Altijd in het licht

(FOTO HH)

Karin Melis neemt het op voor de handgeschreven brief in tijden van permanent getwitter en ander digitaal gekwetter. „Er wordt niet meer naar mij verlangd: ik ben toch immers onder handbereik?”

De enveloppe was zwaar. Iemand moest me wel een heel lange brief geschreven hebben. Wat zou erin staan? De vellen papier waren dik, een beetje glanzend zoals we die vroeger kenden van kopieerapparaten. We stonden nog op de grens van het inmiddels op hol geslagen reproductieve tijdperk. De brieven waren gekopieerd. Van wie waren ze in hemelsnaam afkomstig?

Een vage onrust nam van mij bezit toen ik naar de letters tuurde, alsof ik niet begreep wat ik zag. Het duurde een eeuwigheid eer ik verstond wat mijn lichaam al eerder had doorzien: dit waren mijn woorden, ooit geschreven door mijn eigen hand. Een kennelijke reminder aan datgene wat ik ooit gemeend had. Woorden die zich tegen mij keerden. Een geretourneerd geschenk.

Het heeft iets beschamends de woorden te lezen die je ooit voor een ander bedoeld had. Zeker als het een verontschuldiging betreft. Want de brief gilde in alle toonaarden mea culpa. Maar tot op heden kan ik me de misdaad die ik kennelijk in mijn late tienerjaren had begaan – uit die tijd dateerde de brief – niet herinneren. Noch mijn eigen brief noch mijn geheugen brengt hier klaarheid over. Niettemin, ik geloof mijn eigen handschrift. Het kan niet liegen.

Bekende Nederlanders krijgen weleens de vraag een brief te schrijven aan hun jongere zelf. Die lezen ze dan voor in een radioprogramma, of dergelijke brieven worden gebundeld zoals tijdens de Boekenweek het geval is. Ook op bewustwordingscursussen vragen ze je soms om een brief te schrijven aan het kind in jezelf of moet dat kind zelf woorden aan je geven. Dat schrijnt vrijwel altijd. Ik althans knap niet op van een dergelijke briefwisseling met mezelf. Het levert altijd gebroken beelden op.

Geef mij maar woorden van een ander, geschreven in stilte, afzondering. In onverdeelde aandacht, het hoofd gebogen in de cirkel van licht van de bureaulamp. Een e-mail heeft toch iets van een tussendoortje. Een e-mail tussen andere die, trappelend en al dan niet voorzien van een beschuldigend roodgekleurd uitroepteken, schreeuwen om beantwoord te worden. En wel onmiddellijk. Urgentie hangt in de lucht.

Urgentie hangt altijd in de lucht sinds ik elke seconde van de dag bereikbaar en bijgevolg beschikbaar ben. Het sms-piepje is het meest dwingelanderige kind dat ik ken: je kunt er zijn dus heb je er maar te zijn. Vluchten kan niet meer. En schuilen al helemaal niet. Een webcam hoort inmiddels bij de standaarduitrusting van een computer. Het maatschappelijke dogma van beschikbaarheid is hierdoor compleet: dat ding moet aan, want kan aan. Als je je niet laat zien, heb je kennelijk wat te verbergen. Zie daar maar eens met een geloofwaardige smoes van af te komen.

Die voortdurende nabijheid, geboden door geavanceerde communicatiemiddelen, moet wel iets doen met de relationele sfeer. Ik vraag me af of we er sociaal-emotioneel op gebouwd zijn om ononderbroken in contact te staan met de hele mensenwereld. Om altijd te weten hoe die ander eraan toe is. En hoe ik er zelf aan toe ben, want dat moet ik ook elke minuut van de dag – laten – weten. Dikwijls weet ik dat niet; bewustwording is een traag proces. Dat blootstaan aan de openliggende zenuwen die digitale netwerken zijn, jaagt me op. Dat is het bijkomende nadeel van het eeuwigdurende nu: het moet altijd nu. Zichtbaar, leesbaar en hoorbaar sta ik immer in contact. Niet met mezelf, maar met de anderen.

Ergens zegt de Duits-Joodse filosofe Hannah Arendt dat mensen geestelijk gestoord worden als ze onafgebroken in het licht staan. Volgens Arendt is het van levensbelang dat we ons terug kunnen trekken, opdat we in alle rust en stilte weer op adem kunnen komen. Ze heeft het vooral over de kwalijke gevolgen voor beroemde mensen op wie de schijnwerpers gericht staan. Maar ook schepselen die geen dak boven hun hoofd hebben, kunnen, zwervend langs de straten met geen mogelijkheid ontsnappen aan publieke ogen.

En nu zijn dus ook eenvoudige stervelingen, die de achterdeur achter zich dicht kunnen trekken, gevangen in het grensoverschrijdende licht van Big Brother: de motor achter de globaliserende symbiose waarin we ons bevinden. Binnen die grenzeloosheid lost het individu zich moeiteloos op. Dat we het nog over individualisme hebben, is mij een raadsel. Toegegeven, voor mensen die om wat voor reden dan ook geen kant uit kunnen is de communicatietechnologie een zegen. En ook voor ons werk is het uiterst efficiënt. Waar het mij vooral om gaat, is de dwangmatigheid die uitgaat van twitteren en ander digitaal gekwetter.

Als mijn aanwezigheid continu wordt opgeëist dan ben ik niet meer gewenst. Dat is de paradox waarin ik leef. Er wordt niet meer naar mij verlangd: ik ben toch immers onder handbereik? Het is mijn stellige overtuiging dat nabijheid niet tot stand kan komen zonder verlangen. Dat betekent dat werkelijke aanwezigheid afhankelijk is van tijd en ruimte die ons van elkaar scheiden. Geen ontmoeting zonder scheiding.

Brieven zijn daarvan het levende bewijs. Het liefst met de hand geschreven, zijn zij de onvervangbare stempel van de ziel. Zo schrijft Seneca ongeveer 60 jaar na Christus aan Lucilius: „Ik ben je dankbaar dat je me vaak schrijft, want daarmee vertoon je je aan mij op de enig mogelijke manier. Nooit ontvang ik een brief van jou zonder het gevoel dat we op datzelfde moment bij elkaar zijn.” Seneca vertelt zijn jonge vriend hoe brieven „de ware indrukken van de afwezige vriend brengen”. Het halsreikende uitzien naar de nabijheid van de dierbare wordt gespiegeld in de verzonden woorden die even de afstand in tijd en ruimte moeten opheffen.

Héloïse haalde in 1131 deze woorden van Seneca aan in een brief aan haar minnaar, de vermaarde theoloog Abélard. Vanuit een klooster nabij Parijs, waar ze door diezelfde Abélard na hun verboden verhouding gedwongen werd haar intrek te nemen, smeekt ze haar geliefde een teken van nabijheid te geven „door mij enkele woorden van troost en begrip te schrijven”. Maar Abélard heeft haar persoonlijke woorden onthouden. Van dienares in de wellust werd Héloïse zijn zuster in Christus.

Ook de dichter Paul Celan en zijn minnares Ingeborg Bachmann, wier briefwisseling onlangs is uitgegeven, bidden en smeken elkaar om geschreven woorden. „Een woord van jou – en ik kan leven”, schrijft een getormenteerde Celan.

In dit soort briefwisselingen die aan ons zijn overgeleverd, wordt verlangd naar de ontlediging van het hart van de ander. Beken je aan mij, vertrouw jezelf aan mij toe, wordt er in de brieven verzucht. Oftewel: wees mij nabij. Tja, hoe ben ik dan aanwezig?

In eenzaamheid wordt er gekrast op papier, de hand bevolen naar de ander uit te reiken. Opgeroepen aanwezigheid wordt in de beslotenheid van een enveloppe per post verstuurd, waarna het uitzien is naar een antwoord. Woorden die als voedsel voor de ziel dienen. Niet voor niets kreeg de Duitse briefwisseling tussen Bachmann en Celan de titel ’Herzzeit’ mee: hier is sprake van de tijd van het hart.

Die tijd komt onder druk te staan door het dagelijkse, digitale verkeer dat contact tot een consumptieartikel verlaagt. Oorzaak is de snelheid waarmee geschreven wordt, in de veronderstelling dat het antwoord evenredig snel in de inbox verschijnt. Woorden worden dan louter functioneel en ontdaan van hun zeggingskracht die tijd behoeft om zich te ontvouwen.

Het verkeren gebeurt veelal middels bumperstickers, slogans, Hallmark-teksten en oneliners die contextloos door de glasvezels schieten. Het verschraalt ons taalgebruik en daarmee ons innerlijk leven. De hedendaagse boodschap lijkt steeds te zijn dat we geen tijd te verliezen hebben. Ik denk dan: waartoe hebben we geen tijd te verliezen?

Trouwens, de 24-uurs economie van het digitale verkeer kent geen pauze. Zij vertegenwoordigt een schare van ongenode gasten die zelfvervreemding in de hand werkt. De stem van ons hart evolueert nu eenmaal niet zo rap als de technologie dat doet.

Natuurlijk, je kunt apparatuur uitzetten en dan is er ook nog de delete-knop. Harde woorden die op je beeldscherm oplichten, kun je met een lichte handbeweging terug het universum in sturen. Alsof die woorden niet bestaan hebben, zo weg zijn ze. Met boze brieven ligt dat anders. Die moet je met je handen verscheuren of woedend boven het vlammetje van een aansteker houden.

Toch zullen die handgeschreven woorden minder gemakkelijk je systeem verlaten. Het handschrift blijft in je ziel branden. Zo ook de woorden die ik van mezelf mocht terugontvangen. Het motief van terugzending is onopgehelderd. Ik kan er slechts naar gissen. Maar mijn hart zegt dat als je je eigen verontschuldigingen jaren na dato teruggestuurd krijgt, dat dat niet veel goeds voorspelt. En daar is zelfs de vluchtigheid van het digitale verkeer niet tegen opgewassen. Sommige dingen beklijven, al zend je ze rakelings langs de satellieten het universum in.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden