Altijd in de wolken

In zijn ’bekentenissen’ schetst de herontdekte Hongaar Márai een prachtig, nostalgisch beeld van zijn gelukkige jeugd. En van Europa in de jaren twintig en dertig. Wel vreemd dat hij zwijgt over het opkomend fascisme.

Sándor Márai: Bekentenissen van een burger. Uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer. De Wereldbibliotheek, Amsterdam. ISBN 9789028422087; 464 blz. euro 22,50

Het mooiste aan Sándor Márai’s autobiografie ’Bekentenissen van een burger’ zijn de herinneringen aan zijn jeugd in het provinciestadje Kassa aan de rand van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Of het nu gaat over zijn beminde ouders, over de tweedeling in de maatschappij tussen de burgerklasse en het proletariaat –- die zich vooral ’s zondags op de corso manifesteerde en die tot op het kerkhof werd voortgezet –-, over de kaftanjoden en hun geassimileerde geloofsgenoten, of over het plaatselijke culturele leven en de rol van het Duitse dialect (’Zipserdeutsch’) in de Tatra-regio: bijna overal weet Márai te boeien en de lezer met zijn elegant-nostalgische toon voor zich in te nemen.

Precies de helft van het boek beslaan deze jeugdherinneringen, die eindigen met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het tweede, iets later gepubliceerde deel (het eerste deel verscheen in 1934) speelt zich voornamelijk af in de jaren twintig, toen Márai door Duitsland en Frankrijk trok en als beginnend journalist-schrijver furore maakte. In 1928 keerde hij terug naar Hongarije; de laatste zes jaar – het boek eindigt met de dood van Márai’s vader in 1934 – krijgen met amper dertig bladzijden onevenredig weinig aandacht.

Als het waar is dat een ongelukkige jeugd voor een schrijver een goudmijn betekent, dan bewijst Sándor Márai dat ook het tegendeel mogelijk is. Zijn kindertijd liet weinig te wensen over, ook in materieel opzicht. „In ons huis was alles ’anders’ en ’chiquer’ dan in gewone huizen”, schrijft hij met het standsbewustzijn dat hem nergens in de steek laat. Márai’s vader – zijn voorouders waren uit Saksen afkomstig - was een bekende advocaat in Kassa, een overtuigd katholiek en rechtgeaard patriot, die later in de nieuwe staat Tsjechoslowakije senator werd voor de Hongaarse minderheid. Zijn moeder was daarentegen uit eenvoudige kringen in Moravië afkomstig, voor haar huwelijk was ze lerares geweest; halverwege wijdt Márai een sublieme ode aan deze vrouw met ’haar opmerkelijke associaties, haar onnavolgbare humor, haar frisheid van geest en de bijna geniale manier waarop ze contact met kinderen maakte’.

Ook enkele andere familieleden worden fraai en met gevoel voor dramatiek en detail geportretteerd. Bijvoorbeeld de kettingrokende dikkerd ’oom Ernö’, een neurasthenicus en tevens losbol van de bovenste plank, die in een luxehotel in Sankt Moritz kelnerde en op 45-jarige leeftijd aan angina pectoris stierf. Of twee in Wenen en Boedapest docerende juristen-intellectuelen, de oom uit Boedapest werd zelfs ’in één adem genoemd met de beroemde namen van de stralende Hongaarse genieën die deze eeuw heeft voortgebracht’.

Nog voor zijn twintigste verhuisde Márai naar Duitsland om er literatuur en journalistiek te studeren, een vak dat hem al spoedig van pas kwam toen hij voor de gerenommeerde Frankfurter Zeitung ging schrijven. In Berlijn, Frankfurt of Leipzig, waar overal het inflatiespook rondwaarde en het gros van de bevolking arm als een kerkmuis was, maakte hij zijn leerzaamste fase door. De collegebanken meed hij zoveel mogelijk, veel liever zat de jonge dandy en bohémien in de koffiehuizen (als hij tenminste niet in vreemde bedden lag) waar hij zich verdiepte in de werken van Kafka, Thomas Mann of de expressionistische dichters August Stramm, Else Lasker-Schüler, Theodor Düubler. Het dynamische levensgevoel van de expressionisten schijnt in Berlijn op hem te zijn overgegaan: „Ik vond alles verrukkelijk, als een jonge hond, en leefde in een voortdurende extase, als iemand die net aan de dood is ontsnapt, en daarna niet weet waarover hij zich het eerst moet verheugen, alles was even dringend en ging mij persoonlijk aan.”

Te zeggen dat Sándor Márai in Berlijn een schuchtere indruk maakte is bezijden de waarheid. Eerder mag je hem ietwat opschepperig noemen. „Waar ik ook kwam, werd ik met wijd geopende armen ontvangen”, luidt het ergens. Ook in Weimar kende blijkbaar iedereen de jonge provinciale Hongaar, zelfs de portier van Goethe’s tuinhuisje ’begroette me als een oude bekende’.

Het tweede deel van ’Bekentenissen van een burger’ is een stuk minder dan de opening. Sommige fragmenten zijn tamelijk rommelig geschreven en hadden ook gemist kunnen worden, bijvoorbeeld de passages over Márai’s ontdekking van de Franse provincie per zojuist aangeschafte auto. Ook de terzijdes over de Franse cultuur en literatoren als Marcel Proust, Charles Péguy, Paul Claudel, Verlaine of Mallarmé zijn van weinig belang.

Overigens schijnt Márai zich in Frankrijk veel minder thuis te hebben gevoeld dan in Duitsland; de taal vormde, zeker aanvankelijk, een struikelblok en veel vrienden heeft hij in Parijs niet gemaakt. Samen met zijn eveneens uit Kassa afkomstige echtgenote leefde hij er vrijwel geïsoleerd.

In het tweede deel stoorden mij ook diverse generalisaties en clichéachtige opmerkingen over de Duitse en Franse volksaard. De Duitsers kenmerken zich door hun ’ziekelijke liefde voor drillen, discipline en tucht’ alsook door hun ’respect voor de geest’ en ’schoolmeesterachtige pedanterie’. Bij de Fransen ontwaart hij daarentegen gebrekkige hygiënische opvattingen, oppervlakkigheid en afkeer van buitenlanders, die overal worden afgezet en gekoeioneerd.

Tamelijk opmerkelijk: de ’Bekentenissen van een burger’ spelen zich af in de politiek gezien uiterst woelige jaren twintig en dertig, maar van de opkomst van de diverse dictaturen lees je slechts twee keer in de marge. De eerste keer gaat het over een communistisch gezinde Duitse vriend van Márai, die blijkbaar door de nazi’s werd vermoord. De tweede keer – hij bevindt zich in Italië – signaleert hij de opkomst van Mussolini’s fascisme, maar de passage wordt feitelijk gedomineerd door een lofzang op de schoonheid van de stad Florence. Ook in Márai’s succesvolle romans ’Gloed’ en ’De erfenis van Eszter’, verschenen in de oorlogsjaren 1943 en 1939, is overigens de blik veelal naar binnen gericht. Van angst of dreiging, laat staan van Jodenvervolging of deportatie is daar nergens sprake. In ’De erfenis van Eszter’ zegt de vrouwelijke hoofdpersoon ergens dat ze ’in de wolken’ heeft geleefd en nauwelijks op de hoogte is van ’de aardse werkelijkheid’.

’Bekentenissen van een burger’ is na het schitterende ’Land, Land!*’, vijf jaar geleden verschenen, het tweede autobiografische boek van Márai in Nederlandse vertaling. ’Land, Land*’, over de jaren 1944-1948 in Boedapest, blijft mijn lievelingsboek van de Hongaar. Samen met de eerste helft van het nu door Henry Kammer secuur vertaalde ’Bekentenissen’ behoort het tot Márai’s beste werk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden