Altijd een vertekend beeld

Frank Ankersmit, hoogleraar geschiedfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen (Links): 'Volstrekte transparantie tegenover je autobiografie is onmogelijk.' René Gude, directeur Internationale School voor Wijsbegeerte te Leusden (Rechts): 'Pas als wij autobiografen zijn, kan ons leven beginnen.' (Trouw)

Ter gelegenheid van de Boekenweek, die vandaag begint, hebben 75 schrijvers een brief geschreven aan hun jeugdige ik. Is dat eigenlijk wel mogelijk, zonder te vervallen in nostalgie en projectie?

Scenarioschrijfster Maria Goos, in een brief aan haar jonge ik: „Dit leven, jouw leven, het leven van kijken, beschouwen en interpreteren, dit leven waarin de taal bijna nooit uitdrukt wat een lichaam uitdrukt, dit leven, lief stil meisje, dit is de couveuse van de schrijfster die je later gaat worden.”

Goos is één van de 75 schrijvers die zichzelf schrijven in een bundel die vandaag verschijnt, ’Titaantjes waren we’. Een mooi citaat, maar heeft zo’n geconstrueerde herinnering ook maar iets met het werkelijke verleden te maken?

Frank Ankersmit: „Zeker wel. Maar er kan ook een zekere vertekening in zitten. Nostalgie doet je met veel warmte terugkijken naar bepaalde elementen uit je eigen jeugd, terwijl je eigenlijk best weet dat het destijds helemaal niet zo leuk was. Dat heeft te maken met onze manier van waarnemen.

Iedere waarneming is gebonden aan een contrast. Als ik bijvoorbeeld naar mijn kamerlamp kijk, zie ik die tegen de achtergrond van de kamer. Maar ik kijk alleen naar de lamp, de achtergrond valt weg. Wanneer ik twintig, dertig jaar later terugdenk aan deze waarneming, kan het best zo zijn dat de achtergrond ineens op de voorgrond treedt. En dat die achtergrond, die ik nu niet eens zie, mij in de toekomst zeer bevalt.

Deze perspectiefwisseling vertekent de herinnering. Toch kun je niet zeggen dat de herinnering daarmee enkel projectie is. Want die achtergrond, die ik dus later pas ga waarderen, zuig ik niet uit mijn duim. Hij is er wel degelijk geweest.

Het zou best kunnen dat sommige van deze autobiografische briefschrijvers zich niet altijd even bewust zijn van deze effecten en dat ze ten onrechte denken dat wat zij nu uit het verleden naar voren halen, destijds ook zo prominent geweest moet zijn. Maar zelfs dan is niet per se gezegd dat hun reconstructies iets onwaars opleveren over hun persoonlijke geschiedenis. In geschiedschrijving op grote schaal gebeurt dit ook voortdurend.”

René Gude: „Het ’ik’ is überhaupt een laatkomertje in je leven. Je begint helemaal niet als een ik. Aanvankelijk overkomt alles je gewoon. Je leert praten door anderen na te brabbelen. Zelfs de taal die je uiteindelijk gebruikt om je zelfbeeld te construeren, wordt in hoge mate bepaald door de mensen om je heen.

Je wordt vanzelf wel enigszins uniek door je geboorteplaats en je karakter. Maar dat is niet door jou gepland en ontwikkeld. Pas veel later kun je echt over jezelf nadenken. Pas vanaf dan ontstaat er iets wat je zou kunnen duiden als jouw leven.

Wij zijn onderdeel van een overweldigende natuur, waarvan we de zin niet zien, ik niet tenminste. Maar dat is niet erg, want op een gegeven moment kom je op het idee om die zin zelf aan te brengen.

Zodra je beseft dat je meer wilt zijn dan het brandpunt van allerlei ontwikkelingen waar je toevallig in verstrikt bent geraakt, kun je je leven beschrijven als iets waar een eigen doelmatigheid in zit. Pas door afkeer van je verleden of nieuwsgierigheid naar je toekomst word je autobiografisch. Pas dan kun je je leven in eigen hand nemen en je verantwoordelijk voelen – misschien niet volledig voor je verleden, maar wel voor je toekomst.

De filosoof die dit tot thema maakte, was René Descartes. In de eerste regels van zijn ’Meditaties’ constateert hij dat we vanaf onze vroegste jeugd zoveel aangeleerde opinies en eigen ideetjes voor waar hebben gehouden, dat we in ons latere leven opgescheept zitten met een amalgaam van verworven kennis en inzichten, zonder te weten wat we werkelijk voor waar houden en wat niet.

Descartes zegt dan: als je wilt uitmaken wat werkelijk bij jou hoort, als je een niet-toevallig bouwwerk wilt maken van alle indrukken die je in je leven hebt opgedaan, moet je eens in je leven alles wegtwijfelen. Misschien keer je wel terug bij de traditie waaruit je vertrok, maar dat doe je dan wel bewust. Zo ga je dankzij autobiografische inspanningen over van een leven dat je min of meer bij toeval leefde, op een welbewust leven.”

Ankersmit: „Het is niet onmogelijk om je autobiografie te schrijven, maar het is wel ongelofelijk moeilijk om het op een betrouwbare wijze te doen. Jean-Jacques Rousseau heeft een bijzonder eerlijke poging gewaagd. Hij bekent zelfs dat hij potloodventer is geweest. Maar toch komt er uiteindelijk een verdacht mooi beeld van hem naar voren.

Benjamin Constant leidde daaruit af dat zelfs wie zo eerlijk mogelijk probeert te zijn ten aanzien van zijn eigen geschiedenis, op zijn minst te maken krijgt met ernstige vertekeningen. Een volkomen authentieke en oprechte houding tot jezelf, dat speel je niet klaar. Alleen al omdat die houding niet de houding is waarmee je doorgaans naar jezelf kijkt, komt er een andere persoon naar voren dan je zelf bent.

Je kunt jezelf als het ware niet van jezelf afstropen. Er blijft altijd iets over van jezelf, al is het maar de behoefte om van jezelf afgestroopt te zijn. Een volstrekt objectieve autobiografie is dus geen haalbare kaart.”

Gude: „Autobiografie gaat wat mij betreft niet over geschiedschrijving, maar over zelfwording. Als kind heb je eerst alleen een fysiek contact met de wereld. Gaandeweg komt er een gedachtenleven bij. Dan kun je gaan ’beschouwen en interpreteren’, zoals Maria Goos schrijft, maar nog steeds met geleende concepten. En dat is ’de couveuse’ van het eigenlijke leven.

Als je enkel die fysieke oriëntatie op de wereld houdt, word je niet iemand die zichzelf evalueert, bekijkt en overdenkt, en die zijn eigen biografie ter hand neemt. Pas als wij autobiografen zijn, kan ons leven beginnen.”

Ankersmit: „Ik betwijfel in hoeverre toegenomen zelfkennis je helpt bij het veranderen van je leven. Je kunt weten dat je ziek bent, maar daarmee ben je de ziekte nog niet kwijt. Dat geldt denk ik ook voor psychologische eigenaardigheden.”

Frank Ankersmit, hoogleraar geschiedfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen (Links): 'Volstrekte transparantie tegenover je autobiografie is onmogelijk.' René Gude, directeur Internationale School voor Wijsbegeerte te Leusden (Rechts): 'Pas als wij autobiografen zijn, kan ons leven beginnen.' (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden