Altijd anti-joods? Nee, altijd dubbelzinnig

Rooms-katholicisme en antisemitisme waren innerlijk verweven. Dat stelt Daniel Goldhagen in zijn jongste boek 'Een morele afrekening' over de rol van paus en rk kerk tijdens het nazisme. In hoeverre gaat die stelling op voor Nederland? Een ambivalente geschiedenis.

Tot in de Tweede Wereldoorlog en zelfs daarna, heeft binnen rooms-katholiek Nederland een kwaadaardig antisemitisme bestaan. Er was echter ook een traditie van principiële kritiek, uitlopend op het bekende publieke protest van aartsbisschop Jan de Jong in 1942 tegen de deportatie van de Joodse Nederlanders. Beide stromingen beriepen zich even vurig op de kern van wat in hun ogen de katholieke traditie was.

Tot die conclusie komt de werkgroep Relatie Jodendom Christendom (RJC) van de Katholieke Theologische Universiteit in Utrecht. Onder leiding van dr. Marcel Poorthuis doet ze sinds jaren onderzoek naar de beeldvorming over het jodendom in ons land gedurende de negentiende en twintigste eeuw. Daaruit blijkt dat de verhouding tussen rooms-katholicisme en antisemitisme eerder ambivalent dan eenduidig was.

Aan het einde van de negentiende eeuw werd in het Nederlandse katholieke milieu -sterk op Rome gericht en met grote huiver voor de modernisering- het nieuwe antisemitisme van auteurs als de Franse journalist Drumont en de Duitse oudtestamenticus Rohling geïmporteerd. Tijdschriften als Het Dompertje en De Katholieke Gids, maar ook kranten als De Maasbode en het Noord Brabantsch Dagblad waren de spreekbuizen hiervan. Daarbij ging het niet enkel om de vermeende godsmoord door de Joden, over 'rituele moorden en hostieschennis', maar ook over een 'Joodse wereldsamenzwering' en de 'inferioriteit van het Joodse ras'. De aanhang voor dit felle en 'vuile' antisemitisme, voedingsbodem voor de latere holocaust, beperkte zich niet tot enkele marginale buitengebieden, maar drong door tot in het hart van het katholieke milieu.

In de periode tussen de twee wereldoorlogen werd dit mengsel van theologisch en politiek-raciaal antisemitisme nieuw leven ingeblazen. Dat gebeurde in de kring van de oude ultramontanen (sterk op Rome gerichte katholieken). Maar ook binnen bepaalde anti-kapitalistische delen van de rk arbeidersbeweging, in het bijzonder binnen de standsorganisatie voor katholieke arbeiders. Anti-kapitalistische auteurs binnen de Rooms-katholieke Staatspartij (RKSP) als Max van Poll verspreidden eenzelfde gedachtegoed. Dat gebeurde ook door theologen als de Nijmeegse exegeet en dominicaan J. van der Ploeg (1906) die dit antisemitisme bovendien verbond met antizionisme.

De revival van het antisemitisme vond ook plaats in een heel ander deel van het katholieke milieu. In die onrustige jaren van het interbellum ontstond een nieuwe culturele beweging van non-conformisten, bekend als de Katholieke Jongeren. Men kan het een vernieuwing van het ultramontanisme noemen, maar ook als uiting van een charismatisch katholiek reveil. Hun huiver voor de geest van de tijd was groot, hun affiniteit met de culturele avant-garde evenzeer. Het non-conformisme nam op de rechtervleugel van deze beweging de gestalte aan van een anti-democratische maatschappijkritiek, met sympathie voor het fascisme en soms zelfs voor het nazisme. In jaargangen van bladen als Roeping en De Nieuwe Gemeenschap kan men de sporen hiervan traceren. In hun strijd tegen de geest van de tijd nam het antisemitisme een niet onbelangrijke plaats in. Joden waren hét symbool van moderne verwording.

Binnen datzelfde vaderlandse katholicisme bestond echter ook een stroming die scherpe kritiek uitte op deze import en verspreiding van het antisemitisme. Dit verzet stamde niet van marginale modernisten zonder gezag, maar werd verwoord door auteurs in het hart van de katholieke zuil.

Reeds in 1900 veroordeelde de jonge advocaat P.J.M. Aalberse, later de voorman van de RKSP, de import van het antisemitisme. Hij wees de verhalen over rituele moorden af als verzinsels, geloofde in het geheel niet in een joodse samenzwering noch in een dominante rol van joden binnen de kapitalistische revolutie. Hij meende bovendien dat dit antisemitisme strijdig was met de katholieke leer. Aalberse werd gesteund door mgr. H. Schaepman, de oude katholieke politieke voorman in die tijd.

Juist de groep die rond 1900 de nieuwe katholieke zuil oprichtte en die een zekere aanpassing binnen de moderniteit nastreefde, keerde zich tegen de mythen over de Joden als de aartsvijanden van gezag, orde en religie.

In de tijd tussen de twee wereldoorlogen werd vanuit deze groep opnieuw stelling genomen tegen het oplevende antisemitisme. Aalberse herhaalde in 1933 zijn kritiek, de katholieke sociale voorman mgr. H. Poels nam het in hetzelfde jaar op voor de Joden in Duitsland. Binnen de RKSP was men democratisch gezind en moest men niets hebben van het antisemitisme. De politicus Johannes Veraart, een tijdlang leider van een radicale afsplisting, maar voordien en nadien actief binnen de RKSP, nam in 1938 principieel stelling: Joden zijn 'deel van ons volk'. Het antisemitisme is in strijd met de democratische traditie van Nederland en ook een aantasting van het wezen van het katholicisme.

Ook binnen de non-conformistische culturele beweging van Katholieke Jongeren groeide kritiek. De democratische vleugel onder leiding van dichter-journalist Anton van Duinkerken trok in de jaren dertig een streep. Deze groep was op democratische en humanitaire gronden sterk gekant tegen de Jodenvervolging in nazi-Duitsland. Het culturele blad De Gemeenschap distantieert zich meer en meer van de bovengenoemde fascistisch gezinde Katholieke Jongeren. Die splitsten zich af en richtten De Nieuwe Gemeenschap op.

Deze lijn van kritiek op het antisemitisme in de jaren dertig werd ook gevolgd door niet onbelangrijke vertegenwoordigers van de geestelijkheid en de bisschoppen. Zij zagen in nazisme en antisemitisme een 'nieuw-heidendom'. Aartsbisschop De Jong nam in zijn Handboek der Kerkgeschiedenis (1936) deze zienswijze over. Hij baseerde zich met name op publicaties van de filosoof en pater karmeliet Amandus van der Wey. Sporen van deze kritiek treft men ook aan in de encycliek 'Mit Brennender Sorge' (Pius XI, 1937). Dit afwijzen van het antisemitisme liep tenslotte uit op het eerder genoemde protest van De Jong in 1942 tegen de deportatie van het Nederlandse jodendom naar Westerbork (als voorportaal van Auschwitz). Hij vroeg paus Pius XII en het Vaticaan nadrukkelijk om eveneens openlijk te protesteren. Men deed niets.

De ambivalentie gaat dieper. Ook de katholieken, die het antisemitisme afwezen, behielden een kwetsbare plek. De oude theologische leer dat de Joden collectief schuldig zijn aan de dood van Jezus, dat het christendom het jodendom vervangen heeft (substitutietheologie), en dat de vervolging van de Joden een straf van God is voor eigen schuld, bleef ook voor hen een vanzelfsprekend gegeven.

Het bekend worden van de Shoah in 1945 gaf deze theologie niet meteen de genadeslag. Met een vertraging van twintig jaar werd in de jaren zestig, tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie en in Nederland op het Pastoraal Concilie, de oude substitie-leer vervangen door een theologie over dialoog met en rehabilitatie van het jodendom. En pas in de jaren negentig vond dit proces van theologische revisie zijn voorlopige afronding: het jodendom als de 'oudste broeder' van het christendom.

Pijnlijk is dat deze zelfreiniging binnen de rk kerk van Nederland niet uitgevoerd is door progressieve katholieken, maar door een 'orthodox' episcopaat (én door de Katholieke raad voor Israël). Kardinaal Simonis liep voor de troepen uit. Welk een historische paradox!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden