch in de boekenkast. Of Ivan wilde voorlezen. Hij ging in het gras zitten, niet in de leunstoel van de bojaar die zich in Boekarest het hoofd brak over een coup d'état. En hij las zo langzaam dat het leek of zijn lippen aan de woorden sabbelden. Mijn grootmoeder verstond niets van die vreemde taal, maar daar ging het haar niet om.

Het moet eind augustus gebeurd zijn, precies vierentwintig jaar voor de Russische inval in Praag. Op een dag bleken de krijgsgevangenen weg. Het gerucht dat het Rode Leger oprukte, was genoeg om een Rus voor zijn leven te laten rennen; juist de eigen mensen werden als eersten afgeslacht. Ivan bleef. Hij durfde vast niet door de voordeur van het bojarenhuis naar binnen te komen, daar stond de nachtwacht met het jachtgeweer. Mijn grootmoeder moet naar hem toe zijn gekomen, in het hooi. Via de veranda achter het huis, met een voorzichtige stap over de slapende honden. Ze moeten elkaar bemind hebben alsof de dood boven hen zweefde, al ongeduldig. Die Rus plantte zich in mijn frêle grootmoeder en verscheurde haar hele wezen. Haar keel deed pijn van het geschreeuw dat ze binnen moest houden, maar wat heeft ze de volgende dag voldaan in de spiegel gekeken. Naakt in haar boudoir en met de deur op slot, streelden haar vingers alles wat door de Rus beroerd was. Even leek de oorlog voorbij. Tot de nacht dat ze in de stal kwam en Ivan ook weg was. De afdruk van hun lichamen in het hooi was nog net te zien.

Vier jaar later knielt ze aan het bed van haar doodzieke zoon. Als weduwe leeft ze in bittere armoede. Aan de hand nog één ring die ze zou willen verkopen voor eten of medicijnen, maar niemand die daar nog geld voor over heeft. Haar zoon spuugt bloed. Hun kamer in het huis dat ze met twintig anderen delen is klein, maar heeft een wasbak. Daarin wringt ze de doeken uit waarmee ze het voorhoofd van mijn vader dept. Ze is de enige die de bel hoort, om vijf uur 's ochtends. Als ze open doet, staat daar een Rus in uniform in de ochtendmist. Doodsbang is ze voor een arrestatie. Maar deze man houdt een groot pakket in zijn hand. Zijn enige hand. Als hij een stap naar voren doet, schijnt het licht uit de gang op zijn gezicht. Mijn grootmoeder brengt beide handen naar haar mond.

Een granaatscherf heeft zijn arm in één keer van zijn schouder losgerukt. Tijdens de laatste gevechten tegen de Duitsers, hartje winter, in de Tatra. In Rusland is hij nooit meer geweest, hij is gelegerd in Praag. Maar nu moet hij weg, hij kwam alleen bedanken voor de jaren op Strâmba. Als hij haar hand wil kussen, grijpt mijn grootmoeder hem bij de pols. Hoezo dit uniform, wil ze vragen. Hoe kom je aan ons adres. Maar ze zwijgt en Ivan kijkt haar verlegen aan. Niet haar schoonheid, maar de armoe die aan haar kleeft wil hij ontwijken. Hij brengt zijn pols naar zijn mond, opent met zijn tanden het bandje van zijn horloge en legt die in haar hand. Ik ga terug naar Praag, zegt hij. Achteruitlopend verdwijnt hij in de mist. In de kamer opent mijn grootmoeder het pakje. Ham, boter en eieren, rijst, bonen en kaas. Chocolade. En geld. Ze heeft het me vaak verteld, de grootmoeder wier laatste ring ik nu draag: dat mijn vader zijn leven te danken heeft aan een mooie Rus met maar één arm.

Ik heb de bedelaar niet aangesproken. Maar de volgende dag kreeg ik daar spijt van. We gingen terug naar de Spaanse synagoge. Waar hij vandaan komt, wilde ik vragen. En hoe hij de oorlog overleefd heeft. Vergeefs. Ver weg in een keten van toevalligheden heb ook ik mijn leven te danken aan een Russische soldaat met maar één arm. Zijn laatste woorden tegen zijn geliefde waren: 'Ik ga terug naar Praag'. Ook ik zal de oude nachttrein blijven nemen, indommelen op het slome gesjok van zijn onwillige wielen en dromen dat in het aardedonker buiten, de grens tussen toen en nu vervaagt. Altijd zal ik terugkeren naar deze stad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden