Altijd dichtbij de slachtoffers

Decennialang was Mient Jan Faber het boegbeeld van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), tot zijn steun aan de Irak-oorlog leidde tot een breuk. „Ik krijg niet over mijn lippen, dat het beter was geweest als Saddam Hoessein was gebleven”, zegt Faber nog steeds. Desondanks mocht hij vrijdag het 40-jarige jubileumfeest van het IKV afsluiten.

Ik heb een fantastische tijd bij het IKV gehad, zegt Mient Jan Faber (66). „Ik had nooit kunnen dromen dat ik de geschiedenis van zo dichtbij zou kunnen meemaken: het einde van de Koude Oorlog, maar ook al die hete oorlogen. Dat je bij al die beslissende momenten in mensenlevens aanwezig bent geweest; dat had ik voor geen goud willen missen.”

In zijn werkkamer aan de De Boelelaan in Amsterdam, waar hij tegenwoordig als bijzonder hoogleraar aan de Faculteit Sociale Wetenschappen werkzaam is, praat hij indringend over zijn moeilijkste periode bij het IKV: de tijd van de oorlogen.

„De Koude Oorlog en de kruisrakettendemonstraties waren ook lastig, maar die periode konden we zegevierend afsluiten. We hadden als IKV aan de goede kant gestaan. Veel moeilijker waren de oorlogen op de Balkan en in het Midden-Oosten. Daar zijn we niet goed uitgekomen. Door oorlogen lijd je altijd verlies, op het slagveld en in eigen kring. Ik verloor ook mijn vrienden.”

Dat Faber de leiding zou krijgen over een vredesbeweging lag vooraf niet voor de hand. Als middelbare scholier aarzelde hij tussen een opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie of de Vrije Universiteit. Zijn vader vond het laatste meer geschikt - hij was immers gereformeerd - en zo werd Faber wiskundige.

Maar het gezin Faber was begin jaren zeventig wel actief in het vluchtelingenwerk in Amstelveen. Het ving vluchtelingen op uit Ethiopië en Rhodesië. Faber: „Ze hadden de meest afgrijselijke dingen meegemaakt en kwamen dan een poosje bij ons in huis. Ik interesseerde me al voor de Noord-Zuidpolitiek en las daar boeken over, maar van hen hoorde ik de concrete verhalen, over martelingen en gevangenissen.”

Die persoonlijke betrokkenheid bij mensen in gevaar is een constante in zijn leven geworden. Hij solliciteerde niet bij het IKV, maar het IKV ontdekte hem als plaatselijk activist en benoemde hem als ambtelijk secretaris.

Faber: „Ik kende noch de kerken, noch de politiek. En dat bleek later een enorm voordeel, want ik had nooit door op welke tenen ik trapte. Daardoor heb ik dingen in gang gezet die eigenlijk niet konden. Ik ben een geboren solist. Uiteindelijk is het daarop stukgelopen.”

Maar eerst werd Faber het boegbeeld van het IKV. Met de leus ’Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’ organiseerde het IKV het massale ongenoegen van de bevolking over de wapenwedloop. De twee grote demonstraties die volgden, vormen het bekendste wapenfeit van het IKV.

Er was ook veel kritiek op de stellingname van het IKV. Het Interkerkelijk Comité Tweezijdige Ontwapening (ICTO) werd als tegenhanger opgericht. Faber: „Mensen onthielden alleen het tweede deel van onze leus, maar wij waren helemaal niet voor eenzijdige ontwapening. Er was maar een klein groepje pacifisten binnen het IKV. Wij appelleerden aan het schaamtegevoel over de wapenwedloop. Als je ertegen bent, moet je bij jezelf beginnen. Dat geldt niet alleen voor de Nederlanders maar ook voor de Polen en alle anderen. Wij wilden niet Nederland als enige kernwapenvrij. Het ICTO heeft dat nooit willen begrijpen.”

Het IKV zocht zijn bondgenoten tegen de Koude Oorlog ook aan de andere kant van het ijzeren gordijn. Dissidenten, kerken en vredesgroepen werden bekenden van Faber. Net als de vluchtelingen die vroeger bij hem thuis kwamen, vertelden zij hem hoe zwaar het leven onder de dictatuur was. Toen de oorlog op de Balkan uitbrak, kende hij de situatie daar goed.

Ten tijde van de oorlogen begonnen de principes van enerzijds het IKV en zijn kerkelijke achterban en anderzijds Faber te ver uiteen te lopen. Faber is nooit pacifist geweest, maar nu voelde hij steeds meer voor militair ingrijpen om de bevolking te steunen. Het IKV en de kerken hielden vast aan pacifisme. Tegenstanders zeiden dat hij van vredesduif een oorlogshitser was geworden. Toen de oorlog in Irak begon - een oorlog waar Faber vóór was - werd hij buiten de deur gezet.

Ook nu de oorlog in Irak geen kort ingrijpen is gebleken, maar een gewelddadige burgeroorlog in gang heeft gezet, blijft Faber daarbij.

„Ik groeide daar langzaam naartoe. Al begin 1991, toen het Westen optrad tegen de inval van Irak in Koeweit, ontstond in het IKV een discussie over de vraag wat geoorloofd is in de oorlog. Niet meer de vraag of het gerechtvaardigd was om ten oorlog te gaan, maar welke middelen daarbij gerechtvaardigd waren. Welke proporties zijn rechtvaardig, moet je burgers beschermen enzovoorts. Ik herinner me dat ik in een dubbelinterview met Paul Scheffer in HP/De Tijd voor het eerst zei: „Als je in die oorlog zit, zit je erin. Dan moet je tot het einde meedoen.”

„Tijdens de Balkanoorlogen verdiepte dat denken zich. Ze hadden een extra dimensie voor het IKV, omdat wij veel Bosniërs en Kroaten kenden via ons internationale netwerk, de Helsinki Citizens’ Assembly. Ik had vrienden in die oorlogen, in die legers zelfs. Vrienden die vroegen: ’Sta je naast ons of niet?’ Ik voelde constant die onuitgesproken vraag: ’Ben je solidair met ons?’ Toen ik in de zomer van 1992 zag dat het misging in Bosnië, toen Sarajevo omsingeld was en de mensen daar als ratten in de val zaten, zei ik: ’Er moet ingegrepen worden.’ Het IKV hield campagnes voor safe havens, veilige zones. Die moesten worden bewaakt door militairen.

„Datzelfde gebeurde daarna in Irak. Onze vrienden - ik sprak met Koerden, sjiieten, soennieten - zeiden: ’Doe iets tegen Saddam. Want we kunnen geen kant op onder dit regime en onze kinderen straks ook niet.’ Ik heb altijd hun geluid laten horen. Natuurlijk vroeg ik me ook af hoe het verder moest als Saddam was afgezet. Ik wist heel goed hoe verdeeld het land was en wat een afkeer de Irakezen van de Amerikanen hadden. Maar ze wilden bevrijd worden van Saddam, desnoods door de duivel, zoals ze de Verenigde Staten noemden. Bevrijding ja, maar bezetting nee. Na de bevrijding moesten de Amerikanen weg.

„Ik heb toen via Dick Benschop, toenmalig staatssecretaris op Buitenlandse Zaken, gepleit voor Europese bemoeienis bij het vormen van een Iraakse regering, door een rondetafelgesprek te organiseren met alle partijen, net als voor Afghanistan is gebeurd. Hij besprak het met minister Van Aartsen. Maar het antwoord was dat Nederland niet voelde voor dergelijke big politics. Duitsland en Frankrijk ook niet trouwens. Ik vond dat verschrikkelijk jammer.”

Saddam is weg, maar het heeft de positie van de Irakezen niet verbeterd, wat de Amerikanen ook hebben geprobeerd. Maar ondanks deze kennis achteraf zou Faber toch weer voor militair ingrijpen pleiten. „Uit solidariteit met die mensen, die vroegen om bevrijding. Ik vind het vreselijk hoe het is gegaan, maar ik krijg niet over mijn lippen dat het beter zou zijn geweest als Saddam was gebleven. Je kunt mensen niet de vraag voorleggen: wil je onvrijheid, vervolging en marteling door Saddam of door de doodseskaders? Dat is immoreel.”

Juist die solidariteit werd hem verweten. Hij zou te dicht op de bevolking zitten en niet meer de afstand hebben om de consequenties van oorlog te overzien. Faber: „Je betaalt een prijs als je er dicht bovenop zit. Maar het heeft als voordeel dat je veel kennis van de werkelijke situatie hebt. Ik herinner me uit die tijd een discussie bij het IKV met bestuursleden en aangesloten kerken. Er was een gewezen kerkvorst, die zei: ’Als ik het goed zie, solidariseer je je sterk met die mensen.’ Ik, naïef, vatte dat positief op. Maar toen zei hij: ’Dat is precies jouw probleem.’

Het lastige was dat de kerken contacten hadden met de Iraakse kerken en die waren totaal afhankelijk van Saddam en gaven alleen positieve geluiden over hem af. Maar ik sprak met de mensen in die kerken, niet met de clerus.

Kijk, je kunt in de politiek heel lang abstract blijven praten over een probleem als onderdrukking. Maar wat het werkelijk betekent, merk je pas als je in contact komt met de slachtoffers en vluchtelingen, die je vertellen wat ze meemaken, dat ze geen kant op kunnen, dat hun kinderen geen toekomst hebben. En zelfs dan kom je niet echt dichtbij, want wij kunnen daarna weer terug naar ons veilige huis.”

Faber stond uiteindelijk alleen en via een reorganisatie verdween zijn functie van ambtelijk secretaris. Toen stapte hij over naar de VU, waar hij de IKV-leerstoel ’Citizen’s Involvement in War Situations’ - ook wel spottend Mient Jan Faber-kunde genoemd - bekleedt. Hij helpt studenten om internationale netwerken op te bouwen en reist ook zelf nog veel.

Voor vluchtelingen zorgt hij ook nog steeds. Faber: „Ik begeleid vluchtelingen die uit gebieden komen die ik ken. Uit de Kaukasus met name. Ik probeer hun zaak sterker te maken, onder andere door mijn politieke contacten aan te spreken. Soms lukt dat, soms moeten mensen toch terug en dan probeer ik daar opvang voor ze te regelen. Maar er zijn er ook veel die verder vluchten naar een ander land. Vreselijk lijkt me dat, altijd op de vlucht zijn met je kinderen. Natuurlijk geloof ik hun vluchtverhaal. Ik ken de situatie daar. Een staat als Georgië is niet in staat zijn burgers te beschermen.”

Zijn toonaangevende positie bij het IKV is hij niet helemaal kwijt. Vrijdag sprak hij de slotrede tijdens de jubileumviering van het IKV. Daarin was zijn heimwee naar het oude IKV te beluisteren. Faber pleitte voor de terugkeer van een denktank binnen het IKV. Focus niet alleen op internationale projecten, maar organiseer ook het overkoepelende denken over oorlog en vrede, zodat het politieke debat kan worden beïnvloed, was zijn advies. En ja, hij was in zijn functie als bijzonder hoogleraar bereid daaraan mee te werken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden