Alstublieft, géén waterput!

Heel jammer, vindt Alphonse Muambi, dat het prinselijk paar afziet van hun villa in Mozambique. Waarom moet Afrika dat eeuwig zielige continent van aids, honger, snot en vliegen blijven?

Onlangs maakte ik een wandeling van mijn stad Den Haag naar Amsterdam. Een wandeling tussen de bloemen van de stilte en de geur van de vrijheid. Het werd al snel een wandeling door de geschiedenis van Nederland. De straatnamen en oorlogsmonumenten, kerken en kerkhoven brachten me terug in de tijd.

Door de afwisseling van natuur en architectuur, dorpen en steden, weilanden en polders, raakte ik overtuigd van de kracht van Nederland – een klein landje dat eeuwenlang werd geteisterd door oorlog en rampspoed. De Tachtigjarige Oorlog, de Tweede Wereldoorlog, de watersnoodramp: Nederland is niet ongeschonden gebleven. Desondanks of juist dankzij al deze ervaringen is Nederland niet klein meer. Internationaal maakte het geschiedenis met succesrecepten op terreinen als economie en waterbeheer.

Waarom zou het een foute gedachte zijn om die ervaring te delen met een land als Mozambique, dat ook met een oorlogsverleden kampt? Dat antwoord is helaas niet gegeven tijdens het recente debat over de bouw van de villa van het prinselijk paar op Machangulo.

Het schiereiland Machangulo is een groen paradijs met de kracht van het onbevlekte Afrika. Daar groeien olifanten en mangroven. Daar groeien ook vakantievilla’s en een luxehotel.

Alexander Pechtold van D66 vond dat het rijke prinselijke paar geen vakantievilla mag bouwen op de ruïnes van honger en ziekte in Afrika. Voor hem is Mozambique een ander universum, dat van de armoede en het leed, waar onze kroonprins niet thuishoort. Ook niet tijdens zijn vakantie. De verklaring die Pechtold hierover in de media gaf was helder: „Het had nooit moeten beginnen. Stop er alstublieft mee, nu zich fout op fout stapelt. Ik zou zeggen: doe dit niet. Mozambique is een instabiel land waar de levensverwachting 46 jaar is, veel aids voorkomt, veel baby’s sterven en veel landmijnen liggen.”

Ook voor Michiel Zonnevylle, voorzitter van de Bond van Oranjeverenigingen, was de armoede van Afrika een belangrijke factor om zijn veto uit te spreken over het project: „Het is zeer ongelukkig om voor zo’n arm land als Mozambique te kiezen.” Volgens Netwerk bleek slechts negen procent van de Nederlanders positief over de bouwplannen.

Nu begrijp ik heel goed dat de kroonprins beschermd moet worden tegen iedere schijn dat hij verwikkeld zou zijn in malafide praktijken – waarvan vaak sprake is in de bouwbranche. De Oranjes mogen niet betrokken raken bij corruptie. Maar wat ik niet begrijp, is het voornaamste bezwaar dat tegen de villa werd aangevoerd: de sociaal-economische positie van de lokale bewoners. Wat heeft de levensverwachting van een inwoner van Machangulo te maken met de idealen van het project? Is iemand met een levensverwachting van honderd jaar waardiger dan iemand die twintig jaar te leven heeft? Bepalen statistieken over armoede en ziekte de nieuwe grenzen? De grenzen tussen hen en ons?

Tijdens mijn wandeling door Nederland heb ik geen grenzen gezien. Ik ontmoette de eenvoud en soberheid van de gewone mensen. Ik sprak met hen over heden en verleden. Over de magie van de kermis die tot de verbindende factor in de dorpen uitgroeide. Maar ook over de geluidsoverlast van de HSL. Inwoners van Roelofarendsveen, arm én rijk, maken zich daar zorgen over.

Als het om Afrika gaat, maken we ons zorgen over babylijkjes waar het prinselijke paar en hun kinderen langs moeten lopen. Althans, dat deden de tegenstanders van het bouwproject. De voorstanders reduceerden Willem-Alexander en Máxima tot ontwikkelingswerkers die toiletten en waterputten op het eiland moesten neerzetten.

Wat ik vooral miste in beide visies was de internationale stempel die Máxima en Willem-Alexander op het eiland zouden kunnen drukken. Wat kan dit project voor de bevolking van Machangulo in de toekomst betekenen? Hoe kan het land hiervan profiteren?

Het is moreel onverantwoord om de winst van het project niet in een mondiaal perspectief te zien. Er ligt een groot arsenaal aan mogelijkheden: het project als katalysator voor ecologisch toerisme dat het ramptoerisme kan vervangen, het bouwen van bruggen en wegen, de kennis van de prins over watermanagement, de kennis van Máxima over microkrediet. De kennis die Nederland heeft kan Mozambique goed gebruiken. Het land heeft mensen met idealen nodig. Juist door in kennis, economie en deskundigheid te investeren, bereik je meer dan met alleen hulp aan aidspatiënten en een paar waterputten. Het simpele feit van daar te zijn en interesse te hebben in het land – alleen dat al is winst voor Mozambique. Alleen dat al getuigt van de betrokkenheid van het paar. Maar die inhoudelijke discussie bleef achterwege, fundamentele vragen werden niet gesteld. Het debat ging niet over het koninklijk paar dat een ander beeld van Afrika wil neerzetten, dat van een aantrekkelijk, vitaal Afrika in plaats van het eeuwig zielige continent van aids en honger, snot en vliegen. Ik zag het bouwen van de villa op Machangulo als een symbool van hoop en realisme.

Zelf ken ik Mozambique vooral van A luta continua (De strijd gaat voort), het bekende lied van Miriam Makeba, landgenote van Nelson Mandela. Ik was een klein kind toen ik dit liedje voor het eerst hoorde, ik groeide ermee op in de tropische regen van Congo. Ik danste op de melodie zonder te weten wat de inhoud was, zonder te weten dat het een oorlogskreet was uit Mozambique, uit de tijd na de onafhankelijkheid in 1975. De hevige storm van de Koude Oorlog liet ook in dit land sporen van verschrikking achter. Sinds 1994 behoort Mozambique tot de familie van de democratie. Sinds 1994 wordt elke vijf jaar een president gekozen. Joaquim Chissano, president van 1994 tot 2004, won de belangrijke Mo Ibrahim-prijs – een prijs die met een kleine vijf miljoen dollar voormalige presidenten beloont voor goed bestuur in Afrika.

Nederland heeft ook in Afrika zijn sporen achtergelaten. Het Brabantse Helmond kleedt er miljoenen vrouwen. Van de straten van Accra tot aan de kleinste steegjes van Maputo, bepaalt de dure Wax Hollandais de schoonheid van de Afrikaanse vrouw. Vlisco, de fabriek in Helmond, dankt zijn honderdvijftigjarige succes aan zijn benadering van de Afrikaanse vrouw als volwaardige consument. Niet als zielig, arm project.

Ook in de hoofdstad van het Franse Caribische eiland Guadeloupe, waar ik een tijd geleden op vakantie was, bleek een Nederlandse visser zijn stempel te hebben gedrukt. De mare gaat dat deze Peter elke dag op tijd in de haven was met zijn vangst, ook op zondag als zijn collega-vissers rustten. Iedereen ging naar de ligplaats van Peter die later uitgroeide tot de Point à Pitre. Als Peter de Visser en de stoffen van Vlisco al geschiedenis schreven in Afrika, hoe groot zou dan de impact niet kunnen zijn van een koninklijke investering in het kleine Machangulo?

Ik bemoei mij niet alleen met deze discussie als bezitter van het Oranjegevoel, maar ook als kenner van de Afrikaanse armoede. Tijdens vele lezingen door het land, waarin ik pleit voor grote investeringen – in de landbouw, en in de winning van mineralen als diamanten, coltan, en andere grondstoffen die Afrika rijk is – zijn er vaak mensen die mij willen overtuigen van het nut van kleine projecten. „Je kunt beter waterputten slaan in Afrika. Dat helpt”, zeggen ze. Als ik praat over zaken doen met Afrika als een win-winsituatie, dan krijg ik een zuinige reactie. Tweedehands auto’s en oude computers: die zijn goed voor Afrika. Het is dezelfde ondertoon die doorklinkt in het debat over Machangulo.

Toen ik vernam dat het prinselijk paar afzag van het project, hoorde ik Alexander Pechtold, na het betuigen van zijn respect voor hun besluit, cijfers noemen om wederom de armoede van Mozambique te benadrukken. Hij gaf Willem-Alexander een tip: hij zou zich in moeten zetten tegen aids.

Ik moest denken aan de documentaire ’Enjoy the poverty’ van de Nederlandse filmmaker Renzo Martens. Daarin laat hij zien hoe westerse fotografen gefascineerd zijn door foto’s van alles wat negatief is in Congo. Dit terwijl lokale fotografen uitsluitend foto’s maken van huwelijksfeesten en verjaardagen. Het moet gaan om armoede en ellende, om drama en emotie, ziektes. Want anders is het geen Afrika. Anders verkoopt het niet.

Ik vermoed dat Pechtold en Zonnevylle niet beseffen dat hun uitlatingen bijdragen aan het slechte imago van Afrika. Maar juist het ontbreken van dit besef is problematisch, gezien hun maatschappelijke positie en hun prominente aanwezigheid in de media. De bijwerkingen van dit soort uitlatingen kunnen schadelijk zijn in het internationale dorp dat de wereld is. Bovendien hadden ze het debat ook kunnen winnen zonder een beroep te doen op armoede en zieke baby’s. Er was genoeg schimmigheid rond het project, dat al vanaf 1994 loopt, en dat in 2005 werd ondergebracht in een holding op het belastingparadijs Mauritius. Máxima en Willem-Alexander stapten in 2007 in, maar in 2009 is het nog steeds niet af.

Al met al lijkt het verhaal sterk op een slang die in het midden wordt gepakt. Een Afrikaanse wijsheid raadt dat sterk af: de slang zal dan namelijk bijten.

Ik waardeerde het besluit van de Oranjes om in het bouwproject te stappen. Zelf zag ik geen koloniale trekjes in de knipoog van Máxima noch in de glimlach van de prins. Ze vertegenwoordigen, in mijn optiek, de nieuwe geesten van een generatie die begrijpt dat er een andere aanpak nodig is voor Afrika. Een generatie die zich niet laat inpakken door de karikatuur van de trieste plaatjes.

Ik waardeerde ook het besluit van het prinselijk paar om af te zien van dit project. Hun brief aan Balkenende heb ik gezien. Ik kon de teleurstelling eruit aflezen. Een passage trof mij: „Bouwen in ontwikkelingslanden kan vragen oproepen. Er zijn bijvoorbeeld eigen tradities en tijd heeft een andere dimensie. Maar dat mag geen reden zijn bij voorbaat ontwikkelingslanden te mijden.” Elke zin uit de brief van prins Willem-Alexander getuigt van de investering die Afrika nodig heeft. Een beter welstandsniveau leidt tot een betere gezondheid. En beter onderwijs tot gezonde mensen.

Toen Oprah Winfrey in 2007 een luxe school voor meisjes opzette in Zuid-Afrika, kreeg ze de kritiek dat ze niet investeerde in aidsbestrijding. Haar antwoord was: „Meisjes die zijn opgeleid hebben een kleinere kans op aids.” Ze voegde daaraan toe: „De levensloop van deze meisjes zal veranderen. Zij zullen uitblinken en hun uitmuntendheid overdragen aan hun familieleden, hun land en onze wereld.”

Natuurlijk is er aids in Afrika en ook in Mozambique. Elke investering om de ziekte van de eeuw te bestrijden, zoals de Congolezen haar noemen, is meer dan welkom. Brazilië helpt het land al sinds 2005 om zelf aidsremmers te produceren. Concurrentie vanuit Eikenhorst is niet nodig.

(Trouw)Beeld WFA RVD
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden