Altijd blind voor het allerergste

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Letter & Geest vraagt zijn auteurs deze zomer te schrijven over een foto die een veelzeggend moment illustreert in hun leven of denken. Dat kan een World Press-achtige foto zijn of een uit de privécollectie, een beeld van recente datum of juist uit een ver verleden. Vandaag, in de derde aflevering: historicus Frank Ankersmit over een setje foto’s uit 1931.

Vele jaren geleden kocht ik op een veiling een boek dat ik graag wilde hebben. Het zat in een kaveltje met een stuk of vijftien andere titels. Omdat daar niets bij was dat mij interesseerde gooide ik die meteen weg. Op één uitzondering na: een boek dat mij bij het doorbladeren meteen bijzonder trof en dat ik sindsdien vele malen opnieuw ter hand heb genomen.

Het heet ’1910-1930. Zwanzig Jahre Weltgeschichte in 700 Bildern’. De foto’s werden geselecteerd door twee Hongaren, Sándor Márai en László Dormándi. En de Duitse uitgave in mijn kaveltje werd gepubliceerd in Berlijn, in 1931. Twee jaar dus na de beurskrach van 1929 en twee jaar vóór de Machtübernahme door Hitler. Bepaald niet een tijd om met nostalgie op terug te zien.

Het boek was een immens succes, werd in vele talen vertaald en onlangs nog eens heruitgegeven. László Dormándi zou later wederom naam maken met een soortgelijk fotoalbum voor de periode 1930-1947 – min of meer het vervolg dus op dit boek. Sándor Márai was vooral correspondent en literator, auteur van een klein meesterwerk, enkele jaren geleden ook in het Nederlands vertaald als ’Gloed’. Volgens sommigen doet deze roman niet onder voor het beste van Franz Kafka en Thomas Mann. Volstrekt vergeten en aan lager wal geraakt, pleegde Márai op 89-jarige leeftijd zelfmoord in de Verenigde Staten. Hij moet wel erg levensmoe zijn geweest om op die leeftijd zo’n stap nog noodzakelijk te achten.

’Zwanzig Jahre Weltgeschichte’ behoort uiteraard tot het vroeger-en-nu-genre – een erg aardig genre dat meer aandacht verdient dan het gewoonlijk krijgt. Bij het doorbladeren van deze boeken besef je dat die vaak een dieper inzicht geven in de tijd waarin ze werden gemaakt dan een stapel geleerde geschiedschrijvingen. De foto’s in zo’n boek laten in de letterlijke zin van het woord zien hoe mensen in een bepaalde historische periode zichzelf ervoeren, wat hun vanzelfsprekendheden, angsten en verwachtingen waren, en hoe ze in de wereld stonden.

Het is wat de Duitse geschiedfilosoof Reinhart Koselleck ooit aanduidde als de Erwartungshorizont van een tijd. Daarbij is het goed te bedenken dat die ’verwachtingshorizon’ altijd bepaald wordt door wat eraan voorafging enerzijds, en door anderzijds de ideeën die leefden over de toekomst. „In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal”, dichtte Bilderdijk tweehonderd jaar geleden. Ook hij vond al dat je ieder heden moet zien als een soort van temporele sluis, die je van het verleden naar de toekomst tilt. Het heden is eigenlijk niets anders dan het verschil tussen verleden en toekomst, en het ontstaat pas in het besef van de spanning en het contrast tussen beide.

Zo is het precies met dat boek van die Hongaren. Het contrasteert de wereld van vóór de Eerste Wereldoorlog met de verwachtingen die mensen in het heden – dat wil zeggen rond 1930 – hadden van de toekomst. De Eerste Wereldoorlog is daarbij de vanzelfsprekende spil die het verleden – de wereld van vóór de oorlog – scheidt van heden en toekomst.

Omdat wij zelf nog steeds zo druk bezig zijn met de Tweede Wereldoorlog, vooral met de Holocaust, vergeten we soms wat een enorme cesuur de Eerste Wereldoorlog geweest moet zijn voor de mensen in het interbellum. De foto’s in het boek laten daarover geen misverstand bestaan. Die tonen hoe vóór de wereldoorlog de drie keizerrijken Duitsland, Rusland en Oostenrijk-Hongarije nog fier overeind leken te staan. Na de oorlog kwamen de Sovjet-Rusland, het Duitsland van de Weimarrepubliek, de beloftes van wetenschappelijke en technologische ontdekkingen, een nieuwe directheid en eenvoud in de omgang (waarvan iedere tijd sinds de dagen van de farao’s steevast meent die voor het eerst ontdekt te hebben), de film, de modernistische architectuur, kale kamers met tot ijzerdraad gereduceerd meubilair, het strandleven, ijsco’s, raketauto’s, de langste baard (2.40 m), Einstein, verkeersfiles, Annie Besant samen met Krishnamurti.

Bij wijze van tegenwicht heeft het fotoboek ook een serietje ’Middeleeuwen in de twintigste eeuw’. Daarin zien we een Spaans stierengevecht, religieuze processies, de Ku Klux Klan in actie en een onthoofding in Siam. De onthutsende reportage van dat laatste bestaat uit een foto waarop een man in kleermakerszit zorgelijk voor zich uitkijkt, met daaronder een waarbij twee fonteintjes bloed uit zijn hals verrassend ver omhoog spuiten, terwijl het hoofd hem al in de schoot gevallen is. Het hart was blijkbaar nog niet op de hoogte van wat het hoofd inmiddels was overkomen.

Het boek eindigt heel ironisch met een serie ’Wereldvrede’ waarin allerlei state of the art-wapentuig getoond wordt. Maar misschien zagen de beide Hongaren hierin geen tegenstelling. „Wie de vrede wil, moet zich voor de oorlog toerusten”, nietwaar?

’Noch tiefer Frieden’, zo opent het boek. Volgen de keizers, koningen, staatslieden en generaals van vóór 1914, die allen rondmarcheren in hoog dichtgeknoopte lange jassen, van onder tot boven behangen met ridderorden en in de soms wonderlijkste tenues. Zoals Nikita, de koning van Montenegro of de Bulgaarse tsaar Ferdinand. De hedendaagse lezer wordt vooral getroffen door de enorme pluimen waaronder het hoofd doorgaans verscholen gaat als onder het achterwerk van de allergrootste haan van het kippenhok (Franz Joseph van Oostenrijk-Hongarije). Het is alsof de vrede alleen kon voortbestaan bij de gratie van deze belachelijke verkleedpartijen. Alsof de oorlog wel moest uitbreken toen een moderner generatie genoeg had van die komedie.

In augustus 1914 breekt de hel los – door de beide Hongaren met cynische humor gepresenteerd. Zie hun commentaar bij de foto’s. ’Oorlog, zoals men die zich had voorgesteld’ (parades en een cavalerieaanval). ’Oorlog, zoals die in werkelijkheid was’ (loopgraven, kapotgeschoten lichamen). ’Gas!’ (in een dikke mist door elkaar tuimelende soldaten). ’Vlammenwerpers’ (honderden meters hoge rookwolken). ’U-boot’ (voorkant van een onderzeeër) ’en zijn effect’ (keurig in het midden getorpedeerde koopvaarder). ’Wie de bom gooit’ (naar beneden gebogen piloot met een bovenmaatse vuurpijl in de hand). ’Op wie die valt’ (uiteenstuivende soldaten met een archaïsche tweedekker in de lucht). ’Afgeschoten!’ (als oud papier verfrommelde tweedekker). ’Dat was een weide’ (luchtfoto van een pokdalig landschap). ’Dat was een bos’ (paar zielige stompjes hout). ’Dat was een stad’ (twee in lange pijen gehulde mannen die peinzend voortschuifelen over een terrein waar alleen nog enkele schoorstenen overeind staan). ’Dat was een mens’ (binnenste buiten gekeerde soldaat). Het volstrekt zinloze en krankzinnige begint hier haast lachwekkend te worden.

Maar dan wordt het vrede. We zien de Fransman Henry Chéron met de trompet op de rechterzij, direct nadat hij daarmee de wapenstilstand had ’afgeblazen’, we zien de Franse troepen die triomfantelijk Straatsburg binnenmarcheren, we zien de socialist Philipp Scheidemann die op 9 november 1918 van het bordes van de Rijksdag de republiek uitroept, we zien jujubevormige Engelse tanks voor de Dom van Keulen. En natuurlijk zien we de keizers en koningen voor wie het slecht was afgelopen: de tsarenfamilie vlak voor hun executie, Anastasia Tsjaikovski die beweerde aan de slachtpartij ontsnapt te zijn, grootvorst Michael die gezellig op jacht is in Engeland, de zoon van de laatste Turkse sultan, een prim en goedgekleed heertje met een viool onder de arm die in de Verenigde Staten in een jazzbandje in zijn onderhoud voorzag, een morsige Oostenrijkse aartshertog voor zijn even morsige delicatessenwinkeltje, de zelfs tot twee keer toe verwijderde Griekse ex-koning Constantijn in Schotse kilt op een chic partijtje. En Otto von Habsburg, een opvallend knappe jongen van een jaar of vijftien met een massa donkere krullen. En dan te bedenken dat diezelfde Otto von Habsburg, kroonprins van Oostenrijk-Hongarije van 1916 tot 1918, die nog bij Franz Joseph op schoot gezeten heeft, nog steeds leeft. Wat een merkwaardig leven.

In de Duitse versie van het fotoboek staat een briljante inleiding van de hand van Friedrich Sieburg (1893-1964). Sieburg was eerst buitenlands correspondent en na de oorlog tot zijn dood literatuurcriticus van de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

In die hoedanigheid werd hij gevreesd en gehaat door de Gruppe 47 van Heinrich Böll, Günter Grass en Paul Celan, schrijvers die bepalend zouden zijn voor de naoorlogse Duitse literatuur. Alfred Andersch, ook lid van die groep, omschreef Sieburg eens als de „grösste und stinkendste Kanalratte in dem, was sich heute Deutsche Literatur nennt”.

Neemt niet weg dat Sieburg de auteur was van een groot en succesvol oeuvre – weliswaar niet zeer diepzinnig, maar steeds scherp, geestig, uitzonderlijk erudiet en in eloquentie onovertroffen. Hij was enerzijds een groot bewonderaar van de Franse esprit, beschaving en fijnzinnigheid, resulterend in zijn beroemdste boek ’God in Frankrijk’ (1929). Anderzijds was hij ook betrokken bij de Duitse conservatieve revolutie. En in die duistere wereld was hij weer de medestander van Gregor Strasser vanwege diens socialistische oriëntatie en diens verzet tegen Hitler.

In zijn uit 1933 daterende ’Es werde Deutschland’ bewoog hij zich ver maar onverschrokken in het gevaarlijke schemergebied tussen nationalisme, kritiek op het liberale denken en de politieke progressiviteit. Zoals een commentator het mooi uitdrukte: „Hij schreed met opgeheven hoofd en slingerende gang door alle opportunismen van zijn tijd.” Compromisloos was hij alleen in zijn verzet tegen het antisemitisme, waardoor de nazi’s hem nooit als een van de hunnen konden of wilden zien.

De tegenstellingen in Sieburgs eigen carrière herhalen zich in hoe hij zijn eigen tijd duidde: „Het is de beste tijd en de slechtste tijd, de tijd van de duisterste verblinding en het diepste inzicht, van voorbehoudsloze offerzin en de boosaardigste hebzucht, van het grootste graanoverschot en de talrijkste hongerdoden, van sportieve onschuld en bloedbevlekte wellust, van slappe handen en gebalde vuisten, van massamoord en heilserum, van witte en rode terreur, van ’volle kracht vooruit’ en van ’wie verder gaat, wordt neergeschoten’. Schoonheidskoninginnen gaan naakt over de straat; negers die daar net iets te simpel op reageren, worden voor het stadhuis verbrand. Gehandicapten rijden met rolstoeltjes door het gekrioel, maar auto’s met tweeëndertig cilinders bereiken snelheden van driehonderd mijl per uur. Het is een tijd die de ene niet wilde, maar door de ander zorgvuldig werd uitgedacht. Het is de tijd die geen tijd heeft, en die in iedere minuut een eeuwigheid aflegt. Omdat in Japan een staking uitbreekt, kan een oud dametje in een pension in Brighton haar kamertje niet meer betalen; omdat in de Kaukasus een nieuwe oliebron wordt aangeboord, worden arbeiders in Pennsylvania werkeloos en moeten ze in de ondergrondse slapen. Onze tijd denkt zonder trots aan gisteren en zonder hoop aan morgen, maar het heden schijnt haar het Gouden Tijdperk te zijn. Dát is onze tijd.”

Mooi gezegd, krachtig verwoord en heel waar ook. In verscheidene opzichten zelfs waar van onze eigen tijd – wat te denken geeft. Meer nog: is Sieburgs karakteristiek eigenlijk niet waar van alle tijden – en daarom van geen enkele?

Charles Dickens zei over de Franse Revolutie: „It was the best of times, it was the worst of times, it was the age of wisdom, it was the age of foolishness, it was the epoch of belief, it was the epoch of incredulity, it was the season of Light, it was the season of Darkness, it was the spring of hope, it was the winter of despair.” En is dat niet precies hetzelfde wat Sieburg bedoelde? Is er dan ook hier niets nieuws onder de zon? Is iedere tijd de beste en de slechtste van alle tijden – en is dit fotoboek bijgevolg een spiegel, of metafoor voor alle tijden?

Laten we het daarom nog maar eens ter hand nemen. Het meeste trof mij een vijftal foto’s van een op zijn bekende manier orerende Hitler, met daarboven het opschrift ’Het nieuwe Europa’. Dat draagt alle connotaties in zich van een belofte voor de toekomst te zijn, van ons een betere wereld te brengen, waar de rampen van het verleden overwonnen zullen worden.

Het is voor mij absoluut de schokkendste fotoserie in het boek – waarin toch heel wat schokkends de revue passeert. Er is dus blijkbaar een tijd geweest waarin mensen Hitler, die wij nu terecht zien als het allerergste dat de westerse wereld ooit heeft voortgebracht, serieus als een belofte voor de toekomst zagen. Niet te geloven!

Dit is des te verbluffender omdat Márai en Dormándi zelf onmogelijk iets in het nazisme gezien kunnen hebben. Márai’s eigen sympathieën lagen helemaal aan het andere einde van het politieke spectrum. En voor Dormándi geldt hetzelfde.

Deze presentatie van Hitler lijkt daarom vooral het bewijs van onze volstrekte argeloosheid ten aanzien van de toekomst. Wij zijn blind voor het ergste dat de toekomst voor ons in petto heeft, zelfs als we er met onze neus bovenop staan. Dit tot verbijstering van het nageslacht – die geheid hetzelfde zal overkomen.

Of gaat dat toch een beetje te vlug? In zijn onvolprezen ’Kanttekeningen bij Hitler’ (1979) wees Sebastiaan Haffner erop dat Hitler als een groot man de geschiedenis zou zijn ingegaan als de aanslag in de Münchener Bierkeller van 1939 gelukt zou zijn. Stel dat met zijn dood de nazipartij uiteen was gevallen (niet onwaarschijnlijk) en stel dat de socialisten en de christen-democraten de draad van de Weimarrepubliek weer hadden opgenomen. De geschiedschrijving zou Hitler bewierookt hebben als de man die de economische crisis succesvol bestreed, die de Franse bezetting van het Rijnland ongedaan had gemaakt, die Duitsland bevrijdde van het trauma van de Schandfrieden van 1919. Daardoor zou Duitsland weer als een normaal land in het internationale systeem kunnen functioneren. Zeker, Hitlers rabiate antisemitisme zou voor ongemak hebben gezorgd. Maar geen zinnig mens had het voor mogelijk gehouden dat dat in het land van Kant, Goethe en Beethoven tot de Holocaust zou kunnen leiden. Alleen in de krankzinnige gedachtewereld van de nazi’s was zoiets denkbaar. Márai en Dormándi hadden in dat geval met hun Hitler als symbool van ’Het nieuwe Europa’ toch gelijk gekregen.

Dat stemt tot overpeinzing. Alles in het verleden laat zich historisch verklaren. Wij zijn daarom geneigd te denken dat de geschiedenis zich langs wegen der geleidelijkheid ontwikkelt en dat het historisch proces zich voegt naar de inertie van de continuïteit. Dat is het beeld dat oprijst uit alle geschiedschrijving.

De historicus presenteert de wereld alsof alles min of meer logisch uit het voorafgaande voortvloeit. Anders gezegd: de historicus is beroepshalve blind voor het toeval. Als hij een beroep zou doen op het toeval, dan zullen zijn collega’s hem vertellen dat hij zijn werk niet goed heeft gedaan, dat hij nog maar wat dieper en beter moet nadenken. Het toeval moet worden ’wegverklaard’ door het op te nemen in de continuïteit en de logica der dingen.

Tegen die achtergrond is het idee schokkend dat zo’n dom toeval als het mislukken van die aanslag in 1939 zo’n ontwrichtende uitwerking op het verloop van de geschiedenis kon hebben. Een foto van Hitler als belofte voor de toekomst drukt je met de neus op die realiteit.

Je kunt het ook anders zeggen. We hebben de intuïtieve overtuiging dat het Kwaad zijn diepe grond in de wereld en de geschiedenis hebben moet. Zo zijn historici soms zelfs helemaal tot Luther in de zestiende eeuw afgedaald om Hitler en de Holocaust te verklaren. In haar boek ’Het kwaad denken’ zegt Susan Neiman ergens dat wij geneigd zijn om ons het Kwaad voor te stellen als een ’machtige eik’, als een enorme presentie in onze wereld, als de negatieve tegenhanger van God, om zo te zeggen. Maar, schrijft zij, zo is het niet. Het Kwaad is eerder een ’snel proliferende zwam’, die ineens opduikt om even later even plotseling weer te verdwijnen.

Of de metafoor van die zwam helemaal op zijn plaats is, zou ik niet durven zeggen. Maar dat plotselinge opduiken en weer verdwijnen van het Kwaad is right on target. Dat is de schokkende waarheid waarvan ik mij bewust werd door dat setje foto’s van de twintigste-eeuwse incarnatie van het Kwaad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden