Altijd in touw voor de buurt

Gerrit Koekebakker 1930-2015

Aan het eind van zijn leven maakte hij zich zorgen of hij wel een goede vader was geweest. Want hij was altijd in de weer voor de buurt.

Als de vissers op vrijdag terugkeerden in de haven van Den Helder, stond hij bij de visafslag te wachten met een grote vuilniszak. Daarin verzamelde hij de vis die de vissers hem gunden en hij gaf wat sigaretten in ruil. Dan fietste hij naar huis, naar zijn schuurtje in de tuin, waarin hij een bakhoek had ingericht met een gasfles en een kookpit. In een enorme pan bakte hij de verse vangst. Daar genoot hij van. Nog mooier vond hij het om vervolgens zijn baksel uit te delen aan de buren. Gerrit Koekebakker leefde voor de buurt.

Bijna al zijn vrije tijd was hij druk in De Boerderij, het buurtcentrum in de Helderse wijk De Schooten. Ook op zijn werk gingen de gesprekken vaak over dat buurtcentrum, want zijn chef en vriend Piet Wijnants zat eveneens tot over zijn oren in het vrijwilligerswerk. Ze waren zo goed op elkaar ingespeeld, dat anderen dachten dat ze broers waren.

Gerrit had al genoeg broers van zichzelf, zeven maar liefst en ook nog een zuster. Hij was op een na de jongste. Zijn vader, die als burger werkte als bottelier bij de marine, stierf toen Gerrit zeven jaar was. Met zijn moeder en jongere broer woonde hij tijdens de bezettingsjaren in Jutphaas, omdat Den Helder met zijn marinehaven te gevaarlijk was als waarschijnlijk mikpunt voor bommenwerpers. Meteen na de oorlog overleed ook zijn moeder. Gerrit werd ondergebracht bij een oudere broer. Het was een moeilijke tijd voor hem. Hij ging werken bij een groenteboer, als 'knechie', zoals hij het zelf noemde. Daar zat weinig toekomst in, dus toen hij op z'n 22ste een baan bij de marine kon krijgen, greep hij die kans. Als burger werd hij geplaatst bij de opslag van munitie op het terrein van de Nieuwe Haven. Daar zou hij tot zijn pensioen blijven.

Hij ging op dansles, niet omdat hij zo dol op dansen was, maar omdat je er meisjes ontmoette. Op de dansvloer stond hij te stuntelen en hij bewonderde een meisje dat elegant door de zaal zwierde. Met haar, de twee jaar jongere Anna Menkema, trouwde hij in 1955. Ze zouden drie kinderen krijgen: Rob, Anita en Peter.

Eerst woonden ze in een wrak huisje in het centrum van Den Helder, later trokken ze naar een bescheiden woning in een arbeiderswijk. Toen Den Helder een behoorlijke groei van de marine verwachtte, werd er een grote nieuwe wijk gebouwd. Daar kreeg Gerrits gezin in 1967 een rijtjeshuis. Geen teil op het aanrecht meer om je te wassen, maar een douche. Zijn jongere broer Rens, die sinds 1959 met zijn gezin naast hem woonde, werd ook in de nieuwe wijk zijn buurman. Ze zouden altijd buren blijven.

Op het bouwterrein stond nog een oude boerderij; zeven waren er al gesloopt voor de nieuwe wijk en dat lot wachtte ook deze laatste hoeve die de wijk zijn naam gaf, De Schooten. Maar Gerrit en andere nieuwe bewoners namen het initiatief om er een speeltuinvereniging te vestigen. Voor een zacht prijsje konden ze de gebouwen huren van de gemeente. Het groeide uit tot een buurtcentrum.

Met zijn collega Piet Wijnants wist hij menig vakman van de marine in te schakelen voor de verbouwing. Oude munitiekisten werden gebruikt als timmerhout. Zelf kon Gerrit niet klussen, maar hij was een meester in het regelen van mensen en het ritselen van materialen. Het was allemaal vrijwilligerswerk.

Gerrit Koekebakker was er elke avond te vinden. Meteen na het eten liep hij naar de boerderij. Zijn kinderen zagen hem nauwelijks. Anna (door hem steevast Vrouw Koek genoemd) hielp mee. Ze bediende in de bar en maakte slaatjes met eieren van de kippen van Piet en de sla uit de volkstuin van Gerrit. Het was druk: een bingo-avond trok 150 tot 200 mensen. Met bruiloften en partijen verdienden ze genoeg geld om het buurthuis zonder subsidie te bekostigen.

Gerrit was dol op feestjes en gekkigheid. Zo kon hij op een feest verschijnen in een Schotse kilt met een lampekap op zijn hoofd. Toch bleef hij altijd rustig en zelfs wat teruggetrokken. Aan een volle bar zat hij vaak apart, met z'n jenevertje en zijn zware shag. Jongeren kregen de kans hun eigen muziek te programmeren, al vond Gerrit daar niets aan. Er kwam een apart discozaaltje. Erger vond hij het dat de jongere vrijwilligers geen kleedjes op de tafels wilden. Zonder die klassieke cafékleedjes was er geen gezelligheid, vond hij.

Hij was er de man niet naar om daar ruzie over te krijgen. Hij ging conflicten uit de weg, anders dan zijn maat Piet. Gerrit remde Piet dan af en beschermde hem. Samen maakten ze lange wandelingen. Niemand wist waar ze heen gingen of wat ze bespraken.

Het buurthuis ontwikkelde zich tot het 'multifunctioneel centrum' dat het tegenwoordig is. Gerrit had op z'n werk een bescheiden positie, maar hij was een sleutelfiguur in De Boerderij.

In de vakanties ging Gerrit met zijn gezin altijd naar een stacaravan op de Veluwe. Naar het buitenland gingen ze nooit. Gerrit had geen rijbewijs.

Gerrit was voor zijn werk begin jaren zestig eens in Schotland geweest, toen de marine daar oefeningen hield. Het maakte diepe indruk op hem en hij verlangde ernaar dat ruige land nog eens te bezoeken.

Pas twintig jaar later zou hij met het gezin van zijn oudste zoon opnieuw naar Schotland gaan. Hij was er weer ondersteboven van. Sindsdien ging hij er elk jaar heen, samen met Vrouw Koek en zijn volwassen kinderen. Malt-whisky werd zijn lievelingsdrank, al was het te duur om vaak te drinken. Hij kende geen aangrijpender muziek dan de jankende klanken van de doedelzak. Met een cursus op cassettebandjes leerde hij wat Engels.

Toen de marine weer eens moest inkrimpen. ging Gerrit op z'n 55ste met vervroegd pensioen. Hij vond het prima, want toen had hij nog meer tijd voor De Boerderij en zijn volkstuin. Thuis ging hij koken, meestal Hollandse kost. En hij bleef vis bakken in zijn schuurtje.

De vriendenclub met wie hij De Boerderij was begonnen, werd met de jaren kleiner en kleiner. Zijn maat Piet overleed in 2000. Toen begon Gerrit zich terug te trekken uit het buurtcentrum.

Hij bleef lang gezond. Toen hij 50 was, had zijn oudste zoon op Oudejaarsdag gevraagd of hij goede voornemens had gemaakt. Hij moest even denken en zei: "Ik zou kunnen stoppen met roken". En dat deed hij.

Na zijn 80ste begon hij te kwakkelen: problemen met zijn hart, jicht, versleten heupen en knieën. Het bracht hem tot de uitspraak: "Tot m'n tachtigste heb ik een mooi leven gehad. Daarna was het een oud zootje en het wordt nooit meer wat".

Gerrit was geen prater. Over zijn gedachten en gevoelens sprak hij nooit. Dus het was verrassend toen hij in zijn laatste dagen tegen zijn oudste zoon zei dat hij er spijt van had dat hij geen goede vader was geweest, omdat hij altijd in touw was geweest voor het buurthuis. Zijn zoon stelde hem gerust.

Gerrit Koekebakker werd geboren op 25 november 1930 in Den Helder. Daar stierf hij op 16 oktober 2015.

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Gerrit Koekebakker: 'Tot mijn tachtigste heb ik een mooi leven gehad. Daarna was het een oud zootje en het wordt nooit meer wat.'

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden