Altijd op zoek naar schatten

Conservator Fredric Baas in Den Bosch. "Sommige mensen verzamelen Afrikaanse maskers, ik vind gasmaskers mooi." (WERRY CRONE)

De mensen in deze interviewserie vertellen over de passie en gedrevenheid voor het werk dat ze doen. Deze keer conservator Fredric Baas.

Geen kind denkt: ik word later conservator in een museum voor hedendaagse kunst. Of wel? Fredric Baas (34) graaft diep in zijn geheugen. Hij zal, net als andere jongens, vast brandweerman of politieagent hebben willen worden, zegt hij eerst lachend. Maar dan serieus: „Nee, het was voor mij altijd een voor de hand liggende keuze.”

Hij herinnert zich een tentoonstelling die hij ooit met zijn ouders bezocht. En hoe een ’vreemde constructie’ van beeldhouwer Carel Visser (1928) hem greep. „Ik zag kippenbotjes, autoruiten en autobanden. Zoveel verschillende herkenbare voorwerpen die een geheel vormden. Ik was gefascineerd, en dat gevoel is altijd gebleven. Een gevoel van verwondering. Kunst heeft iets raadselachtigs dat je nieuwsgierigheid prikkelt.”

Baas is een van de twee conservatoren/curatoren van het Stedelijk Museum ’s Hertogenbosch (SM’s). Een museum voor hedendaagse kunst en vormgeving. Maar waar het de eigen collectie betreft, beperkt het zich tot keramiek en sieraden. „In een land met een zo hoge museumdichtheid, misschien wel de grootste ter wereld, moet je je onderscheiden om op te vallen”, verklaart de conservator. „Het is ook leuk om een beetje vanuit een underdogpositie, als klein museum, te opereren. Het dwingt je creatief te zijn en dingen te verzinnen die de grote jongens – als Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en de stedelijke musea in Amsterdam en Den Haag – niet doen.”

Van kippenbotjes dus naar keramiek? „Ik ben opgeleid tot generalist. Na mijn studie kunstgeschiedenis in Groningen werkte ik aanvankelijk als vrijwilliger voor het Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden. Zo ben ik erin gerold. Keramiek is een mooi medium. Het omringt ons voortdurend. Als we aan tafel zitten, als we naar het toilet gaan, of als we ons wassen. Dan heeft het een gebruiksfunctie en wordt het daardoor haast onzichtbaar.”

De naoorlogse ’kunstenaarsserviezen’ in het bezit van SM’s zijn dat zeker niet. Maar Fredric Baas wordt zelf het meest geboeid door kunstenaars die op een vrijere manier omgaan met het materiaal. „Niet alleen keramisten, ook schilders, beeldhouwers, architecten en industrieel ontwerpers doen dingen die je met keramiek niet verwacht. Dat leidt tot ongelooflijke beelden en installaties.”

Hij beschrijft met verve een werk van de Nederlands-Turkse Eylem Aladogan (1975), afgelopen jaar te zien geweest in Kröller-Müller in Otterloo. „Een enorme katapult van verschillende materialen. In het centrum daarvan een bonk klei, als samengebalde energie die nergens heen kan. Aladogan gebruikt de klei zoals het haar uitkomt en laat zich niet leiden door eigenschappen van het materiaal. Vorig jaar hield ze bij ons een lezing daarover. Bij een traditionele keramist ontlokte ze de reactie: ’Maar je weet toch dat dat niet kan’. Juist die omgang met keramiek waardeer ik. Ze tart het materiaal.”

Het zoeken naar die grenzen en er zo nu en dan eens overheen gaan, dat is ook wat Baas drijft als conservator. Er is nu geen keramiek te zien in het Bossche museum. Die heeft even plaatsgemaakt voor twee foto- en videotentoonstellingen en die andere specialisatie van SM’s: sieraden.

Het gaat bij deze expositie, vertelt Baas terwijl hij de weidse museumruimte inloopt, vooral om het verhaal bij die sieraden. Hij loopt af op een billboard waarop een gezelschap is te zien, als op een levensgrote familiefoto. Her en der zijn sieraden op het billboard bevestigd: een rode kunststof ketting siert een blonde vrouw, er zijn armbanden en ringen. Bovenin, waar een man en een vrouw elkaar lijken te naderen, hangt een likeurglaasje. „Kunstenaar Ted Noten (1956) kreeg een verzoek van een stel dat ging trouwen om ringen te ontwerpen. Maar hij dacht verder door over het ritueel van het huwelijk, een samenbinding, een versmelting.” Baas wijst naar het glaasje. „Uiteindelijk maakte hij deze twee gouden pillen. Een mooi symbool. Innemen? Je zou er van alles mee kunnen doen. Maar het stel vond het geen leuk idee.”

De billboard met sieraden die rituelen verbeelden is onderdeel van de tentoonstelling ’Wie is er bang voor sieraden?’ Een project van ontwerper en vormgever Gijs Bakker (1942) die kunstenaars uitdaagt sieraden te maken die meer zijn dan een versiering of een kostbare belegging. Om de zoveel jaar resulteert dat in een aparte collectie waarvoor Bakker een speciale presentatiewijze bedenkt. Alle collecties beleefden hun première in SM’s. Zo ook de meest recente collectie ’Body Stories’.

Fredric Baas, gebogen over doorgezaagde lichaamsdelen die als vitrines fungeren voor zowel eenvoudige als extravagante sieraden – die je soms niet als zodanig herkent – vertelt hoe hij met de ontwerper en de technische dienst van het museum deze presentatie voor elkaar heeft gekregen. „Dat is het voordeel van een klein museum, de lijntjes zijn kort. Je kunt hier meer realiseren. Ik kan hier als conservator zelf – in overleg met mijn collega’s – bepalen wat er op zaal komt. Maar er is geen aparte afdeling Behoud en Beheer die toestemming moet geven. En hier streven we er ook nadrukkelijk naar dat de conservator regelmatig op de werkvloer is. Dat is geweldig: mensen rondleiden, die interactie met het publiek, de verhalen vertellen waardoor de objecten meer gaan leven voor de bezoekers.”

De conservator duikt een afgeschermde ruimte in. Een donkere kamer in de grote lichte ruimte. Daar is in vitrines een selectie te zien uit het oeuvre van sieradenontwerpster Emmy van Leersum (1930-1984). Het museum heeft onlangs haar hele collectie en haar archief kunnen kopen met steun van de Vereniging Rembrandt. „Veel hadden we al in huis”, zegt Baas, en hij wijst op de zwart-witfoto waarop Van Leersum is te zien, haar gezicht omringd door een enorme aluminium kraag. „Deze hebben we nu ook. Dat voelt als een overwinning, als je zo’n collectie compleet hebt en voor Nederland hebt weten te behouden. Want er was belangstelling vanuit Amerika.”

Zelf draagt hij slechts een zilveren ring, wel opvallend door zijn grootte, met twee inkepingen. „Het is een verlovingsring, op maat gemaakt, een ontwerp van vormgever Joost Wever. Als je de ringen tegen elkaar houdt, vormen ze een geheel.”

Thuis is hij vast omringd met kunstig keramiek? Hij kijkt even weg, loopt in gedachten door zijn woning, en zegt: „Nee, ik heb niet zo gek veel kunst in huis.”

Niet zo gek veel? Wat dan wèl? „Nou, wat verzamelingen.”

Met enige schroom vertelt Fredric Baas over de gasmaskers die hij verzamelt. Nee, niet van kunstenaars, échte gasmaskers. En nee, het heeft verder geen bijzondere reden, er zit ook geen symboliek achter. „Sommige mensen verzamelen Afrikaanse maskers, ik vind gasmaskers mooi.”

Nog meer?

Hij begint te lachen en heeft meteen spijt als hij zegt: „Hamertjes.” De kunsthistoricus verzamelt hamertjes. Van die hamers die archeologen graag vinden? „Nee, hamertjes van brandmelders die achter een glazen venstertje zitten. Die moet je met zo’n hamertje stukslaan. Bizarre dingen. Dan denk ik: waarom niet gewoon met je elleboog? Hoezo moet dat met een hamertje? Ik denk bij zo’n verzameling niet na of het kunst is of niet. Ik vind het bijzonder genoeg om te verzamelen.”

Dat deed hij als kleuter al. Opgroeiend op het Friese platteland scharrelde hij op omgeploegde akkers, op zoek naar schatten. Hij vond stukken aardewerk en pijpenkoppen, keramische witte pijpenkoppen die boeren in het land achterlieten. „Toch al heel jong bezig met keramiek. Eigenlijk heb ik van dat zoeken naar schatten nu mijn werk gemaakt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden