Altijd die onzekerheid

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Hij was een groot kenner van de Russische taal. Toch is hij nooit in Rusland geweest. Eerst mocht hij niet, later wilde hij niet.

Studenten beefden en sidderden voor hem, de strenge professor Russische taal. Maar ze wisten niet dat ook hij bang was: altijd dacht hij dat hij niet goed genoeg was.

De onzekerheid bleef altijd knagen tijdens het lange leven van Anton van den Baar. Steeds was hij bang dat hij door de mand zou vallen, dat hij niet genoeg wist, dat hij niet genoeg kon. Dat dreef hem tot perfectie. Ook al was hij gelauwerd en gevierd als hoogleraar en samensteller van het eerste goede woordenboek Russisch-Nederlands, hij bleef zichzelf zien als een achterstandskind, een jongen met arme ouders in een onooglijk Limburgs dorp.

Dat dorp was Herten, bij Roermond, een verzameling eenvoudige huizen en een paar keuterboertjes. Zijn ouders hadden zelfs de lagere school niet afgemaakt. Maar zijn moeder moedigde vader aan om verder te komen. Hij haalde het politiediploma zo omstreeks de tijd dat Ton als derde kind werd geboren (er zou er nog één volgen). Vader kreeg een baan in Den Haag, bij de bewaking van de koninklijke familie en derzelver bezittingen, zoals dat heette.

Ton herinnerde zich vooral de armoede thuis. Met schoenen en opgelapte kleren die al door zijn oudere broers waren afgedragen. Hij waste zich als laatste in twee keer gebruikt badwater.

Liefde leek ook karig in het gezin: de enige keer dat zijn moeder hem kuste was na zijn communie.

Hij moet het in de Indische buurt van Den Haag wel naar zijn zin hebben gehad. Want toen hij op zijn tiende met zijn ouders naar Sittard verhuisde, was dat een klap. We werden ’teruggeworpen in de middeleeuwen’, noteerde hij een jaar of vijf geleden. Sittard omschreef hij als een dorp met alleen maar kleine boeren. „Ze zaten opgesloten in hun carré-vormige gebouwen rond de mesthoop voor hun keukenraam, vergeven van de kwaadaardige vliegen.”

Op de lagere school deed Ton zijn uiterste best, aangemoedigd door zijn ouders. Ook al hadden ze het arm, ze hadden wel de katholieke encyclopedie in huis. Ton mocht naar de hbs, waar hij de exacte kant deed. Hij was als de dood dat hij niet goed genoeg was. Op de spoordijk banjerde hij heen en weer terwijl hij woordjes in zijn hoofd aan het stampen was.

Toen hij zijn diploma haalde waren de Duitse bezetters nog in het land. Alle jongens moesten naar Duitsland om te werken. Maar Ton meldde zich bij de Staatsmijnen in Geleen, waar je vrijstelling kreeg voor de Duitse dienstplicht. Maar het werk in de kolenmijn Maurits was te zwaar voor hem en hij liet zich toch naar Duitsland sturen. In de buurt van Duisburg werd hij tewerkgesteld in een krijgsgevangenenkamp.

Daar ontmoette hij Russen, die hem zijn eerste woordjes Russisch leerden. Dat zou zijn leven gaan bepalen. Hij is er een paar keer tussenuit geknepen om naar huis te gaan. Maar hij keerde wel terug naar het kamp, een keer met een Russisch woordenboekje dat hij van zijn moeder had gekregen. Dat woordenboek heeft hij altijd bij zich gedragen.

In december 1944 werd Sittard bevrijd. Maar de Duitsers deden nog een poging het verloren zuiden van Nederland terug te krijgen. Tons vader werd getroffen door een vliegtuigbom.

Dat was voor Ton reden om zich te melden bij de Nederlandse strijdkrachten, die in Engeland waren opgezet. Hij wilde zijn vader wreken. In maart 1945 werd hij naar Engeland verscheept voor de officiersopleiding. Na anderhalf jaar werd hij in Harderwijk gelegerd. De ene oorlog was voorbij, en er was al weer een nieuwe: Indonesië. Als beroepsmilitair werd hij met vele dienstplichtigen ingezet tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd.

Daarover heeft hij later nooit gesproken. Hij was er niet trots op wat daar is gebeurd, dat was wel duidelijk.

Terug in de kazerne in Harderwijk wachtte hem een nieuwe taak. De Sovjet-Unie was nu de vijand. De militaire inlichtingendienst zette een opleiding op voor de training van afluisteraars, vertalers en ondervragers van krijgsgevangenen. Ton, die zichzelf Russisch had geleerd, werd er docent. Uiteindelijk zou hij hoofd worden van de instelling die in de volksmond het spionnenschooltje werd genoemd.

Ondertussen was hij getrouwd met Truus. Ze was afkomstig uit dat vermaledijde Sittard, maar ze kwam uit een warm nest dat hij zelf thuis zo had gemist. Ze zouden drie kinderen krijgen.

Na zestien jaar militair te zijn geweest, zwaaide hij af in 1961. Hij was dolblij. Hij gooide zijn pet van vreugde de lucht in. Zijn uniform gaf hij mee aan de voddenboer. Nu had hij de kans om echt goed te worden in de Russische taal. Hij ging studeren, maar eerst moest hij toelatingsexamen doen want hij had op de hbs geen klassieke talen gehad.

Hij studeerde en werkte hard. Twaalf jaar na dat examen hield hij zijn inaugurele rede als hoogleraar Slavische talen in Utrecht.

Hij was een strenge docent en menig student was bang van hem. Hij gaf alleen een voldoende als een vertaling goed of uitstekend was. Iets matigs kwam er bij hem niet door. Zelfs bij de uitreiking van diploma’s sprak hij de dolgelukkige studenten nog vermanend toe.

Maar hij was het hardste voor zichzelf. Hij is eens naar een psycholoog gegaan om over zijn onzekerheid te praten. Hij legde uit dat hij vijftien jaar achterstand had opgelopen doordat hij pas zo laat kon gaan studeren. De psycholoog antwoordde: Dan bent u een genie dat u met zo’n achterstand zoveel heeft bereikt.

Thuis zat hij altijd op zolder te werken aan zijn woordenboek. Hij verzamelde er 100.000 handgeschreven fiches voor in zijn kaartenbakken, want er was nog geen computer voor dat werk. In 1965 verscheen de eerste editie Russisch-Nederlands. Later maakte hij nog een deel Nederlands-Russisch. Hij bleef er altijd aan schaven voor een volgende druk.

Dat was liefdewerk. Hij heeft eens uitgerekend dat hij met dat eerste woordenboek waarvan er in twintig jaar tijd 39.000 exemplaren waren verkocht, een miezerige 12.000 gulden had verdiend. Toen hij zijn Russisch-Nederlandse woordenboek had uitgebreid tot 500 pagina’s (’de dikke Van den Baar’), wilde de uitgever er in 1979 pas aan beginnen als hij zelf 70.000 gulden inbracht. De helft kreeg hij als onderzoekssubsidie van het Rijk, voor de andere helft zag hij voor negen jaar af van auteursrechten.

Opvallend in zijn woordenboeken was dat hij alledaagse spreektaal en zelfs schuttingwoorden opnam, in een tijd dat dat niet gebruikelijk was. Zijn kennis daarvan was opmerkelijk, want hij was nooit in Rusland geweest. Door zijn positie bij het militaire spionnenschooltje mocht hij niet naar de Sovjet-Unie. Na de val van het communisme had hij geen behoefte om er heen te gaan. Wellicht was hij bevreesd voor de chaos die hij zou aantreffen. Misschien was hij bang dat zijn beeld van de Russen toch anders was dan de werkelijkheid.

De strenge hoogleraar had ook een andere kant. Hij was een gezellige zuiderling, die graag carnaval vierde en cabareteske optredens deed. En hij schreef nog een boek dat alleen in kleine kring bekend is: ’Het geheim van Konijn Snuf’. Dat was voor zijn kleinkinderen die hij vermaakte met zijn verhalen.

Hij was lid van een Lions Club, een ontmoetingsplaats van welgestelde mensen die aan liefdadigheid doen. Zo ging hij langs de deuren om erwtensoep te verkopen voor een goed doel. Maar als de Lions aan het clubdiner gingen na hun vergadering, dan ging Ton thuis eten. Dat diner vond hij veel te duur. Ook al had hij een goed salaris, de armoede uit zijn jeugd heeft hem nooit losgelaten.

Hij kocht zelden boeken, hij haalde ze liever gratis uit de bibliotheek. Ze kenden hem goed bij de bieb van Harderwijk, waar hij was blijven wonen, want hij wilde altijd bijzondere boeken hebben die ze van elders moesten laten komen.

De laatste jaren van zijn leven deed hij niet veel meer met het Russisch. Hij zou nog wel een toespraak houden voor 32 rijksambtenaren die op werkbezoek zouden gaan naar Rusland. Dat praatje had hij grondig voorbereid. Hij was er wat onzeker over. Dat oude gevoel dat hij tekort schoot, was terug.

Een dag voordat hij zou spreken haalde hij de krant uit de brievenbus, ging zitten, spreidde de krant op schoot uit en viel in slaap. Hij werd 86 jaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden