Altijd weer die Hollanders

BEVORDERING EN VERBREIDING VAN NUTTELOZE KENNIS. OPGERICHT 14 JULI 1989 TE AMSTERDAM. VOORZITTER: JAN KUIJK, SECRETARIS/PENNINGMEESTER: RUUD VERDONCK, LID: ROB SCHOUTEN. 4e JAARGANG NUMMER 24

Maar waar lag de Waisenstrasse waar Storm ook een tijdje gezeteld was? Die straat - zo weet ik nu eindelijk - veranderde haar naam in Max-Dortu-Strasse (Dortu was een liberale vrijheidsstrijder, hij werd geexecuteerd in 1848). Deze straat heet nog altijd naar Max Dortu en zal wel zo blijven heten. De zeer toepasselijke Platz der Eindheit zal overigens binnenkort verdwijnen. Waarom deze onzinnige zoektocht? Omdat ik ergens las dat Theodor Storm in het Hollandisches Viertel van Potsdam had gewoond. Ook al leidde dat spoor tot niets, de dit jaar iets ouder dan 250-jarige wijk heeft een interessante geschiedenis.

Timmerman

De koning van Pruisen, Frederik Willem I, ondernam in 1732 een reis naar Nederland. In de lente kwam hij in Amsterdam aan. Als resultaat van deze reis kwamen nog in datzelfde jaar Nederlandse handwerkers naar Brandenburg. De timmerman Jan Bouman kreeg in 1932 de opdracht om een nieuw stadsdeel van Potsdam geheel in Nederlandse stijl te bouwen, opdat de uit Nederland afkomstige bewoners zich hier thuis zouden voelen.

Vier vierhoeken werden aangelegd met in totaal 134 huizen, waarvan tot de dood van de koning de helft gereed kwam. Na 1740 zette troonopvolger Frederik II het werk van zijn vader voort en voltooide het in 1742. Maar niet alle huizen kregen Nederlandse bewoners. De leeggebleven huizen werden ter beschikking gesteld van Pruisische handwerkers en soldaten, onder wie de zogenaamde lange kerels.

De Nederlandse wijk van Potsdam was misschien nooit een bijzonder fraaie wijk, maar wel vonden alle bezoekers hem opmerkelijk en de moeite van het beschrijven waard. Daardoor hebben we veel reisbeschrijvingen waarin de Nederlandse wijk een plaats inneemt. De Berlijnse boekhandelaar en schrijver Friedrich Nicolai (wiens naam voortleeft in een grote uitgeverij) gaf een beschrijving van de Nederlandse wijk in zijn in 1835 verschenen boek 'Wegweiser fur Fremde und Einheimische durch Berlin und Potsdam und die umliegende Gegend, enthaltend eine kurze Nachricht von allen daselbst befindlichen

Merkwurdigkeiten'. Ik noem verder nog het aardige boek 'Spaziergang in Potsdam' uit 1929 van de joodse schrijver Georg Hermann (die later gedwongen werd zijn vaderland te verlaten en tot aan zijn deportatie in Hilversum woonde).

Proefdrestauratie

Als door een wonder bleef deze wijk tijdens het Britse bombardement in de nacht van 14 op 15 april 1945 vrijwel geheel gespaard. Maar de dreiging van afbraak was daarmee allerminst verdwenen. Elk jaar begon de wijk er beroerder uit te zien. Op 11 april 1974 voerde ik een gesprek met Werner Berg, stadsarchitect van Potsdam. Hij vertelde dat de wil tot restauratie wel aanwezig was, maar dat de nodige middelen ontbraken. Gelukkig werd tot een proefrestauratie van vijf huizen onder verantwoordelijkheid van de bezorgde architect Christian Wendland besloten.

De Brandenburgische Neueste Nachrichten brachten in hun uitgave van 28 en 29 juni 1975 het verheugende bericht, dat de Nederlandse wijk op de monumentenlijst was geplaatst, in categorie I. (Categorie II vormden voornamelijk kerkgebouwen, terwijl categorie III curieus genoeg monumenten van de arbeidersbewegeging bevatte).

Wende

Ondanks vele aanmoedigende artikelen in kranten als de Markische Volksstimme en de BNN (bijvoorbeeld in de editie van 24 en 25 april 1976: Das Hollandische Viertel wird vollstandig erhalten) bleef het sukkelen, totdat de wetenschap dat het jubileum van Potsdam naderde ('Potstausend'!) tot spoed aanzette. Maar er zou zonder de Wende van 1989 en zonder de nu eindelijk losbarstende belangstelling van de Nederlanders minder klaar zijn geweest dan nu het geval is. De Mittelstrasse is bijna geheel weer toonbaar.

Over de geschiedenis van de bewoners van deze wijk is inmiddels meer bekend geworden. Door de kerkboeken van de Heiliggeistkirche (die helaas onder SED-leiding volledig werd afgebroken) weten we dat de meeste gereformeerden van Potsdam hier kerkten, zo ook de gereformeerde bewoners van het Hollandisches Viertel. De rest viel onder de reformierte Zivilgemeinde van de door Hitler en 30 januari 1933 berucht geworden Garnisonskirche.

De genoemde kerkboeken met huwelijken, doopplechtigheden en begrafenissen zijn een kostelijke historische bron. Nu weten we onder meer dat Cornelius Kleinjung eendenvanger van Frederik Willem I van Pruisen was en dat de kastelein, dat wil zeggen de huismeester van de koning, ene Ernst Thomas Stegmann zich in 1730 wegens financiele malversaties in het stadspaleis een kogel door het hoofd joeg.

Hauptmann

Het mooiste verhaal waarin de Nederlandse wijk van Potsdam een rol speelt, ontleen ik aan de Berliner Zeitung van 17 oktober 1906. De leerling-schoenmaker Wilhelm Voigt, die wegens een kleine diefstal tot vijftien jaar tuchthuis was veroordeeld, maar na het uitzitten van zijn straf zonder werk geen verblijfsvergunning en zonder verblijfsvergunning geen werk kon krijgen, deze Wilhelm Voigt besloot een officiersuniform te kopen om met behulp van de aldus verworven autoriteit aan een pas te komen. Waar kocht Wilhelm Voigt zijn uniform? In een tweedehandswinkeltje in het Hollandisches Viertel van Potsdam! Carl Zuckmayer maakt er in 1930 het 'Duitse sprookje in drie bedrijven' Der Hauptmann von Kopenick van.

Hans Ester

Het paradijs van de dwazen

"Chelm is een plaats in Polen, die spreekwoordelijk dom heet. In Chelm, toch al een plaats vol domoren, woonde iemand die dom was in het kwadraat. Hij heette Schlemiel en vertegenwoordigde het einde van het denken. Schlemiel wilde zijn blik verruimen en begon een lange reis naar Warschau. (Warschau was voor Polen, wat Parijs ooit voor ons was, of Athene of Jeruzalem, namelijk de plaats van de wijsheid). Schlemiel ging te voet van Chelm naar Warschau.

Toen hij onderweg ging slapen zette hij zijn laarzen naast zich neer, met de punten naar Warschau en de hakken naar Chelm om de weg niet kwijt te raken. Een passerende grappenmaker draaide de laarzen om. Toen Schlemiel zijn weg vervolgde zag alles er vreemd en vertrouwd uit: de straten, de huizen, de mensen. Een voorbijganger antwoordde, desgevraagd, dat ook deze stad Chelm heette. Er moesten dus wel twee Chelms bestaan. Hij vond een huis dat sprekend op zijn eigen huis leek, binnen trof hij een vrouw aan die ook sprekend op zijn eigen vrouw leek en die meteen begon te schelden. Maar Schlemiel ontkende dat hij haar man was: 'Ik ben Schlemiel van Chelm een en dit is Chelm twee!'

Schlemiel werd naar de raad van wijzen gebracht, die zich afvroeg of er werkelijk twee Chelms konden bestaan, of drie, vier of honderd Chelms. En of elke daarvan dan een Schlemiel zou herbergen, die hetzelfde had meegemaakt als de Schlemiel in Chelm. En of ieder van die plaatsen een raad van wijzen had. 'Laat hem er niet vandoor gaan, anders ben ik een verlaten vrouw!', riep de vrouw wanhopig uit. Waarop Schlemiel zei: 'Dit moet een ander Chelm zijn, want mijn eigen vrouw gooide me altijd het huis uit.'

Besloten werd dat Schlemiel voor vijf stuivers de plaats zou innemen van haar man, die de stad verliet, een dag voordat Schlemiel binnenkwam. Waarop Schlemiel natuurlijk concludeerde: 'Vijf stuivers . . . Chelm twee is beter dan Chelm een!'

Toch bekroop hem soms het verlangen om naar Warschau te gaan. Maar wat was het nut van een tocht als je toch nooit ergens terecht kwam? Wie weggaat van Chelm komt terug in Chelm. Zij die blijven in Chelm zijn zeker in Chelm. Alle wegen leiden naar Chelm. De hele wereld is een Chelm."

Dit verhaal is van Isaac Bashevis Singer, die het heeft geput uit zijn jeugd, waarin dit soort verhalen versteld werden. (Schlemiel went to Warsaw, and other stories, 1968).

De afstand tussen Chelm een en Chelm twee is de ruimte van de idiotie, die de domoren verlost van hun anders-zijn en de wijzen van hun anders-zijn berooft. Matthijs van Boxsel, een geboren redenaar, gebruikte onlangs met wellust deze 'allermooiste vertelling over domheid' op een diner pensant, waar zo'n veertig mensen waren aangeschoven. Van Boxsel (34) deed vier jaar Nederlands, las toen Musil, zwaaide om naar vergelijkende literatuurwetenschap en studeerde cum laude af op domheid en wijdde zich de afgelopen tien jaar exclusief aan de bestudering van het verschijnsel, het woord en de theorie van de domheid. Hij publiceerde drie delen van zijn Encyclopedie van de domheid (Riba-pers). Deel vier komt er aan en is gewijd aan de topografie van de domheid.

Paradox

"Domheid is mijn sterkste kant" , met die paradox begon zijn tafelspeech: "Als je die uitspraak 'Ik ben dom' als wijsheid opvat, pleit zij tegen mijn domheid en is die uitspraak weer onwijs. Maar als de uitspraak onwijs is, is zij weer een bewijs van domheid, en is zij weer een wijze uitspraak, et cetera. Je belandt in de paradox van de leugenaar die roept: ik lieg!"

"Hoe nu de kennis van domheid te verwerven? Wie dom is, weet niet wat domheid is en zelfs dat niet. En wie niet dom is weet niet wat het is om dom te zijn. Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen. Kennis is niets anders dan een vergeefse poging om domheid te definieren."

Onze morosoof leerde ons, in navolging van de Stoicijnen, voor wie de stultitia zowel domheid als dwaasheid betekende, dat er twee soorten domheid zijn:

Ten eerste: de 'gezonde', natuurlijke, evolutionaire domheid, deel van ons denken; de schade en schande die onze wijsheid en ons karakter vormen. (Karakter betekent oorspronkelijk: litteken, stempel).

Ten tweede: de 'zieke', vernietigende, revolutionaire domheid. Daarbij is ons denken zelf in het geding.

Bomen

Nog een verhaaltje waarin beide soorten domheid voorkomen. De Lalen willen een raadhuis bouwen. Op een berg kappen ze bomen, die ze naar beneden dragen, tot er een boom per ongeluk naar beneden rolt. Iemand merkt op, dat het handiger is om de stammen van de berg te rollen. Ze pakken het hout op, tillen dit naar boven en laten het naar beneden rollen.

De eerste soort domheid is het naar beneden dragen van de bomen: een domheid in het denken. De tweede soort domheid schuilt in de omgekeerde beweging, de stammen worden de berg op gedragen: een domheid van het denken. Hopeloos.

Volgens Van Boxsel zagen de Grieken de domheid van de mens als oorzaak van het kwaad in de wereld, dit in tegenstelling tot de christenen, die de slechtheid van de mens als bron van alle ellende beschouwen.

Illusie

Via een passage over het paradijs van dwazen uit Miltons Paradise lost nam Van Boxsel ons mee naar het quadratura plafond van Pozzo in de kerk van de heilige Ignatius van Loyala, de stichter van de Jezuietenorde. "Als je op een marmeren schijf in de vloer in deze kerk gaat staan, zie je op dit plafond een oneindig perspectief dat tot in de hemel lijkt te reiken. Helemaal bovenaan zie je Jezus aan het kruis, daarnaast Ignatius en in de hoeken de vier werelddelen, die bekeerd werden door de Jezuieten. Maar als je een meter van die ene schijf af gaat staan, dan stort deze zoete illusie in."

Hiermee eindigde de voordracht. Een van de disgenoten vroeg: 'Wat is toch het vrolijke van de wetenschap van de domheid?' Matthijs van Boxsel, die zichzelf omschrijft als een fou litteraire, antwoordde even prompt als snedig, "Dat het handig is om te denken dat het perspectief van het vooruitgangsgeloof oneindig is, maar dat, als je een stapje opzij doet, het 'paradijs van de dwazen' zich openbaart."

Pek van Andel

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden