Altijd blijven spelen

Johan Nebbeling is dan misschien een burgermannetje met een gezin en een hypotheek, hij is wél een burgermannetje dat al veertig jaar in een band speelt. Dat maakt hem tóch een beetje speciaal.

Mijn eerste concert gaf ik toen ik negen was. Samen met mijn vriendje Wolter Kamphuis, op het grasveld langs het kanaal voor ons huis. Wolter op een drumstel van een kolenkit en een wasteil, ik op een aftandse mandoline. We noemden onszelf de Wojo's. Sterke naam, vind ik nog steeds.

Spelen konden we niet. We rammelden wat op onze instrumenten en zongen er onduidelijke liedjes bij. Maar ons optreden was een groot succes, afgemeten aan de enthousiaste reacties van het publiek - onze ouders en de buren.

Van ons optreden bestaan foto's noch geluidsopnamen. Waarschijnlijk is het eenmalige Wojo-concert in onze familie juist daarom uitgegroeid tot welhaast mythische proporties. "Weet je nog, Johan, van de Wojo's?" Ja, dat weet ik nog. Maar mij staat vooral bij hoe mijn vader later die avond mijn bezwete haren waste. Zachtjes en liefdevol zoals alleen hij dat kon.

Pas een paar jaar later kreeg mijn muzikale carrière een vervolg. Is gitaar niets voor jou?, vroeg mijn moeder, die kennelijk muzikale aanleg bij mij bespeurde. Zelf was ze een niet-onverdienstelijke zangeres. Direct na de bevrijding had ze gezongen bij Engelse legerbands onder de artiestennaam Coby Young, een internationale variant op het oer-Hollandse Coby de Jongh. Nu zong ze jazzklassiekers als Chattanooga Choo Choo alleen nog onder de afwas. En ja, gitaar leek me wel wat.

Ik was dertien en ik droomde. Ik zag mezelf al zitten - virtuoos fingerpickend, omringd door bloedmooie meisjes die erom vochten zich aan mij te mogen geven. Met een gitaar, stelde ik me zo voor, zou ik ze moeiteloos veroveren. Stuk voor stuk.

Op zolder lag de oude gitaar van mijn zus. Een roodbruin instrument van het merk Goldene Harfe. Het was een buitenmodelletje in de vorm van een Spaanse gitaar, maar met twee F-gaten in plaats van één rond gat. Zij speelde er liedjes op van Anneke Grönloh, maar had haar muzikale aspiraties laten varen toen ze het huis verliet om verpleegster te worden.

Daarna was mijn broer ermee aan de haal gegaan. Met vrienden had hij een bandje opgericht, The Roadrunners '65. Soms oefenden ze bij ons op zolder. Maar sinds The Roadrunners uit elkaar waren gevallen, lag het instrument te verstoffen.

Op de fiets reden mijn moeder en ik naar muziekwinkel 'De Gouden Harp' aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht, waar de sikkeneurige eigenaar de gitaar voorzag van nieuwe snaren. Ik kreeg er van mijn moeder een lesboekje bij uit de negendelige serie 'Klank en Ritme' door Ilja Kroon. Met de drie akkoorden die in het boekje werden behandeld - C, F en G7 - zou ik bijna alle liedjes kunnen spelen, zei de man in de winkel. Dat bleek nog te kloppen ook.

Van les was geen sprake. Kennelijk vonden mijn ouders dat ze mij met de aanschaf van nieuwe snaren en een lesboekje voldoende hadden ondersteund op muzikaal gebied. Ik had er trouwens ook niet zo'n behoefte aan. Ik zou het mezelf wel leren aan de hand van dat boekje.

Dat bleek nog lastig. Internet bestond nog niet, tutorials op YouTube al helemaal niet en ik kende geen andere gitaristen. Aan de gebrekkige gitaarvaardigheden van mijn broer had ik ook weinig.

Het kwam erop neer dat ik alles stukje bij beetje zelf moest uitvogelen. Uren, dagen bracht ik door op mijn kamertje met mijn gitaar, moeizaam de vingerzettingen van de akkoorden repeterend. Ik herinner me vooral het geworstel om de lastige, maar onontbeerlijke 'barreerakkoorden' onder de knie te krijgen.

De eerste tijd zong ik er ook bij. Klonk best goed, vond ik. Maar toen ik een cassetterecorder had gekocht en mijn eigen zang terughoorde, leek het me beter me voortaan slechts toe te leggen op gitaarspel. Als mensen me vroegen wat ik later wilde worden, zei ik: sologitarist in een rockband. Dat was volgens mij het mooiste wat je kon worden. Om me voor te bereiden op deze glorieuze toekomst was ik altijd bezig met mijn gitaar.

Vreemd genoeg heb ik geen herinnering aan mijn eerste elektrische gitaar. Maar op zeker moment moet ik er een hebben gekocht of geritseld, want na twee jaar oefenen richtte ik een bandje op met enkele vrienden: Justice. Met krakkemikkige instrumenten op krakkemikkige apparatuur speelden we in een eigen oefenruimte bij een oude boerderij. Een droom kwam uit.

Muzikaal was Justice geen succes. Voor de rest ook niet. We waren onervaren en konden eigenlijk nog nauwelijks spelen. Ik geloof niet dat we ooit hebben opgetreden. En tot onverdeelde meisjesaandacht leidde het ook niet.

Heel soms lukte het me om op zaterdagavond na afloop van de soos, een meisje mee te tronen naar onze verlaten oefenruimte, waar een oude sofa dan goede diensten verleende. Ook een vorm van succes.

In de jaren die volgden ontpopte ik me tot een wat rommelige gitarist, die meer op gevoel speelt dan volgens het boekje. Solo's improviseren, ritmische rifjes spelen, dat ging me goed af. Maar je moest me niet vragen om een gitaarpartij na te spelen van de plaat. Als ik me er echt op toelegde, kreeg ik het uiteindelijk wel onder de knie, maar eigenlijk had ik er het geduld niet voor. Je kunt ook zeggen dat ik er te lui voor was. Liever deed ik 'mijn eigen ding': een beetje pielen en maar kijken wat er van kwam. Dat is nog steeds zowel mijn kracht als mijn zwakte.

Er zijn maar weinig dingen leuker dan samen muziek maken, ontdekte ik al snel. Het is een kick om je versterker aan te zetten, het rode lampje te zien branden, je gitaar even te stemmen, elkaar aan te kijken, bijna onmerkbaar te knikken, af te tellen en in te zetten. Eerst is er niets, dan is er muziek. Als het allemaal een beetje lekker loopt, krijg je daar enorm veel energie van.

Spelen voor publiek voegt daar nog een dimensie aan toe, zeker als 'de zaal' goed reageert. Dan stroomt de energie die je als band genereert honderd keer versterkt terug en brengt je in een rode, hete roes van geluk.

Dan manifesteert zich soms ook een fenomeen dat aan niet-muzikanten niet goed is uit te leggen: tijdens het spelen word je één met elkaar, de muziek en de wereld om je heen. Samen stijg je boven alles uit. Dat is de vibe. In de vibe klopt elke noot, vallen tijd en ruimte samen en is de hemel nabij. Het is een magische ervaring. De vibe is beter dan seks, vinden veel muzikanten.

Maar de vibe kan alleen ontstaan met de juiste muzikanten om je heen. Mensen die je vertrouwt en respecteert, zodat jij op je kwetsbaarst durft te zijn, zodat je je muzikale grenzen kunt verleggen. Maar muzikanten bij wie je je helemaal senang voelt, zijn moeilijk te vinden. Het zit namelijk zo: veel muzikanten zijn eikels met grote ego's. Ze vinden zichzelf stiekem de beste en voelen zich ver boven ieder ander verheven. Dat zullen ze nooit zeggen, maar laten ze wel merken. Bandjes zijn vaak stinkende poelen van botsende ego's en gefnuikte ambities. Manipulaties, roddel en achterklap, ruzie en gedoe zijn aan de orde van de dag. Er is veel bitterheid en wrok onder muzikanten. Als het bandje uiteenvalt, resteren vaak levenslange vetes.

Het bandje waarin ik eind jaren zeventig speelde, stelde muzikaal weinig voor maar we hadden het wél leuk met elkaar. Op zeker moment trad een gitarist toe wiens capaciteiten duidelijk uitstaken boven die van ons. Tof, vonden we.

Maar de gitarist ontpopte zich tot een meesterintrigant die de band via listige machinaties rap wist in te zetten voor persoonlijke doelen. Binnen de kortste keren waren zowel de zanger/oprichter als de drummer en de bassist vervangen door - toegegeven: betere - muzikanten uit zijn eigen vriendenkring.

Jij bent de volgende, waarschuwde de drummer me bij zijn gedwongen afscheid. Ik wist zeker van niet, maar hij had natuurlijk gelijk.

In de loop van veertig jaar speelde ik in vele bandjes; van rockgroepen tot coverbands, van bluegrassgroepjes tot gelegenheidsformaties. En hoewel ik soms tegen teleurstellingen opliep - zelfs op mijn vijftigste werd ik nog uit een bandje gegooid! - ben ik altijd blijven spelen.

Vanwege het gevoel dat spelen in een band me geeft. Hoe zal ik het zeggen? Door in een bandje te spelen voel ik me anders, speciaal. Ik ben dan misschien een burgermannetje met een gezin en een hypotheek, maar wél een burgermannetje dat in een band speelt. Het gevoel van On the road again van Willie Nelson, weet je wel. Nog altijd raak ik opgewonden van een naderend optreden.

Het maakt niet uit dat ik al die jaren nooit ook maar in de buurt van succes kwam - zowel op muzikaal gebied als bij de dames. Naarmate ik ouder werd, vervaagde de droom om sologitarist te worden in een rockband. Niet alleen omdat ik me realiseerde dat mijn muzikale talenten daarvoor waarschijnlijk toch tekortschoten - ik heb veertienjarige gitaristen gezien die mij moeiteloos van het podium blazen - maar ook omdat er andere dingen voor in de plaats kwamen. Grote-mensendingen.

Wat de meisjes betreft: ik had inmiddels thuis mijn eigen meisje. Zij vond het allemaal prima, dat gitaarspelen, iets wat nu eenmaal bij mij hoort en waarmee ik vooral moest doorgaan. Maar ik deed haar pas écht plezier als ik de vaatwasser uitruimde, de tuin bijhield of de badkamer tijdig een goede beurt gaf.

Sinds enkele jaren speel ik in het leukste bandje waarin ik ooit heb gespeeld: Henk Wilmans en de Rodeo Lasso Show Band. We maken Nederlandstalige country, een uniek genre. Ik ben het oudste bandlid, maar ook de andere muzikanten vallen in de categorie 'oudere jongeren'. We zijn mensen met verantwoordelijke banen en gezinnen, de tomeloze muzikale ambities voorbij. Wij willen alleen maar lekkere, leuke, mooie muziek maken en daar worden we steeds beter in naarmate we langer samenspelen. Van een doorbraak dromen we niet meer. Of alleen nog stiekem.

Maar het kan verkeren; een tijdje geleden gaven we een succesvol optreden voor een volle zaal. Het publiek was enthousiast. Toen ik na afloop van het podium stapte, werd ik omhelsd en gezoend door verhitte meisjes. Meisjes van middelbare leeftijd, maar toch: meisjes. Eindelijk, dacht ik. Maar ook: Waar waren jullie 35 jaar geleden?

Mijn eigen meisje stond, zoals gebruikelijk, een beetje achteraf. Ze houdt niet zo van aandacht. Toen ik me uit de omhelzingen had losgemaakt, zag ik iets nieuws in haar ogen. Of iets wat ik lang niet had gezien. Hartstochtelijk zoende ze me op de mond. Het meisje van de gitarist.

Reageren

Speelt u al heel lang in een band? Of bent u het meisje van de gitarist? Schrijf ons in maximaal 150 woorden. tijdpost@trouw.nl

Henk Wilmans & de Rodeo Lasso Show Band
Band uit Utrecht. Speelt in het Nederlands 'hertaalde' countrynummers. Van 'Blijf bij je wijf' (Stand by your man) tot 'Op een luchtmatras' ('Islands in the Stream'). De band is in 2011 opgericht door tekstschrijver/zanger/mandolinespeler/accordeonist Maarten Kuiper (41) en bestaat verder uit drummer Godfried Boogaard (45), bassist/zanger Hans Abbink (42), zangeres/gitariste Emily van Orsouw (35), banjospeelster/gitariste/zangeres Miep Oude-Aost (38) en gitarist Johan Nebbeling (55). Zie ook: www.henkwilmans.nl.

"Onze ambitie? Mensen een plezierige avond bezorgen"

Never Mind Music
Naam: Rob Röhner

Band: Never Mind Music

Rob Röhner (64) is de bassist van Never Mind Music, een allround 'feesten- en partijenband' uit Nieuwegein die dit jaar het dertigjarig jubileum viert. De band bestaat verder uit twee dertigers, een veertiger en twee vijftigers. De ambitie van Never Mind: mensen een plezierige avond bezorgen.

"Voor publiek spelen is geweldig. Ik zie er wel eens tegen op, want we slepen nogal wat apparatuur mee en opbouwen en afbreken is een heel gedoe. Maar eenmaal op het podium ben ik dat vergeten. Zo'n zaal geeft enorm veel energie. Als ik na een optreden 's nachts thuiskom, kan ik de eerste uren niet slapen.

We spelen twee, drie keer per maand op huwelijken, bedrijfsfeesten en andere gelegenheden. Elke januari geven we een nieuwjaarsconcert.

We zijn een allround coverband. In principe spelen we alles: van Top40 hits, tot gouwe ouwe en Nederlandstalige krakers van Frans Bauer. We nemen alleen nummers in ons repertoire op die we live kunnen brengen. Zuid-Amerikaanse muziek spelen we bijvoorbeeld niet, omdat we daarvoor de instrumenten niet hebben. Ook hardrock laten we links liggen, omdat het publiek dat niet van ons zou pikken. We willen mensen een plezierige avond bezorgen. Onze eigen smaak telt minder.

We zijn amateurs, maar we spelen op een behoorlijk hoog niveau. Ik speel basgitaar sinds mijn vijftiende.

Wanneer ik stop? Als ik het tempo niet meer kan bijbenen en voor mijn zeventigste. Op zeker moment moet je ruimte maken voor de jeugd. Maar tot het zover is, ga ik er vol voor."

"Mijn ambitie? Met goeie muzikanten míjn muziek maken"

Drive by Wire
Naam: Simone Holsbeek

Band: Drive by Wire

Gitariste en zangeres Simone Holsbeek (47) uit Deventer speelde sinds haar vijftiende met de alternatieve hardrockband The Cords, waarin ook haar echtgenoot zat. Na zijn onverwachte overlijden richtte ze in 2006 Drive by Wire op, waarmee ze twee albums maakte en regelmatig op Nederlandse podia staat.

"Musiceren is voor mij een manier van leven. Niet alleen muziek maken, maar ook muziek luisteren en concerten bezoeken, nieuwsgierig als ik ben naar nieuwe sounds en ontwikkelingen. Ik vind het nog steeds geweldig om op het podium te staan. Dat ik ouder word, speelt voor mij nog geen rol. Tegenwoordig mengen oud en jong meer dan vroeger. Bovendien is ons publiek met ons meegegroeid. Ik voel me er in elk geval niet ongemakkelijk bij. Goed, vroeger stuiterde ik over het podium en nu niet meer. Maar mijn drive is onveranderd. Vergeleken met vroeger is het nu minder in de muziekwereld. Er zijn veel meer goeie bands dus de concurrentie is enorm. Vroeger kon ik leven van de muziek. Maar de belangstelling voor alternatieve muziek is afgenomen en de gages zijn lager. Nu ben ik muzikant naast mijn baan in de Jeugdzorg en de zorg voor mijn gezin. Dat is de reden waarom er vijf jaar zit tussen ons laatste album en de nieuwe cd die volgend jaar verschijnt. Op een doorbraak reken ik niet meer, ook omdat ik geen concessies wil doen aan de commercie. Mijn ambitie is niet om rijk en beroemd te worden, maar om samen met goede muzikanten goede muziek te maken. Míjn muziek."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden