Altijd onderweg

Vrolijk deed hij zijn ronde als postbode en als ouderling van de kerk. Maar achter zijn gemoedelijkheid scholen geharnaste opvattingen.

Als íemand postbode in hart en nieren kan zijn, dan was hij dat. Op z'n 19de kwam hij in dienst van de posterijen, en hij bleef er tot zijn dood. Hij was een postbode van de oude stempel. Desnoods fietste hij heel Bodegraven door om een brief te bestellen die niet in zijn wijk thuishoorde.

Met plezier nam hij vrijwillig de moeilijkste ronde: de Noord- en Zuidzijde aan weerszijden van de Rijn. Daar moest hij steeds de smalle, drukke weg oversteken. Er gebeurden veel ongelukken, daar was hij zich van bewust. Hij kende er iedereen op zijn route en iedereen kende hem, dat was voor hem belangrijk.

Voor iedereen had hij een praatje of een grapje. "Moeten jullie geen aardappelen schillen?", riep hij naar mensen die een wandelingetje maakten. Eén keer kwam er een klacht bij de posterijen over een opmerking die hij had gemaakt tegen het baasje van een mager hondje. "Zou je hem niet wat meer te eten geven?" Dat was het ergste wat Cees Verbree op z'n kerfstok had.

Achter zijn grapjes zat soms ernst. Op zondag kon hij de buurman die zijn hondje uitliet vrolijk toeroepen: "Hee, je gaat de verkeerde kant op, de kerk is dáár." Zelf sloeg hij geen kerkdienst over. Het was geen goede zondag geweest als hij niet twee keer naar de kerk was gegaan. De kerk was nog belangrijker dan de post.

Wie iets langer met Cees sprak dan een praatje langs de weg, kwam al gauw op het geloof uit, het gereformeerde geloof van Cees. Hij nam de Bijbel zo letterlijk mogelijk en hij had een afkeer van fratsen tijdens de dienst. Zoals kaarsen en bloemen in de kerk, dat was iets voor de roomsen. Hij verkondigde zijn opvattingen luid en duidelijk. Zijn gemoedelijkheid maakte dan plaats voor gedreven ernst. "Ik moet de mensen waarschuwen", vond hij. Maar hij wist dat dat niet altijd in goede aarde viel. "Ik ben nogal zeggerig", gaf hij toe. "Maar wel eerlijk."

Het geloof had hij van huis uit meegekregen. Zijn vader was veehandelaar in de Meije, even buiten Bodegraven. Hij kocht zogeheten verse vaarzen, koeien die voor het eerst gingen kalven, om vervolgens koe en kalf te verkopen. Cees was de vierde van acht kinderen, een vrolijke jongen die een beetje ondeugend was en graag de lachers op zijn hand had.

Voor het bedrijf van zijn vader had hij geen belangstelling, zijn oudste broer ging daarmee verder. Wat hij wel wilde worden, was lang onduidelijk. Op de lagere school bleef hij zitten in de vierde klas en ook de zesde klas haalde hij niet. Hij ging in de leer bij de bakkersfamilie Roest, waar hij jaren zou blijven. Toen de bakkers ermee ophielden, moest Cees wat anders.

Waarschijnlijk was het zijn moeder, op wie hij stapelgek was, die hem wees op de posterijen. Daar kon je een baan als ambtenaar krijgen, dat gaf vastigheid. Cees solliciteerde en werd aangenomen in 1965. Twee jaar later had hij het vereiste diploma behaald voor de vertrouwensfunctie van postbode.

Hij leefde sober. Uitgaan deed hij niet, de kerkelijke jongelingsvereniging was voor hem genoeg. Hij heeft weleens een vriendin gehad, maar dat werd niets. Zijn uitgebreide familie en de kerkgemeenschap leken genoeg voor hem.

Tot z'n 25ste bleef hij bij zijn ouders wonen. Toen kocht hij een rijtjeshuis, waar hij altijd is blijven wonen. De lening die hij daarvoor nodig had, betaalde hij in hoog tempo af. Hij wilde geen schulden.

Eén verleiding kon hij niet weerstaan: snoep. Daar had hij altijd een zak van bij zich, tot vreugde van neven, nichten en andere kinderen die hij handenvol toestopte. Bij kinderen kwam het jongetje in hem zelf weer boven. Dan kon hij met overgave mal doen en helemaal opgaan in het spel. Hij ging graag met hun naar de McDonald's om daarna naar de Reeuwijkse Plassen te gaan. Gekke oom Cees was populair.

Ook volwassenen konden op hem rekenen. Hij was vrijwilliger in de kerkelijke opvang van daklozen en hij waste eindeloos af in een eetcafé voor verstandelijk gehandicapten. Ook in zijn eigen huis nam hij soms mensen op die het nodig hadden. Als ouderling die bij oude of zieke mensen thuis psalmen zong of een bemoedigend woord sprak, maakte hij meer kilometers dan als postbode. Hij was trots als mensen hem 'nog een echte ouderling' noemden.

Maar als er kerkelijke kwesties ter sprake kwamen dan leken zijn plooibaarheid en gemoedelijkheid te verdwijnen. In discussies hield hij strak vast aan behoudende standpunten. In zijn eigen Emmaüsgemeente was hij vaak in de minderheid. "Er zijn meer mensen zoals ik, maar die durven niet", zei hij. "Die zeggen bij de koffie: 'Cees, je hebt gelijk'. Dat hadden ze binnen moeten zeggen. Ik lijk wel een kapitein op een zinkend schip."

Voor zijn kerkgang zocht hij in de preekroosters naar dominees van wie hij de meest Schriftgetrouwe boodschap verwachtte. Dat was geregeld buiten zijn eigen gemeente. Zo trok hij op zondag van de ene kerk naar de andere.

Zijn standpunten leken vaak onwrikbaar. Zoals zijn afwijzing van vrouwen als predikant. Maar toen hij een vrouwelijke dominee had horen preken in Nieuwerbrug, was hij van zijn stuk gebracht. "Ik zie dat nu toch anders", gaf hij toe. Homoseksualiteit wees hij vierkant af. Tot hij er in eigen familie mee te maken kreeg. Uiteindelijk waren mensen voor hem belangrijker dan leerstelligheden.

Ook in zijn werk bij de posterijen veranderde veel. Het postkantoor werd opgeheven en de post kwam voortaan aan in een garagebox. De post kwam ook steeds later op de dag naar Bodegraven, soms pas om kwart voor twaalf. Tijdens het lange wachten was hij boos en mopperig, maar die stemming sloeg om in zijn gebruikelijke opgewektheid als hij weer op zijn ronde was.

Toen hij op z'n 62ste met vut ging, meldde hij zich voor de nieuwe functie van deeltijd-postbesteller. Hij had een contract van tien uur per week, maar Cees maakte er het driedubbele van. Hij kon het werk niet missen.

Op zijn scooter bleef hij de post brengen naar de vertrouwde Noord- en Zuidzijde langs de Rijn. Het was een lastige route, want er was daar geen even- en oneven zijde. Om de opeenvolgende huisnummers te bereiken moest hij steeds de gevaarlijke weg oversteken.

Op een vrijdag in december had hij, zoals zo vaak, met een kennis op de Zuidzijde afgesproken om koffie te komen drinken als hij zijn ronde klaar had. Hij zwaaide ten afscheid. Tegen half één schuin de weg over naar het volgende huisnummer. Plotseling kwam er een auto voorbij de bocht in de weg. Cees had hem niet gezien. Ambulances en een helikopter konden hem niet meer redden.

Cees was niet bang voor de dood. Hij zei altijd: "Mijn paspoort is getekend", doelend op de overgang die hij verwachtte. Ook zei hij: "Als mijn tijd is gekomen, dan hoop ik dat ik zo wordt weggenomen". Dat is gebeurd.

Cornelis Verbree werd geboren op 14 juni 1946 in Bodegraven. Daar stierf hij op 28 december 2012.

Cees Verbree 1946-2012

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden