Altijd een stap vooruit

Choreograaf en danser Merce Cunningham in 1973. (Steven Mark Needam/AP) Beeld
Choreograaf en danser Merce Cunningham in 1973. (Steven Mark Needam/AP)

Merce Cunningham ontdeed de dans van zijn laatste keurslijf. Hij vond het nergens voor nodig om met zijn dans verhalen te vertellen of personages neer te zetten.

Nog maar een maand geleden kondigde Merce Cunningham aan hoe hij na zijn dood zijn choreografieën wilde veiligstellen. „Het is een hele zorg om een kunstvorm te behouden die in wezen heel vluchtig is – als water.” Hij beschikte dat zijn Merce Cunningham Dance Company, opgericht in 1953, na zijn dood een wereldwijde tournee zal maken om daarna te worden opgeheven. Van de opbrengst wordt een fonds opgericht om zijn danserfgoed te bewaren.

Nadenken over nalatenschap: logisch voor iemand die in april negentig werd, maar ook onverwacht, en voor de danswereld heel onwezenlijk. Want ondanks Cunninghams hoge leeftijd en zijn door artritis aangetaste lichaam had de grote revolutionaire dansvernieuwer nooit blijk gegeven te willen stoppen.

Tot ver in de tachtig stond hij nog op de bühne en ter ere van zijn negentigste verjaardag was zojuist zijn nieuwste choreografie ’Nearly Ninety’ in première gegaan. Hij had nog het applaus in ontvangst genomen – aimabel, zoals iedereen hem kende, met een grote glimlach onder weerbarstige grijze krullen. Nog elke dag was hij in zijn studio’s in Manhattan te vinden om vanuit zijn rolstoel oude choreografieën op te frissen en nieuwe te creëren, want hij was naar eigen zeggen „verslaafd aan choreograferen”. Hij leek onsterfelijk.

Merce Cunningham overleed afgelopen zondag. Als performer, volgens velen de beste danser die de Verenigde Staten ooit gekend hebben, werd hij ’Amerika’s Nijinski’ genoemd, als choreograaf kreeg hij de titel ’Einstein van de dans’. Met meer dan tweehonderd werken, waarvan er nog steeds veertig op het repertoire van zijn gezelschap staan, laat hij een indrukwekkend oeuvre na. ’RainForest’ (1968), ’Pictures’ (1984) en zijn late grote meesterwerk ’Biped’ (1999) zijn mijlpalen in de danshistorie.

Merce Cunningham werd op 16 april 1919 in Centralia, Washington, geboren in een juristenfamilie als tweede van drie zonen. Hij beëindigde zijn studie rechten om in Seattle een dansopleiding te volgen, waarop hij werd ontdekt door Martha Graham bij wier gezelschap hij zes jaar als solist zou dansen. Groeiende aversie voor Grahams psychologische dansthema’s dreven hem eind jaren veertig in de armen van de abstractie, richting pure dans.

Cunningham vond het nergens voor nodig om met zijn dans verhalen te vertellen of personages neer te zetten, er waren in de beweging zelf al zo veel ritmes, patronen en vormen te ontdekken en te onderzoeken. Daarmee ontdeed Cunningham de dans van zijn laatste keurslijf: die van de lyriek („Motion is no emotion”). Bij Cunningham was dans niets meer, maar ook niets minder, dan beweging in tijd en ruimte. Altijd op zoek naar nieuwe mogelijkheden die het menselijk lichaam hem bood, destilleerde hij een danstaal uit academische en moderne danstechnieken, met een belangrijke plaats voor alledaagse bewegingen als lopen, zitten, rennen, geïnspireerd op het leven in een metropool en op het dierenrijk.

Steeds weer in verrukking hoe verschillende passen en gebaren nieuwe mogelijkheden opleveren, kende zijn onderzoeksdrift geen grenzen. Altijd een stap vooruit, onbekende wegen in. Als eerste choreograaf waagde hij zich serieus aan het nieuwe medium dansfilm, vanaf de jaren negentig gebruikte hij computersoftware om zijn choreografieën vorm te geven. Tijdens het laatste optreden van zijn gezelschap in Nederland mocht het publiek zelf muziek kiezen via een iPod.

Met componist John Cage, zijn levenspartner met wie hij vanaf de jaren veertig tot aan Cage’s dood in 1992 zou samenwerken, kwam hij tot een van zijn meest controversiële principes: de ontkoppeling van dans en muziek. Dansicoon Mikhail Baryshnikov zei daarover: „Cunningham heeft de dans opnieuw uitgevonden.” Ook de scenografie, in handen van beeldend kunstenaars als Robert Rauschenberg en Jasper Johns, kwam vaak onafhankelijk tot stand in de idee dat muziek, dans en vormgeving slechts één ding deelden: hun bestaan in tijd. Pas bij de première werden de autonoom ontstane onderdelen samengevoegd.

Vanaf de jaren 50 hanteerde Cunningham onder invloed van Cage zogenaamde ’toevalsprincipes’ door gebruik te maken van de I Ching uit het eeuwenoude ’Book of Changes’. Zijn choreografieën werden bepaald door de worp van dobbelstenen of het leggen van Chinese hexagrammen en zo ontdaan van elke vorm van subjectiviteit, „te beperkend” in Cunninghams ogen. Revolutionaire uitkomst was dat Cunningham het toneelideaal uit de Renaissance ’decentraliseerde’: de danser opereerde niet langer vanuit een centraal punt. De positie van de ene danser was niet ’belangrijker’ dan de andere. Zijn balletten, niet altijd even toegankelijk, waren wel fris en verrassend.

Cunninghams laatste ballet ’Nearly Ninety’ is achteraf gezien een proeve van waar hij voor stond. Kinetische beeldhouwwerken die vanuit elke hoek kunnen worden bezien. De golvende torso’s, hoog opgegooide benen in gewaagde sprongen, vallen en opgevangen worden, roepen associaties op van macht en overgave. Voor Cunningham ligt het drama louter in de contrasten.

Zijn eerste publiek haatte wat hij deed. Voordat hij in 1964 doorbrak werden zijn dansers in Parijs bekogeld (Cunningham: „Ze konden niet zo goed richten, gelukkig”) en zijn werk werd tot in de jaren zestig steevast de grond in geschreven. Dat datzelfde werk nu overal ter wereld voor bomvolle theaters zorgt zegt alles over hoe zijn esthetische opvatting en artistieke visie is verankerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden