Altijd een handige pastoor

Voor pastoor Frans van Zeeland was de kerk goed zoals die was. Natuurlijk gehoorzaamde hij Rome, maar het moest niet te gek worden.

Frans, het zoontje van dokter Van Zeeland, was een handige jongen. Op zijn vijftiende chauffeerde hij zijn vader langs de patiënten in Leidschendam. Dat mocht toen nog, in 1943. Frans wist later ook precies welke auto zijn vader moest kopen: een Vauxhall. En hij legde een kabeltje van de radio in de huiskamer naar de spreekkamer, zodat zijn vader tussen de consulten door even naar het nieuws kon luisteren.

Al trok Frans veel met zijn vader op, meer dan zijn twee broers deden of zijn zus, hij wilde toch geen huisarts worden. Net als broer Hans koos hij voor de kerk. Eerst naar het kleinseminarie Hageveld, maar toen kwam de oorlog. Met vertraging hervatte Frans na de oorlog de opleiding op het seminarie.

Eigenlijk, zeggen zijn vrienden achteraf, was hij geknipt geweest voor het werk in de missie. Frans van Zeeland kon auto’s repareren, hij hield ervan klokken en horloges uit elkaar te halen, in elkaar te zetten, te repareren.

Maar een zoon van de huisarts, die ging niet de missie in. Dat gold als beneden de stand. Broer Hans was bij de Jezuïeten gegaan, maar dat was voor Frans echt te hoog gegrepen. Het werd het Philosophicum in Warmond, het seminarie waar de latere kardinaal Jo Willebrands directeur was. Hij zat er met Ad Simonis in de klas.

Het was ploeteren. Hij moest een jaar overdoen. Het makkelijkst was nog het halen van zijn groot rijbewijs. Handig, om later met de parochie met de bus op stap te kunnen gaan.

Sommige klasgenoten voelden een afstand. Frans van Zeeland was al een jaar ouder, doordat hij na de oorlog met vertraging aan het seminarie begonnen was. Los daarvan maakte hij indruk doordat hij veel ouder en wijzer leek. Als hij iets zei, maakte dat indruk.

Af en toe deed hij iets geks. Dan zette hij bijvoorbeeld de po bovenop het hoofd van de jongen die naast hem sliep.

Hij redde diezelfde jongen later het leven. Ze waren naar het strand gegaan. Frans bleef zitten, de vriend ging ondanks de oostenwind de zee in. Paniek sloeg toe toen hij merkte dat hij niet meer terug kon komen. Plots dook naast hem Frans op. „Joh, je moet het zo doen, schuin naar het strand. Zwem maar achter me aan.”

Frans van Zeeland werd in 1957 priester gewijd. Bisschop Jansen zag wel wat in hem. Hij zette hem als kapelaan naast een pastoor die stevig aan de drank was. Zo stevig dat de pastoor ’s ochtends voor de mis al waggelend door het huis liep. Frans van Zeeland, die als jonge kapelaan nog geen enkel recht of gezag had, pakte dan gedecideerd de fles uit handen van de pastoor. „Joh, je krijgt niets meer”, zei hij dan. „Ik doe de mis.”

Het is niet meer te zeggen hoeveel verslaafden hij geholpen heeft in de ruim vijftig jaar dat hij in een parochie werkte. Ze wisten hem wel te vinden. Pastoor Frans van Zeeland ontving ze in zijn pastorie en voerde stevige gesprekken. Dan ging mevrouw Janssens, die zijn huishouding deed, even ergens anders zwabberen en poetsen.

Wie hem ook wisten te vinden, dat waren katholieke echtparen die elkaar zo het leven zuur maakten dat echtscheiding de enige uitweg leek. Pastoor Frans luisterde, dacht even na, en regelde dan iets, als hij dat nodig vond. Het codewoord daarvoor was ’Giobbe’, de naam van de pauselijke nuntius. Die kon via Rome het benodigde kerkelijke fiat krijgen voor ontbinding van het huwelijk.

In de tijd dat Frans van Zeeland zijn priesterwijding ontving, borrelde het al in katholiek Nederland. Er kwamen andere tijden, en zelfs in Rome zou er van alles vernieuwd worden.

Zelfs het d-woord viel: democratie. Nou, dat hoefde van Frans van Zeeland helemaal niet. Inspraak van het volk tijdens de voorbereiding van vieringen, hij moest daar niets van hebben. En ook van het c-woord – de opheffing van het celibaat – was hij geen fan. De kerk was goed zoals die was, niets aan veranderen. Natuurlijk volgde hij wel de nieuwe richtlijnen uit Rome, die na het tweede Vaticaans concilie kwamen. Frans van Zeeland wilde heus wel met zijn gezicht naar de gelovigen gaan staan, maar het moest niet gekker worden.

Dus toen paus Pius XII met een nieuwe Latijnse vertaling van het brevier kwam, weigerde Frans van Zeeland voortaan in de nieuwe vertaling te bidden. Hij hield vast aan de oude, vertrouwde tekst.

Hij hield ook vast aan de traditionele invulling van het pastoorsleven. Menig jaargenoot van het seminarie trad uit, ging trouwen, of koos een zelfbedachte mengvorm van priesterschap en huwelijksleven. Frans van Zeeland bleef gewoon pastoor. Hij had wel moeite met dat uittreden, maar bleef bevriend met de voormalige seminaristen die nu huisvaders waren.

Net toen hij pastoor werd, in Oud-Beijerland, schafte het bisdom de vergoeding voor de huishoudster af. Nu kon Frans van Zeeland zelf goed koken, maar schoonmaken was wat anders. De vrouw met wie hij in Rotterdam de handenarbeidclub had opgericht om de kinderen van de straat te houden, bood hem hulp aan. Mevrouw Janssens kwam na haar nachtdienst als psychiatrisch verpleegkundige bij hem schoonmaken. Koken bleef hij zelf doen, ook als vrienden kwamen eten, zoals bisschop Bür van Rotterdam.

Wat hij ook weleens zelf deed, was het dak van de kerk repareren. Ergens bleef er een missiepater in hem huizen, al was het gewoon in Oud-Beijerland. Hij betaalde die reparaties ook zelf, met het geld dat hij van zijn gegoede ouders had geërfd. Ondanks de gelofte van armoede had menig pastor toch ergens wat stapeltjes liggen. Frans van Zeeland gebruikte die voor de kerk.

Na zijn emeritaat in 1993 was hij een keer in Dokkum. Daar zag hij hoe de pastoor onwel werd. Vervangers waren er niet, in het noorden was het vechten om een priester. Hij besloot direct naar Friesland te verhuizen. Daar was genoeg voor hem te doen. Hij kreeg van de bisschop toestemming in zijn huis in Veenwouden een huiskapel in te richten. Als hij niet de eucharistieviering in de kerk deed, hield hij thuis een mis. Dat deed hij zijn hele priestertijd elke dag. Daarbij was altijd mevrouw Janssens aanwezig. Ze was hem na haar vut naar Veenwouden gevolgd. Na vijfentwintig jaar bij hem pro deo het huishouden gedaan te hebben, was er een zekere gewoonte ontstaan. Hij vond het prettig dat ze ook naar Veenwouden kwam. Maar niet in hetzelfde huis. Zij woonde vier minuten lopen bij hem vandaan. Als het heel slecht weer was, kwam hij haar met de auto halen voor de mis bij hem in de kapelkamer.

Toen haar ogen slechter werden, belde hij haar op wanneer hij boodschappen ging doen. „Ga je mee?” Ze aten alleen met Kerst en Pasen samen: op Eerste Kerstdag bij hem, op Tweede Kerstdag bij haar.

De kerstmaaltijden bij pastoor Van Zeeland, waarbij meer gasten aanschoven, waren geliefd. Hij dekte de tafel met het Engelse servies van zijn ouders: geel met rode bloemetjes. Het menu schreef hij met potlood op het porseleinen bord dat daarvoor bestemd was, een erfstuk van zijn grootmoeder. Altijd kaarsen aan. Hij was een echte gastheer.

Een paar dagen tevoren was hij altijd wat lekkere kerstinkopen wezen brengen bij mensen van wie hij wist dat ze zich geen rollade konden permitteren.

Ook na zijn tachtigste bleef hij de mis doen. De afspraken liepen door tot de tweede helft van augustus.

De enige keer dat mevrouw Janssens bij hem is blijven slapen, op de logeerkamer, was toen het gezwel in zijn hals zo groot werd dat hij het benauwd kreeg. Hij vond het goed dat ze bij hem waakte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden