Altijd in vol Urker ornaat

Sinds haar negende liep ze altijd in de klederdracht van Urk. Dat vond ze het makkelijkst. Ze was een van de laatsten.

Er moet een foto van haar bestaan in een gewoon zomerjurkje. Niemand kan die foto vinden, want ze heeft die goed weggemoffeld. Ze voelde zich zo kaal in die jurk, en zo warm.

Het was in Suriname, waar ze haar dochter bezocht die daar voor een jaar woonde. Zoals altijd liep Marretje in haar traditionele kledij van Urk en trok daarmee veel bekijks. Dat was ze gewoon, ook in Nederland en zelfs thuis op het eiland Urk. Toen ze op een dag het Surinaamse binnenland in zouden trekken gaf ze zich gewonnen aan iedereen die zei dat ze iets praktisch zou moeten dragen. Het haar, dat ze altijd onder een kapje had, knoopte ze tot vlechtjes. Maar met haar blote benen wist ze geen raad. En ze miste het korset dat haar een statige houding gaf. "Ik had zo'n leeg gevoel", zei ze er later over. Terug in Paramaribo zei ze: "Nu hebben jullie het gezien. Ik ben in bad gegaan en heb me weer aangekleed. Een jurk heb ik nooit meer aan gehad."

Sinds ze negen was had ze de klederdracht van het visserseiland gedragen. Haar moeder, die gewoon was zelf de kinderkleren te naaien, vond dat te moeilijk worden naarmate de meisjes opgroeiden. Ze kon geen vorm in hun jurkjes maken. "Nu moeten jullie maar in het Urker", zei ze. Marretje vond het prachtig. Later vond ze het ook nog heel praktisch want ze hoefde nooit naar het vasteland om nieuwe kleren te kopen, alles was voorradig op het eiland.

Er was een tijd geweest, toen ze in de dertig was, dat ze genoeg had van de aandacht die haar kledij trok. "Ik val altijd zo op", klaagde ze bij Lourens, haar man. Maar die zei: "Ik heb je zo gevonden en zo wil ik je houden."

Lourens Metz had haar als meisje gezien in de gereformeerde Bethelkerk op Urk. Hij werkte op de scheepswerf van zijn vader en hij verving zijn vader als organist in de kerk. Op zijn orgelstoel kon hij door een kijkgaatje het kerkvolk zien. Tijdens de preek zat hij te loeren naar de banken waar de meisjes zaten. Eén vissersdochter met mooie zwarte lokken die van onder haar Urker hulletje golfden, boeide hem. Op zaterdagavond, als de jongeren de straat op en neer kuierden, maakte hij een praatje met haar. Later gingen ze een rondje om het eiland roeien, of ze liepen naar het stille drassige land op de staart van het eiland waar ze alleen konden zijn.

Ze hadden verkering, maar zij wilde nog wat van de wereld zien. De wereld, dat was Den Haag waar een vriendin hulp in de huishouding was. Veel Urker meisjes gingen voor hun huwelijk uit werken in de steden van Holland. Als ze met Pinksteren en Kerstmis voor vakantie terugkwamen met de boot, renden Marrie, zoals ze meestal werd genoemd, en andere kinderen naar de haven. "De dienstmeiden komen!", riepen ze dan.

Op haar zestiende kreeg Marrie werk bij een gereformeerd gezin aan de Laan van Meerdervoort. Daar kreeg ze in een groot huis een klein, koud bovenkamertje. Ze keek haar ogen uit: mooi eetservies en prachtig tafellinnen. Buiten kon ze alle kanten uit en overal had je winkels, auto's, trams en heel veel mensen. Met de andere dienstbodes van Urk ging ze in Scheveningen naar de kerk.

Na een jaar had ze het wel gezien en ze keerde voorgoed terug naar Urk. Ook daar werkte ze in de huishouding, bij een weduwnaar die vee had en een winkel met zuivel en kruidenierswaren. Samen met haar zus Neel zorgde ze voor het grote moederloze gezin en hielp ze in de winkel. Die was tot zaterdagavond laat open. Marrie liet haar zus dan gaan, want haar vrijer was een visserman en die moest zondagavond weer naar zee. "Lourens zie ik in de week nog wel", zei ze dan.

In december 1939 trouwde Marrie met Lourens. Op de werf van de familie Metz werd een woning voor het jonge paar gebouwd boven de hellinglier, die ze binnen hoorden ratelen als er weer een schip voor reparatie kwam. In de bezettingsjaren was er weinig werk. De Duitsers vorderden soms vissersschepen, maar verder hadden ze het redelijk goed, want er was altijd vis te eten of te ruilen. Ingrijpender was de drooglegging van de Noordoostpolder die het eiland langzaam maar zeker veranderde in een kustplaats.

Marrie zorgde voor huis en gezin. Ze kreeg zes kinderen, twee jongens en vier meisjes. Als ze zwanger was zag je dat niet, de klederdracht hield dat verborgen.

Na de bevrijding werd het druk op de werf. Er kwamen schepen beschadigd terug uit Duitsland. Bovendien hadden de houten botters afgedaan, stalen kotters waren de toekomst voor de visserij. Marrie stimuleerde Lourens om te investeren in vernieuwing, als hij maar afbleef van de spaarbankboekjes van de kinderen. Ze zorgde er ook voor dat ze altijd geld in huis had en zo kon ze altijd iemand helpen die krap zat.

Vissers van elders die een schip lieten (ver)bouwen, kwamen soms wekenlang logeren. Zo kreeg ze vrienden in praktisch alle vissersplaatsen. Als het nieuwe schip te water werd gelaten, stond Marrie er trots bij. Maar bij de proefvaart ging ze snel van boord. Ze was bang. Als kind was zo angstig geweest toen haar vissende vader vermist raakte tijdens een storm. Hij werd gered, maar de bange uren bleven haar altijd bij.

Toen hun oudste zoons Wypke en Albert in het bedrijf kwamen en er gingen wonen, verhuisden Marrie en Lourens naar de rand van het dorp. Marrie had zelf ervaren dat het drukkend kan zijn als je naast je schoonouders woont, en dat wilde ze haar schoondochters besparen.

Toen de scheepswerf eind jaren zeventig opnieuw vernieuwd moest worden, hield Lourens ermee op. Hij voelde zich een ambachtsman, geen manager, en bovendien werd hij 65. Bij de christelijke reisvereniging NCRV werd hij reisleider. Ook al sprak hij geen andere talen, hij trok met groepen naar Oostenrijk, Zwitserland, Denemarken en Frankrijk. Marrie ging meestal mee.

Vaak was ze in de weer met klederdracht. Zoals borduren op de kraplappen die over de schouders worden gedrapeerd. Ze had wel 150 kraplappen. Ze maakte een volledig pak voor de drie kleindochters die naar haar waren vernoemd.

Een verdrietige periode brak aan toen Lourens begon te dementeren. Ze probeerde met hem te oefenen om de aftakeling te remmen. Haar krachtige Lourens, die altijd gewend was de beslissingen te nemen, werd helemaal van haar afhankelijk. Hij overleed in 2002, 88 jaar oud.

Marrie bleef alleen in het huis wonen en in de grote tuin werken. Ze was te zuinig om een tuinman te nemen; alleen voor het zware werk kreeg ze later hulp. Haar blote armen zaten vaak onder de schrammen van de rozen.

Een paar keer kwam ze ten val, ze brak haar schouder, ze brak haar heup, en daarna werd haar algemene gezondheid minder. Ze kwam terecht in een verpleegtehuis in Joure. Ze kon haar rokken zelf niet meer aantrekken, dus droeg ze daar een trainingsbroek. Later wilde ze beslist nog eens terug naar dat verpleegtehuis, nu in vol Urker ornaat. Want ze wilde nog eens laten zien hoe ze er echt uitzag.

Marretje Metz-Post werd geboren op 25 mei 1917 op Urk. Daar stierf zij op 5 november 2012.

Marretje Metz-Post 1917 - 2012

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden